Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ6342

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
KG-3574/10-H-53/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Geschil betreft de omstandigheden in de gevangenis van Aruba, het KIA. Het Hof acht een periode van 6 maanden voldoende om te bewerkstelligen dat de gedetineerden in cellen worden opgesloten die regenwatervrij blijven. Daarnaast oordeelt het Hof dat het plaatsen van drie gedetineerden per cel niet zonder meer in strijd is met art. 3 EVRM. In beginsel heeft te gelden dat indien een gedetineerde minder dan 3m2 tot zijn beschikking heeft er sprake is van een schending. In dit geval is hiervan geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Sancties 2011/13 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 19 april 2011

ZAAKNR.: KG-3574/10-H-53/11

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND ARUBA (hierna het Land),

zetelend in Aruba,

voorheen gedaagde, thans appellant,

gemachtigde: thans mr. R.F. Pietersz,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1 tot en met geïntimeerde sub 152].

(hierna de gedetineerden),

allen gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba (hierna KIA) in Aruba,

voorheen eisers, thans geïntimeerden,

gemachtigden: thans mr. E. Duijneveld voor geïntimeerden onder de nummers 3, 5, 43, 46, 47, 50, 51, 67, 74, 87 en 135 en mr. J.F.M. Zara voor de overigen.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, (verder: het GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis in kort geding van 2 februari 2011. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Het Land is in hoger beroep gekomen van dit vonnis door indiening op 8 februari 2011 van een daartoe strekkende akte van appel tevens memorie van grieven ter griffie van het GEA. In die memorie van grieven heeft het Land zeven grieven aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoend, geïntimeerden niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel hun vordering zal afwijzen met veroordeling van hen in de kosten van de procedure in beide instanties.

Tijdens de door het Hof op 15 februari 2011 gehouden descente waarbij het KIA is bezocht, is de memorie van grieven aan de gemachtigden van de gedetineerden uitgereikt, hebben het Land en de cliënten van mr. Duijneveld laten weten mondeling te willen pleiten en is als datum voor het mondeling pleidooi 15 maart 2011 vastgesteld en aangezegd.

Bij beschikking van 16 februari 2011 van de fungerend president van dit Hof is een verzoek tot verkorting van de appeltermijnen toegewezen zoals nader is omschreven in het dictum van die beschikking.

De gedetineerden zoals genoemd in de door mr. Zara ondertekende memorie van antwoord van 9 maart 2011 zijn in hun antwoord tot de conclusie gekomen dat de grieven falen.

De gedetineerden zoals genoemd in de door mr. Duijneveld ondertekende memorie van antwoord van 8 maart 2011 hebben in hun antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Land althans tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van het Land in de kosten van het hoger beroep.

Mr. Zara heeft het Hof per faxbericht van 14 maart 2011, 10.20 uur ter gelegenheid van het te houden pleidooi producties doen toekomen. Mr. Zara heeft het Hof per faxbericht van diezelfde dag van 16.36 uur om aanhouding van het pleidooi verzocht, waartegen mr. Duijneveld zich bij faxbericht van die dag, binnengekomen om 19.24 uur heeft verzet. Het Hof heeft tijdens de reguliere rolzitting van 15 maart 2011, 08.30 uur, alwaar mr. Zara niet is verschenen, het verzoek om aanhouding van het pleidooi afgewezen. Deze beslissing is met bekwame spoed meegedeeld aan mr. Zara.

Op 15 maart 2011 om 13.30 uur heeft het daartoe aangewezen lid van het Hof de pleitzitting geopend. Aanwezig waren de drie gemachtigden voornoemd. Het lid van het Hof heeft meegedeeld dat op 15 maart 2011 per fax van 11.15 uur is ontvangen een bericht van “The Commission for the Detainees”, waarin geen namen van natuurlijke personen zijn genoemd, en waarin, kort gezegd, aanhouding van het pleidooi wordt gevraagd “… so that Attorney Zara can have access to his clients …”. Desgevraagd hebben het Land en mr. Duijneveld zich wederom verzet tegen aanhouding en heeft het lid van het Hof het aanhoudingsverzoek afgewezen omdat niet is gebleken van klemmende redenen, mede gelet op het feit dat mr. Zara het Hof per faxbericht van 14 maart 2011 nog producties voor de pleidooizitting heeft doen toekomen. Het lid van het Hof heeft de pleitzitting vervolgens geschorst in afwachting van de komst van een afvaardiging van gedetineerden. Aan die afvaardiging, bestaande uit vier personen van de groep die mr. Zara als gemachtigden hebben (hierna de groep Zara) en een persoon van de groep die mr. Duijneveld als gemachtigde hebben (hierna de groep Duijneveld), heeft het lid van het Hof de hiervoor weergegeven gang van zaken meegedeeld. De afgevaardigden van de groep Zara hebben vervolgens luidruchtig en ongevraagd hun misgenoegen over de beslissing tot weigering om het pleidooi aan te houden geuit. Het lid van het Hof heeft de aanwezigen daarop gewaarschuwd dat bij verdere verstoringen van de zittingsorde, maatregelen zullen worden genomen. Tijdens die mondelinge waarschuwing van het lid van het Hof heeft de groep Zara de zittingszaal verlaten, gevolgd door mr. Zara.

Het Land en de groep Duijneveld hebben vervolgens gepleit overeenkomstig de inhoud van de overgelegde pleitnota’s, waarbij het Land om een hoofdelijke proceskostenveroordeling heeft verzocht. Na re- en dupliek is vonnis gevraagd, heeft het lid van het Hof beslist dat ten opzichte van alle geïntimeerden vonnis zal worden gewezen en is de uitspraak daarvan bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Het Land is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het bestreden vonnis, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Kort gezegd staat in dit kort geding centraal de vraag of de omstandigheden in het KIA zodanig slecht zijn dat de maatregelen zoals gevorderd in het inleidend verzoekschrift moeten worden toegewezen. Nu geen incidenteel appel is ingesteld strekt het hoger beroep zich enkel uit over de door het GEA toegewezen maatregelen. Het GEA heeft het Land bevolen om te bewerkstelligen dat de cellen waarin geïntimeerden zijn gehuisvest vanaf uiterlijk 1 april 2011 vrij van regenwater worden gehouden zonder dat de ventilatie wordt beknot. Verder heeft het GEA het Land verboden om geïntimeerden één maand na de dag van de uitspraak nog langer met meer dan twee personen in een cel van 3 x 3 m2 te huisvesten.

4.2 Het Hof acht termen aanwezig om als eerste te beoordelen grief 5, waarin het Land grieft tegen het oordeel van het GEA dat art. 43 Sv niet in de weg staat aan een inhoudelijke behandeling van de vordering in het kader van een civielrechtelijk kort geding.

De grief faalt omdat het GEA op goede gronden zoals vermeld in overweging 4.3 van het bestreden vonnis, die het Hof als hier herhaald en ingelast beschouwd en die het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel is gekomen dat het gevorderde voor zover in dit appel nog aan de orde, niet onder het bereik van art. 43 Sv valt.

4.3.1 Het GEA heeft onder 2.1 van het bestreden vonnis als vaststaand aangenomen dat er regenwater op de in hun cellen verblijvende gedetineerden valt en dat het op de vloer vallend regenwater de cellen van de gedetineerden inloopt. Het Land heeft niet tegen deze vaststelling gegriefd zodat het Hof, dat hier ambtshalve geen bezwaar tegen heeft, daarvan uitgaat. Zie wat dit betreft ook de brief van de Commissie van toezicht voor het gevangeniswezen aan de Minister van Justitie en Onderwijs van 20 december 2010 en de opmerking op pag. 4 van de pleitnota in hoger beroep van het Land inhoudende dat regenwater van de gang naar de cellen liep.

4.3.2 Uit onder meer de pagina’s 4 e.v van de door het Land in hoger beroep overgelegde pleitnota blijkt dat het Land erkent dat de cellen waarin de gedetineerden worden opgesloten, droog dienen te zijn. Het Land is echter, zo begrijpt het Hof, van mening dat het in deze geen verwijt kan worden gemaakt wegens de extreme weersomstandigheden eind 2010 van begin 2011.

Het Hof stelt voorop dat op het Land een zorgplicht rust voor door het Land opgesloten personen. Die zorgplicht brengt in elk geval met zich dat gedetineerden in droge cellen worden opgesloten. Voor zover op dit belangrijke en algemene beginsel al uitzonderingen bestaan in de vorm van bijvoorbeeld overmacht, dient er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden. Voor zover het Land al zulke bijzondere omstandigheden heeft gesteld, zijn die in dit geding onvoldoende geconcretiseerd en/of onvoldoende feitelijk komen vast te staan, zodat de stelling van het Land dat aan het Land niet kan worden verweten dat de cellen niet te allen tijde droog zijn, wordt gepasseerd.

Gelet op bovenstaande heeft het GEA de vordering inhoudende dat de cellen vrij van regenwater dienen te blijven, terecht toegewezen. Ook het Hof zal deze vordering toewijzen. Anders dan het GEA zal het Hof niet toewijzen dat hierbij de ventilatie niet wordt beknot. Gesteld noch gebleken is immers dat de huidige ventilatie zodanig van aard is dat elke vermindering daarvan tot een onrechtmatige toestand leidt.

4.3.3 Tijdens het hoger beroep heeft het Land aangevoerd dat het Land enige tijd moet worden gegund om die aanpassingen aan te brengen die de cellen watervrij maken. Waar is gesteld noch gebleken dat er eerder is geklaagd over de regeninslag in de cellen, moet het Land een redelijke termijn worden gegund om de feitelijke situatie zodanig aan te passen dat de cellen regenwatervrij blijven. Bij het bepalen van deze termijn geldt dat de regenperiode op dit moment als geëindigd mag worden beschouwd en dat het Land inmiddels al een aanvang heeft gemaakt met het treffen van maatregelen die de cellen regenwatervrij zullen maken. Het Hof acht een periode van zes maanden voldoende om een en ander te bewerkstelligen. Bij de bepaling van deze periode zijn enerzijds het grote belang van de gedetineerden op een droge cel in acht genomen, maar is anderzijds rekening gehouden met de aard en omvang van de werkzaamheden zoals door het Land gesteld. Het Hof acht op dit moment nog geen termen aanwezig om een dwangsom op te leggen.

4.3.4 De gedetineerden hebben geen feiten aangevoerd op grond waarvan kan worden afgeleid dat de herstelwerkzaamheden zodanig van aard zijn dat zij niet in het KIA kunnen blijven bij de uitvoering daarvan. Hun vordering tot het elders huisvesten van de gedetineerden tijdens de herstelwerkzaamheden zal dan ook worden afgewezen.

4.4 De gedetineerden hebben nog aangevoerd dat het regenwater in dermate grote hoeveelheden binnenvalt dat de vloer van de cellen onder water blijft staan, het zonlicht op dat water weerkaatst waardoor de gedetineerden scherp licht in hun ogen krijgen, geen goede nachtrust genieten en grieperig, gestrest en ziek worden (zie onder 3 van het dit geding inleidend verzoekschrift).

Bij de behandeling van het hoger beroep heeft het Land betwist dat het regenwater in dermate grote hoeveelheden binnenvalt dat de vloer van de cellen onder water blijft staan, het zonlicht op dat water weerkaatst waardoor de gedetineerden scherp licht in hun ogen krijgen, geen goede nachtrust genieten en grieperig, gestrest en ziek worden. Die betwisting brengt met zich dat de gedetineerden die stelling zodanig feitelijk moeten onderbouwen dat zij voorshands komt vast te staan. Een dergelijke onderbouwing is niet gegeven. De gedetineerden hebben wat dat betreft in de hele procedure niet meer gedaan dan het verkondigen van die blote stelling. Enig doktersrapport is niet overgelegd en het Hof heeft tijdens de descente wat dat betreft ook geen feitelijkheden van dien aard waargenomen. De groep Duijneveld heeft wat dit betreft nog verklaard dat het KIA al gedurende enige maanden geen arts meer heeft. Die opmerking brengt nog niet met zich dat de vereiste onderbouwing niet meer noodzakelijk zou zijn. Het Hof merkt daarbij nog op dat is gesteld noch gebleken dat de gedetineerden wat dat onderwerp betreft om een dokter hebben gevraagd én dat het Land op dit verzoek niet heeft gereageerd dan wel een noodzakelijk doktersverzoek heeft tegengehouden.

4.5.1 De vordering inhoudende dat het Land moet worden bevolen om de gedetineerden niet langer met z’n drieën in een cel van 3 meter bij 3 meter te “bewaren” is gebaseerd, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat huisvesting van drie man in één cel met zich brengt dat er te weinig bewegingsruimte is en te weinig schuilruimte tegen regen en scherp zonlicht (zie onder 3 van het dit geding inleidend verzoekschrift en onder 4 van de door de gedetineerden in eerste aanleg overgelegde pleitaantekeningen).

4.5.2 Het Land heeft wat dat betreft in grief 3 bestreden dat de cellen 3 meter bij 3 meter zijn en heeft gesteld dat de cellen 3 meter bij 4,5 meter zijn. Tijdens de descente is het Hof gebleken dat de cellen inderdaad 3 meter bij 4,5 meter zijn, waarbij de leefruimte 3 meter bij 3 meter bedraagt en het resterende deel het zogeheten “natte deel” is, bestaande uit wasruimte en toilet.

4.5.3 Als het Hof in het hierna volgende spreekt over “drie man per cel” doelt het Hof op bovenstaande situatie, dus drie man die in een cel zitten van, inclusief het “natte deel”, 3 meter bij 4,5 meter.

De stelling dat er met drie man per cel te weinig schuilruimte tegen regen en zonlicht is, is door het Land betwist en verder niet onderbouwd. Ook het Hof heeft bij de descente niet kunnen constateren dat er voor drie man in een cel niet genoeg plaats zou zijn om zich zover terug te trekken dat er geen noemenswaardig regen op hen valt, waarbij zij vervolgens zover terug in de cel verblijven dat zij niet meer aan direct zonlicht zijn blootgesteld. Voor zover de vordering dan ook op die stelling is gegrond, moet zij worden afgewezen.

4.5.4 Blijft ter beoordeling over de vraag of er bij drie man op cel sprake is van zo weinig bewegingsruimte dat die toestand als onmenselijk of vernederend in de zin van art. 3 EVRM, en daarmee als onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW moet worden geoordeeld. Bij de beoordeling van deze vraag is de inhoud van de rapporten van en/of namens het Europese Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa (hierna CPT), een belangrijk uitgangspunt. Die rapporten zijn, zoals het Land terecht heeft gesteld, geen wet, maar naam, faam en kennis van dit Comité zijn zodanig dat hun rapporten mogen worden beschouwd als deskundigenrapporten die ter harte genomen moeten worden. In dit geschil is hierbij volgens partijen van belang de voortgangsrapportage van mei 2010 (hierna voortgangsrapportage). Door alle partijen is hieruit geciteerd. Uit deze rapportage blijkt enerzijds dat het CPT benadrukt dat niet meer dan twee gedetineerden per cel mogen worden vastgehouden (zie pag. 19 voortgangsrapportage), maar anderzijds is op de volgende pagina vermeld dat te verwachten valt dat het CPT geen bezwaar zal maken tegen het verblijf van drie personen op een cel indien de cel in hoofdzaak voor avond- en nachtverblijf wordt gebruikt. Uit vorenstaande blijkt dat de rapportage ruimte laat voor nuanceringen en in dat opzicht niet zonder meer in zekere concrete normen kan worden vertaald.

Naast de voornoemde rapportage is bij de beoordeling van de onderhavige problematiek tevens van belang de jurisprudentie van het EHRM waaronder de uitspraak van 14 september 2010, Florea tegen Roemenië, no. 37186/03, voor zover daarin in overweging 51 het volgende is overwogen:

“…. , la Cour relève que lorsqu'elle a été confrontée à des cas de surpopulation flagrante, elle a jugé que cet élément, à lui seul, pouvait suffire pour conclure à la violation de l'article 3 de la Convention. En règle générale, étaient concernés les cas de figure où l'espace personnel accordé à un requérant était inférieur à 3 m² (Kantyrev c. Russie, no 37213/02, §§ 50-51, 21 juin 2007, Andreï Frolov c. Russie, no 205/02, §§ 47-49, 29 mars 2007, Kadikis c. Lettonie, no 62393/00, § 55, 4 mai 2006, et Melnik c. Ukraine, no 72286/01, § 102, 28 mars 2006). En revanche, lorsque le manque de l'espace n'était pas aussi flagrant, la Cour a pris en considération d'autres aspects des conditions matérielles de détention pour apprécier la conformité d'une situation donnée à l'article 3 de la Convention. Il s'agissait en particulier de facteurs tels que la possibilité pour un requérant de bénéficier d'un accès aux toilettes dans des conditions respectueuses de son intimité, la ventilation, l'accès à la lumière naturelle, l'état des appareils de chauffage ainsi que la conformité avec les normes d'hygiène….”

Aan de hand van die overweging komt het Hof tot de conclusie dat er strijd is met art. 3 van het EVRM indien een gedetineerde minder ruimte heeft dan 3m2, naar het Hof begrijpt inclusief ruimte voor het “natte deel” (zie ook EHRM 24 juli 2010, Valasinas tegen Litouwen, no. 44558/98 in bijvoorbeeld overweging 107). In het KIA hebben de gedetineerden per persoon de beschikking over 3m2, en daarnaast is er nog het “natte deel” van in totaal 3,5 m2, zodat, gelet op de hiervoor geciteerde uitspraak van het Europese Hof, de detentie-omstandigheden niet enkel op grond van het aantal vierkante meters per persoon kunnen worden gekwalificeerd als in strijd met art. 3 EVRM.

Vermelding dient nog wel het volgende, waarbij in beginsel heeft te gelden dat indien een gedetineerde minder dan 3m2 tot zijn beschikking heeft, er sprake is van schending van art. 3 EVRM. Indien er meer ruimte is dan 3m2 per persoon, kunnen andere omstandigheden nog met zich brengen dat er sprake is van overtreding van art. 3 EVRM. Dat geldt indien de gedetineerde bijvoorbeeld niet in voldoende afzondering naar het toilet kan, als er onvoldoende ventilatie is, als er onvoldoende natuurlijk licht is en/of indien de temperatuurregulering te wensen overlaat. In dit kort geding is over geen van deze omstandigheden door de gedetineerden geklaagd, zodat het Hof het ervoor houdt dat zich geen omstandigheden voordoen die alsnog maken dat het verblijf onrechtmatig is. Bij een en ander laat het Hof ook meewegen dat er inmiddels wel een dagprogramma voor de gedetineerden is waardoor zij, aldus nr.5 van de pleitaantekeningen in hoger beroep van de groep Duijneveld, tussen de vier en zes uur per dag niet in de cel verblijven.

4.6 Bovenstaande betekent dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Gelet op het feit dat partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het Hof de proceskosten in eerste aanleg en in dit hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 2 februari 2011 en doet opnieuw recht als volgt;

beveelt het Land om binnen zes (6) maanden nadat dit vonnis aan het Land is betekend, er voor gezorgd te hebben dat geen regenwater de cellen binnenwaait/stroomt of hoe dan ook binnen komt;

compenseert de gerezen proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, J. de Boer en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.