Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ4544

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
AR 1945/06 – H. 309/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Het beroep van geïntimeerde op verjaring is gegrond. De rechtsvordering tot schadevergoeding is door art. 32 Faillissementsverordening gestuit, de nieuwe verjaringstermijn is derhalve afgelopen op 22 februari 2005. Hof bevestigt vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ZAAKNR.: AR 1945/06 – H. 309/09

UITSPRAAK: 15 maart 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

vonnis in de zaak van:

NIZAAM INVESTMENT N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. E.H.J. Martis,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

gemachtigde: mr. C.F.K.J. Lejuez.

Partijen worden hierna weer aangeduid als Nizaam en [geïntimeerde].

Nader verloop van de procedure

1.1. Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 21 september 2010.

1.2. Op 16 november 2010 heeft Nizaam een akte ter uitlating tevens houdende akte ter vermeerdering van eis, met producties, genomen. Hierin is een wijziging van eis opgenomen (onder punt 5). Nizaam vordert thans tot Afl. 215.870,=.

1.3. [geïntimeerde] heeft gelijktijdig een akte, met producties, genomen.

1.4. Op 18 januari 2011 heeft [geïntimeerde] een contra-akte genomen en Nizaam een akte ter uitlating producties, met producties.

1.5. Op 15 februari 2011 heeft [geïntimeerde] een akte uitlating producties genomen.

1.6. Partijen hebben wederom vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1. Het hoger beroep van Nizaam is ongegrond. [geïntimeerde] heeft met vrucht op verjaring beroep gedaan. De gebeurtenis waarop Nizaam haar schadevergoedingsvordering baseert heeft plaats gevonden in 1997. Veronderstellenderwijs aangenomen dat [geïntimeerde] aansprakelijk was, was Nizaam op 3 november 1998 bekend met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon (inleidend verzoekschrift, onder 5). Haar rechtsvordering tot vergoeding van schade zou daardoor op 3 november 2003 verjaren (artikel 3:310 lid 1 BWA; de uitzondering van artikel 8 Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW doet zich hier niet voor). [geïntimeerde] is echter in of omstreeks 1999 failliet verklaard en Nizaam heeft haar vordering ter verificatie ingediend bij brief van 22 februari 2000.

2.2. Artikel 32 Faillissementsverordening bepaalt dat indiening van een vordering ter verificatie stuiting van de verjaring ten gevolge heeft. Irrelevant is of [geïntimeerde] van de indiening op de hoogte is gesteld.

2.3. Op 22 februari 2000 is derhalve een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen, met dien verstande dat deze niet kon aflopen gedurende het faillissement (vgl. HR 23 oktober 1953, NJ 1954, 2) (ingevolge het hier niet toepasselijke nieuwe artikel 32 Faillissementsverordening [AB 2009, 22] loopt een verjaringstermijn die zou aflopen gedurende het faillissement nog door gedurende zes maanden na het faillissement). Het faillissement is echter geëindigd bij vonnis van het GEA van 5 oktober 2000, EJ 61/00 (productie 8 bij akte [geïntimeerde] van 16 november 2010).

2.4. De nieuwe verjaringstermijn is derhalve in beginsel afgelopen op 22 februari 2005. Niet is gebleken dat voordien de verjaring is gestuit.

2.5. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Nizaam was voldoende zeker van haar zaak om een vordering ter verificatie in te dienen. Dat bij [geïntimeerde] onduidelijkheid zou hebben bestaan omtrent de vermeende schuld van Nizaam aan Ardu is irrelevant.

2.6. Bij het voorgaande komt dat Nizaam niet voldaan heeft aan haar stelplicht wat betreft het ontbreken van een schuld van Nizaam in 1997 aan de geëxecuteerde (Ardu). Zowel de ontwerp-jaarstukken van Ardu over 1995 als de ontwerp-jaarstukken van Nizaam over 1995 maken melding van een grote schuld van Nizaam aan Ardu. Dat deze schuld van Nizaam aan Ardu in de ontwerp-jaarstukken van Nizaam (en die van Watapana) over 2006 en 2007 is ‘omgezet’ in een schuld van Nizaam aan Watapana is onverklaard gebleven. Dat er in 1997 in het geheel geen schuld (meer) bestond, terwijl wel bouw- en beheerswerkzaamheden ten behoeve van Nizaam hebben plaatsgehad, is onvoldoende gesubstantieerd.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Nizaam draagt de kosten van het hoger beroep.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt Nizaam in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 9.300,= aan gemachtigdensalaris en Afl. 201,= aan verschotten.

Aldus gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Hof, en ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011 in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.