Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ4459

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
HAR 037/11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Betreft appel tegen bevel gevangenhouding. Het bezwaar van de raadsheer is dat de politie volstrekt onbevoegd zou zijn wegens een omissie in de wetgeving na 10-10-10. Hij beroept zich op de onrechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte. Het Hof oordeelt dat een dergelijk beroep aan de orde kan worden gesteld bij het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris in het kader van zijn voorgeleiding. Tegen het oordeel dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig is staat geen hogere voorziening open. Het beroep wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2011

Datum beschikking: 7 april 2011

Nummer: HAR 037/11

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

gegeven in het hoger beroep zijdens de verdachte, ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, van 29 maart 2011, in de zaak van:

[verdachte],

geboren op [datum] 1963 in Curaçao,

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

1. Het onderzoek van de zaak

1.1. Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van de behandeling van het beroep in raadkamer op 5 april 2011 in Curaçao. Verschenen zijn de (fgd) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, de verdachte en zijn raadsman, mr. E.F. Sulvaran.

1.2. Het Hof heeft kennis genomen van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de procureur-generaal naar voren hebben gebracht.

2. De feiten

2.1. Op 29 maart 2011 heeft de rechter-commissaris verlenging van de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor een termijn van 30 dagen.

2.2. De verdachte is bij beroepschrift, op 30 maart 2011 ter griffie ingekomen, van die beslissing in hoger beroep gekomen.

3. De beoordeling

3.1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de verdachte daarin kan worden ontvangen.

3.2. De verdachte is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechter-commissaris omdat hij zich daarmee niet kan verenigen. De raadsman heeft namens de verdachte gesteld dat de aanhouding en detentie van de verdachte onrechtmatig is.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot het verrichten van dergelijke opsporingshandelingen uitsluitend verleent aan politieambtenaren als bedoeld in artikel 4 van de Landsverordening Politieregeling 1999 (hierna te noemen: Politieregeling 1999). Bij de Algemene Overgangsregeling Wetgeving en Bestuur, die met het oog op de totstandkoming van het Land Curaçao per 10 oktober 2010 is opgesteld, is de Politieregeling 1999 niet overgenomen. Tot op heden is geen vervangende wetgeving tot stand gekomen. Nu een formeel wettelijke basis voor de taken en bevoegdheden van de politie ontbreekt, dient ieder handelen van de politie vanaf genoemde datum onrechtmatig te worden geacht.

3.3. De raadsman verlangt beantwoording van de principiële vraag naar de rechtmatigheid van het politieoptreden na het vervallen van de Politieregeling 1999. Bij de beoordeling van het hoger beroep van de verdachte is het Hof echter gebonden aan de grenzen die het Wetboek van Strafvordering stelt. De raadsman beroept zich op de onrechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte. Een dergelijk beroep kan aan de orde worden gesteld bij het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris in het kader van zijn voorgeleiding als bedoeld in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig is, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling in raadkamer opnieuw of alsnog beroep zou kunnen worden gedaan op de onrechtmatigheid van de aanhouding of de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris is of had kunnen worden voorgelegd (zie o.a. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 561, LJN AO8320, HR 8 mei 2001, NJ 2001, 581, LJN AB 1566 en GHvJNA+A, 9 november 2007, HAR 293/2007).

3.4. Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen de verlenging van de voorlopige hechtenis beoordeeld te worden op grond van de in de artikelen 100 en 101 van het Wetboek van Strafvordering gegeven criteria. Uit de stukken en op grond van de in raadkamer verkregen inlichtingen is het Hof van oordeel dat de bezwaren en gronden die tot het bevel tot (verlenging van de) voorlopige hechtenis hebben geleid nog altijd bestaan.

3.5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

Het Hof:

wijst af het beroep.

Deze beschikking is gegeven op 7 april 2011 in Curaçao door mrs. F.J.P. Lock, P.E. de Kort en H.J. van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier.