Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0655

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
AR 634/09-H-187/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft de vergoeding voor gebruik van praktijkruimte en overige faciliteiten. Grieven van appellant falen en het Hof bevestigt het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 634/09-H-187/10

Uitspraak: 8 maart 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

GYNAECOLOGENPRAKTIJK [appellant sub 1] ,

gevestigd te Curaçao,

2. [appellant sub 2],

wonend te Curaçao,

oorspronkelijk gedaagden, thans appellanten,

gemachtigde: mr. N.G. Navarro.

tegen

de naamloze vennootschap

GYNAECOLOGENPRAKTIJK [geïntimeerde],

gevestigd te Curaçao,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. Th. Aardenburg en Q.C.O. Girigorie.

Partijen worden hierna ook [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [geïntimeerde] N.V. genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, verder: GEA, wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 11 januari 2010. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2 Appellanten zijn in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis door indiening op 12 februari 2010 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij hun op 25 maart 2010 ingediende als zodanig aangeduide memorie van grieven hebben appellanten geconcludeerd dat [geïntimeerde] N.V. niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen, althans dat deze haar worden ontzegd, met haar veroordeling in de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep.

1.3 Geïntimeerde heeft op 24 mei 2010 een memorie van antwoord ingediend. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure.

1.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Ter rolle van 23 november 2010 heeft geïntimeerde nog een akte uitlating producties genomen. Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid op die zitting eveneens een akte uitlating producties te nemen, waarna terzake akte niet-dienen is gevraagd en verleend.

1.5 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 In eerste aanleg is door appellanten geen verweer gevoerd. In hoger beroep hebben zij dat alsnog gedaan. Hun hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van het GEA, waarbij het gevorderde goeddeels is toegewezen, zal worden vernietigd en het gevorderde zal worden afgewezen.

2.2 Het Hof zal uit het oogpunt van een goede procesorde geen acht slaan op hetgeen door geïntimeerde in haar laatste akte onder 3 tot en met 7 is aangevoerd en evenmin op de bij die akte overgelegde stukken. De betreffende akte diende zich te beperken tot een uitlating over de bij pleidooi door appellanten overgelegde producties.

2.3 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan in dit geding het volgende als vaststaand worden aangenomen.

a) Met ingang van 1 oktober 1995 is [appellant sub 2] als zelfstandig gynaecoloog gebruik gaan maken van praktijkruimte van [geïntimeerde] N.V. aan de [adres]. Aldaar hielden ook praktijk de gynaecologen [xxx] en [geïntimeerde]. Behalve van praktijkruimte maakte [appellant sub 2] gebruik van apparatuur, materialen en ondersteunend personeel van [geïntimeerde] N.V.

b) Tussen [appellant sub 2] en [geïntimeerde] N.V. is afgesproken dat [appellant sub 2] voor het gebruik van praktijkruimte en de overige faciliteiten een vergoeding aan [geïntimeerde] N.V. zou betalen. Na haar oprichting in 1997 is deze afspraak ook gaan gelden voor [appellant sub 1]

c) [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben door de jaren heen in het kader van de overeengekomen vergoeding steeds 10% van het praktijkinkomen van [appellant sub 2] c.q. [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] N.V. afgedragen.

d) De samenwerking tussen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] enerzijds en [geïntimeerde] N.V. anderzijds is per 31 mei 2003 geëindigd.

2.4 [geïntimeerde] N.V. stelt zich op het standpunt dat tussen partijen nog moet worden afgerekend en dat zij terzake nog een bedrag van NAF. 75.229,13 van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] te vorderen heeft. Het betreft:

i) NAF. 3.015,71 terzake door cliënten betaalde facturen tot en met 31 mei 2003;

ii) NAF. 58.631,62, zijnde 10% van de per 31 mei 2003 nog openstaande nota’s;

iii) NAF. 10.000,-, zijnde 10% van de geschatte cash-betalingen zonder facturen; en

iv) NAF. 3.582,34 aan omzetbelasting.

[geïntimeerde] N.V. vorderde voor het GEA hoofdelijke veroordeling van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de opeisbaarheid en vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten, alsmede hun hoofdelijke veroordeling in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

2.5 Het GEA heeft de vorderingen van [geïntimeerde] N.V. toegewezen, behoudens de vordering terzake de buitengerechtelijke incassokosten voor zover het bedrag van NAF. 5.000,- te boven gaand en behoudens de beslagkosten. [geïntimeerde] N.V. heeft niet incidenteel geappelleerd tegen die afwijzing, zodat de afgewezen gedeelten van de vorderingen niet langer onderwerp vormen van debat.

2.6 [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben zich tegen de vordering verweerd met de stelling dat onjuist is, zoals [geïntimeerde] N.V. stelt, dat afgesproken is dat zij zonder meer 10% van hun praktijkinkomen aan [geïntimeerde] N.V. dienden te betalen. Zij stellen dat de bedoeling van de afgesproken vergoeding was dat zij 1/3 deel van de praktijkkosten voor hun rekening zouden nemen. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben zij met de door hen over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 2003 verrichte betalingen hun deel van die kosten, welk deel zij schatten op NAF. 5.500,- a 6.000,- per maand, meer dan voldaan. Daarnaast stellen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] dat zij niet gehouden kunnen worden tot afdracht van 10% van de facturen die na 31 mei 2003 betaald zijn, nu per die datum de kostenverdelingsovereenkomst is beëindigd.

2.7 Onbestreden is dat partijen door de jaren heen steeds hebben gehandeld in overeenstemming met de afspraak zoals deze door [geïntimeerde] N.V. aan haar vordering ten grondslag is gelegd, te weten dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] aan [geïntimeerde] N.V. als vergoeding voor het gebruik van de praktijk en faciliteiten 10% van hun geïncasseerde praktijkinkomen dienen af te dragen. Niets wijst er op dat partijen daarbij als plafond 1/3 deel van de werkelijke praktijkkosten hebben besproken, nog daargelaten de vraag hoe deze kosten zouden moeten worden vastgesteld. Tegenover de betwisting door [geïntimeerde] N.V. van een afspraak met betrekking tot een dergelijk plafond, zijn door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] geen feiten en omstandigheden gesteld of te bewijzen aangeboden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat een dergelijk plafond niettemin deel uitmaakt van de afspraak tussen partijen. Het verweer van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] kan dan ook niet slagen.

2.8 Evenmin kan slagen het verweer dat na het uiteengaan van partijen per 31 mei 2003 niets meer verschuldigd kan zijn. Niet betwist is de stelling van [geïntimeerde] N.V. dat op 31 mei 2003 nog een (niet als oninbaar af te schrijven) bedrag van NAF. 586.315,88 aan in 2003 verzonden facturen van [appellant sub 2] en/of [appellant sub 1] openstond en dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] dit bedrag ook daadwerkelijk hebben geïncasseerd. Dit betreft derhalve praktijkinkomen dat betrekking heeft op de periode waarin [appellant sub 2] en [appellant sub 1] gebruik hebben gemaakt van de faciliteiten van [geïntimeerde] N.V. Over dat inkomen zijn [appellant sub 2] en [appellant sub 1], gelet op de aannemelijk geworden inhoud van de tussen hen gemaakte afspraak en de feitelijke uitvoering daarvan, 10% verschuldigd, zijnde het hiervoor onder 2.4 sub ii) bedoelde deel van de vordering.

2.9 De stellingen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] dat de aanspraak van [geïntimeerde] N.V. op betaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat sprake is van rechtsverwerking zal het Hof passeren. Hetgeen zij ter onderbouwing daarvan hebben aangevoerd is daartoe onvoldoende.

2.10 De hiervoor onder 2.4 i), iii) en iv) opgenomen onderdelen van de vordering hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat deze eveneens toewijsbaar zijn. Dat geldt ook voor de door [geïntimeerde] N.V. gevorderde en door het GEA toegewezen hoofdelijkheid van de veroordeling.

2.11 In hoger beroep hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op de overgelegde door en namens [geïntimeerde] N.V. verstuurde incassobrieven, acht het Hof een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten als door het GEA toegewezen redelijk en gepast.

2.12 Gelet op het voorgaande is het hoger beroep tevergeefs ingesteld en zal het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met veroordeling van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] als de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van het hoger beroep.

2.13 Teneinde een mogelijk executiegeschil terzake de door het GEA toegewezen wettelijke rente te voorkomen, zal het Hof de uitspraak op dat punt aanvullen met vermelding van de ingangsdatum van de wettelijke rente. Die zal, gelet op de in de brief van het incassobureau van 28 mei 2007 opgenomen termijn, gesteld worden op 4 juni 2007. Dat verzuim eerder is ingetreden is niet aannemelijk geworden.

Beslissing:

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder de aanvulling dat de wettelijke rente over het bedrag van NAF. 75.229,13 wordt berekend met ingang van 4 juni 2007;

veroordeelt [appellant sub 2] en [appellant sub 1] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] N.V. gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAF. 351,03 aan betekeningskosten en NAF. 12.400,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Hof en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 8 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.