Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0653

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
EJ-528/09-H-120/10
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man verzoek om het te betalen alimentatiebedrag te verminderen. Hij stelt dat zijn twee andere kinderen die bij hem wonen minder kosten. Hij doet tevergeefs een beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad waaruit zou blijken dat alle kinderen recht hebben op evenveel alimentatie. Hof oordeelt dat een bijdrage van NAF. 600,- in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 1 maart 2011

ZAAKNR. EJ-528/09-H-120/10

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

[man] (de man),

wonend in Curaçao,

voorheen verweerder, thans appellant,

gemachtigde: mr. C.L. Taylor,

- tegen -

[vrouw] (de vrouw),

wonend in Curaçao,

voorheen verzoekster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. G.A. Mercalina.

1. Verloop van de procedure

1.1 Verwezen wordt naar de tussen partijen uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna: GEA) van 11 maart 2010 (EJ 528/2009). Bij die beschikking is bepaald dat de man met NAF. 750,- per maand moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen (hierna ook: kinderalimentatie), bij vooruitbetaling te voldoen aan de Voogdijraad met ingang van 1 december 2009.

1.2 De man is tijdig in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking door indiening op 22 april 2010 van een beroepschrift. Hij heeft daarbij de beschikking bestreden en verzocht het te betalen bedrag te verminderen tot NAF. 250,-, althans tot een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

1.3 Op de voor behandeling bepaalde dag zijn partijen verschenen, vergezeld van hun respectieve gemachtigden. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en zijn vragen van het Hof beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1 Ouders zijn verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Conform de opgave van de vrouw, die op zichzelf door de man niet is betwist, gaat het Hof ervan uit dat de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], geboren [datum] 1995, redelijkerwijs ongeveer NAF. 750,- per maand bedragen.

2.2 Uit de overgelegde salarisslips van de man blijkt dat hij (afgerond) netto NAF. 5.050,- per maand verdient. De stelling dat de man meer zou verdienen, is door de vrouw niet voldoende onderbouwd, mede nu uit de gestelde verdiensten van vennootschappen van de man niet is gebleken hoeveel hij daaraan privé verdient.

2.3 Blijkens de overgelegde salarisslips van de vrouw is haar inkomen NAF. 1.400,- bruto per maand. Daar gaat in ieder geval NAF. 56,- aan ziektekostenpremie (SVB) vanaf waardoor zij (afgerond) NAF. 1.350,- netto per maand verdient.

2.4 Gelet op de verhouding tussen de inkomens van beide ouders, acht het Hof het in overeenstemming met de wettelijke maatstaven dat de man met NAF. 600,- per maand bijdraagt aan kinderalimentatie. De man heeft daarvoor, gezien zijn netto maandinkomen en de door hem opgevoerde relevante financiële verplichtingen, voldoende draagkracht.

2.5 De man heeft aangevoerd dat hij nog twee andere kinderen heeft uit zijn huidige relatie die bij hem wonen in een gemeenschappelijke huishouding die hij voert met zijn huidige partner, en dat hij bijdraagt in de kosten van opvoeding en verzorging van die kinderen voor een lager bedrag dan NAF. 750,- per kind per maand. Hij heeft in dat verband een beroep gedaan op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit zou blijken dat alle kinderen recht hebben op evenveel alimentatie.

2.6 Het door de man bedoelde zogenaamde anti-discriminatiebeginsel houdt in dat indien een ouder ook onderhoudsplichtig is jegens kinderen uit een andere relatie, en zijn draagkracht onvoldoende is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk, tenzij bijzondere omstandigheden, zoals een duidelijk verschil in behoefte, tot een andere verdeling aanleiding geven. In het onderhavige geval brengt dat mee dat het Hof de bijdrage van de man vaststelt op het bedrag waarop hij dat zou hebben bepaald, indien hij mede te oordelen zou hebben gehad over de ten behoeve van die andere kinderen te betalen bijdrage en met inachtneming van het bedrag waarmee de moeder van die andere kinderen, gelet op die verschuldigde bijdrage, zelf behoort bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de andere twee kinderen. Ook rekening houdend met dit criterium acht het Hof een bijdrage van NAF. 600,- in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, nu in deze zaak aan de zijde van de man niet van ontoereikende draagkracht is gebleken om aan de verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen. Het gedane beroep op het anti-discriminatiebeginsel leidt dus niet tot een ander oordeel.

2.7 Uit het bovenstaande volgt dat het Hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en de verplichting tot kinderalimentatie met ingang van 1 december 2009 zal bepalen op NAF. 600,- per maand.

2.8 Gelet op de aard van het geschil en de hoedanigheid van partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt de bestreden beschikking en doet opnieuw recht als volgt;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind] op NAF. 600,- per maand, ingaande 1 december 2009;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in eerste aanleg en hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mrs. J.P. de Haan, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 1 maart 2011 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.