Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0650

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
AR 25/09-H-159/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het tussen partijen gewezen eindvonnis is van 4 januari 2010. Het Hof kan niet opmaken of appellante op die dag in kennis is gesteld van het vonnis. Hof kan derhalve niet oordelen of het hoger beroep tijdig is ingesteld. Appellante dient nadere informatie te verstrekken over de datum dat zij op de hoogte is geraakt van het vonnis. Hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 25/09-H-159/10

Uitspraak: 22 februari 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO,

ST. MAARTEN EN VAN BONAIRE, ST. EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in de zaak van:

[appellante],

wonende in Tilburg, Nederland,

oorspronkelijk eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie

thans appellante,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

- tegen -

[geïntimeerde],

wonende op Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. C.L. Taylor.

Partijen worden hierna "[appellante]" en "[geïntimeerde]" genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 4 januari 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (verder: GEA) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2. [appellante] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 januari 2010 door op 16 februari 2010 een akte van hoger beroep in te dienen. Bij op 30 maart 2010 ingekomen memorie van grieven heeft zij vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.

1.4. Op de voor pleidooi nader bepaalde dag heeft alleen de gemachtigde van [appellante] een pleitnotitie overgelegd. Aan [geïntimeerde] is akte niet dienen verleend.

2. De beoordeling

2.1. Het tussen partijen gewezen eindvonnis is van 4 januari 2010. Op de rolaantekeningen van 4 januari 2010 staat niet aangetekend of [appellante] al dan niet middels haar gemachtigde aanwezig was bij het uitspreken van het vonnis. Er zijn verder geen stukken in het dossier waaruit blijkt wanneer [appellante] ex artikel 264 Rv in kennis is gesteld van het vonnis. Al met al kan het Hof niet tot het oordeel komen of het op 16 februari 2010 door [appellante] ingestelde hoger beroep tijdig is, zodat [appellante] daarover nadere informatie dient te verstrekken. Indien zal blijken dat [appellante] op 4 januari 2010 op de hoogte is geraakt van het vonnis, geldt dat het beroepschrift een dag te laat is ingediend en zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in het hoger beroep.

2.2. Het Hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

BESLISSING:

Het Hof,

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van 8 maart 2011 alwaar [appellante] zich bij akte, voor zover mogelijk onder het overleggen van verificatoire bescheiden, gemotiveerd dient uit te laten over de vraag wanneer zij conform artikel 264 Rv. op de hoogte is geraakt van het tussen partijen op 4 januari 2010 gewezen vonnis;

bepaalt dat [geïntimeerde] zich twee weken nadat [appellante] de hiervoor bedoelde akte heeft genomen, een antwoordakte mag nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.E. de Boer, J.J. Verhoeven en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, St. Maarten en van Bonaire, St. Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 22 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.