Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0628

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
HLAR 038/10
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil betreft een verzoek van appellante aan de minister van Justitie om haar vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen. Vreemdeling is de Nederlandse Antillen op 21 september 2005 binnengekomen op een visum en bevond zich jarenlang op Curaçao zonder geldige verblijfstitel. Uit de ministeriële beschikking van 15 maart 2001 blijkt dat buitenlandse echtgenoten van Antilliaanse Nederlanders na het indienen van een dergelijk verzoek de uitslag niet te lande mogen blijven afwachten. Een beroep om op haar gezinssituatie faalt, ze wist op het moment dat ze trouwde al dat het gezinsleven mogelijk niet in Curaçao zou kunnen plaatsvinden. Het Hof bevestigt het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 038/10

Datum uitspraak: 25 januari 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 26 juli 2010 in zaak nr. 2009/198 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 13 augustus 2009 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van appellante (hierna: de vreemdeling) om haar een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 26 juli 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna: het Gerecht) het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij het Hof ingekomen op 6 september 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. X.C.G. Bakhuis, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.E.A. Doorstam, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling betoogt dat het Gerecht, door haar niet te volgen in het betoog dat de in beroep bestreden beschikking onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, heeft miskend dat zij die beschikking op grond van de ministeriële beschikking van 15 maart 2001 (PB 2001, no. 28) op Curaçao mocht afwachten, zodat ten onrechte het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting aan die beschikking ten grondslag is gelegd.

2.1.1. Ingevolge die bepaling, voor zover thans van belang, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

2.1.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling, die de Nederlandse Antillen op 21 september 2005 is binnengekomen, het land na afloop van de geldigheidsduur van het aan haar verleende visum niet heeft verlaten en zich ten tijde van het verzoek op 6 april 2009 op Curaçao bevond, zonder dat zij over een geldige verblijfstitel beschikte. Onder deze omstandigheden heeft de minister het verzoek terecht als een verzoek om eerste toelating aangemerkt.

Volgens hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.1, van de door de minister van Justitie aan de gezaghebbers gegeven Herziene instructie inzake de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van juni 2006 (hierna: de instructie), voor zover thans van belang, wordt een verzoek om eerste toelating afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling de beschikking niet in het buitenland afwacht.

2.1.3. Het Gerecht heeft overwogen dat uit de ministeriële beschikking van 15 maart 2001 niet blijkt dat buitenlandse echtgenoten van Antilliaanse Nederlanders na het indienen van een verzoek om eerste toelating op grond van die beschikking hier te lande mogen verblijven in afwachting van een beslissing daarop. Dat de minister in het verleden wellicht een ruimere uitleg aan die beschikking heeft gegeven, maakt dat volgens het Gerecht niet anders. Voorts heeft het overwogen dat uit de instructie niet blijkt dat een vreemdeling die hier te lande gehuwd is met een Nederlander, ontheven is van de uitlandigheidseis.

Het Gerecht heeft terecht door de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt geacht dat de minister, in weerwil van de instructie, in feite het beleid voert dat de uitlandigheidseis niet wordt tegengeworpen aan vreemdelingen die een verzoek om eerste toelating voor gezinsvorming of gezinshereniging bij een Antilliaanse Nederlander hebben ingediend.

Het betoog faalt.

2.2. De vreemdeling betoogt verder dat het Gerecht, door haar niet te volgen in het betoog dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden haar aanspraak op verlening van de gevraagde vergunning geeft, heeft miskend dat haar echtgenoot en dochter de Nederlandse nationaliteit hebben en niet zonder goede reden genoopt kunnen worden om te emigreren om met haar elders samen te kunnen leven.

2.2.1. Dat betoog faalt evenzeer. Omdat de in beroep bestreden beschikking er niet toe strekte de vreemdeling een verblijfstitel te ontnemen die haar tot familie- of gezinsleven met haar echtgenoot en dochter hier te lande in staat stelde, heeft het Gerecht met juistheid overwogen dat de afwijzing geen inmenging, als bedoeld in die verdragsbepaling, oplevert. Zodanig bijzondere omstandigheden, dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven een positieve verplichting voortvloeit om de vreemdeling een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, hoewel zij daarvoor volgens het gevoerde beleid niet in aanmerking komt, heeft het Gerecht terecht niet aangenomen. Door in het huwelijk te treden, terwijl zij niet was toegelaten en het gevoerde beleid niet in toelating in een geval als dit voorzag, heeft de vreemdeling aanvaard dat het familie- of gezinsleven mogelijk niet in Curaçao zou kunnen plaatsvinden. Het Gerecht heeft verder terecht door de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt geacht dat voor haar en haar echtgenoot en dochter objectieve belemmeringen voor familie- of gezinsleven in de Dominicaanse Republiek, het land van haar herkomst, bestaan.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,