Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0592

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
HLAR 019/10 en HLAR 006/10
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Hof heeft twee zaken gevoegd. Hof oordeelt dat in de eerste zaak het Gerecht terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het overschrijden van de beroepstermijn. In de tweede zaak wordt het hoger beroep gegrond verklaard, maar het Hof laat deel van rechtsgevolgen in stand. Minister dient een nieuwe beschikking te geven met betrekking op de afwijzing van verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand opgekomen in procedure tegen het uitblijven van een beschikking op het door hen gemaakte bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 019/10 en HLAR 006/10

Datum uitspraak: 25 januari 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[de vreemdeling] en [de echtgenote],

beiden wonend in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 25 november 2009 en 3 februari 2010 in de zaken nrs. 1901 van 2009 en 2018 van 2009 in gedingen tussen:

appellanten

en

de minister van Vreemdelingenzaken (thans: de minister van Integratie; hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij beschikking van 23 mei 2008 heeft de minister van Vreemdelingenzaken (hierna: de minister) een verzoek van appellanten (hierna: de vreemdeling en [de echtgenote]) om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand afgewezen.

Tegen deze beschikking hebben de vreemdeling en [de echtgenote] bij brief van 19 juni 2008 bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 15 juni 2009 heeft de minister het aldus gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak 25 november 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) het beroep van de vreemdeling en [de echtgenote] tegen het uitblijven van een beschikking op het op 19 juni 2008 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en [de echtgenote] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 21 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 3 februari 2010 heeft het Gerecht het door de vreemdeling en [de echtgenote] tegen de beschikking van 15 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en [de echtgenote] bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 4 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister is in de gelegenheid gesteld verweerschriften in te dienen.

Het Hof heeft de zaken gevoegd en ter zitting behandeld op 9 november 2010, waar de vreemdeling en [de echtgenote], beiden vertegenwoordigd door mr. V.A.V. Carlo, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.B. van Wilgen, werkzaam in dienst van het Land, zijn verschenen.

2. Overwegingen

<u>In het hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht van 25 november 2009 </u>

2.1. De vreemdeling en [de echtgenote] klagen dat het Gerecht heeft miskend dat de bezwaaradviescommissie (hierna: de commissie) de termijn, waarbinnen advies dient te worden uitgebracht, heeft verlengd en niet binnen die verlengende termijn een advies heeft uitgebracht, zodat het het door hen ingestelde beroep ten onrechte wegens het overschrijden van de beroepstermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.1. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder a, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover thans van belang, stelt het bestuursorgaan het bezwaarschrift uiterlijk binnen twee weken na ontvangst hiervan in handen van de commissie.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, brengt de commissie het bestuursorgaan advies uit binnen vier weken, nadat zij het bezwaarschrift van het bestuursorgaan heeft ontvangen.

Ingevolge het tweede lid kan de commissie, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is advies uit te brengen binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. De commissie doet van een zodanige verlenging aan de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan mededeling.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, neemt het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift binnen zes weken na de dagtekening van het advies of, indien het advies niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ontvangen, binnen zes weken na het verstrijken van de termijn.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, wordt het uitblijven van een beslissing op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn gelijkgesteld met een afwijzende beslissing.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift dat betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, acht weken en gaat deze in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig op het bezwaarschrift te beslissen.

2.1.2. De vreemdeling en [de echtgenote] hebben op 19 juni 2008 bezwaar gemaakt. De secretaris van de commissie heeft de vreemdeling en [de echtgenote] bericht dat de termijn, waarbinnen het advies dient te worden uitgebracht, wordt verlengd met vier weken. Nu de commissie ook binnen die vier weken geen advies heeft uitgebracht, diende de minister uiterlijk op 9 oktober 2008 een beschikking op het gemaakte bezwaar te geven. Daarmee is de termijn voor het instellen van beroep, gesteld bij voormeld artikel 27, tweede lid, van de Lar, aangevangen op 10 oktober 2008 en geëindigd op 4 december 2008. Het Gerecht heeft derhalve terecht, lettend op de artikelen 19, tweede lid, en 20, eerste lid, van de Lar, het beroepschrift niet tijdig ingediend geacht.

Het betoog faalt.

2.2. De vreemdeling en [de echtgenote] betogen voorts dat het Gerecht ten onrechte, zonder dat zij daarvoor toestemming hebben verleend, de behandeling van de zaak ter openbare zitting achterwege heeft gelaten.

2.2.1. Aangezien het Gerecht met juistheid heeft overwogen dat het door de vreemdeling en [de echtgenote] ingediende beroepschrift niet tijdig is ontvangen, heeft het het daarbij ingestelde beroep terecht krachtens artikel 31, aanhef en onder a, van de Lar na vereenvoudigde behandeling, dat wil zeggen zonder behandeling van de zaak ter terechtzitting, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Ook dat betoog faalt.

2.3. De vreemdeling en [de echtgenote] kunnen evenmin worden gevolgd in hun betoog dat het Gerecht de uitspraak ten onrechte niet in het openbaar heeft gedaan. Nu in de uitspraak is vermeld dat dit op 25 november 2009 is geschied en geen bewijs van het tegendeel voorhanden is, dient er van te worden uitgegaan dat dit zo is.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond.

<u>In het hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht van 3 februari 2010</u>

2.5. De vreemdeling en [de echtgenote] klagen dat het Gerecht heeft miskend dat de afwijzing van het verzoek een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar is en de minister het door hen daartegen gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, zijn rechtshandelingen naar burgerlijk recht van het begrip beschikking uitgezonderd.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belangen is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken deze in heroverweging te nemen, tenzij zij op bezwaar is gegeven.

2.5.2. Een beschikking is aldus een besluit van een bestuursorgaan dat de bevoegdheid tot het nemen van dat besluit aan het publiekrecht ontleent.

De bevoegdheid van een bestuursorgaan tot het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van schade berust, voor zover het schade betreft die, naar gesteld, veroorzaakt is door de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, op het in artikel 52, tweede lid, van de Lar tot uiting komende, algemeen geldende rechtsbeginsel dat meebrengt dat het bestuursorgaan dat in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding schade heeft veroorzaakt door aan hem toe te rekenen onrechtmatig handelen of nalaten, gehouden is die schade aan de benadeelde te vergoeden.

Het rechtsgevolg waarop een besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is gericht, is dat naar publiekrecht al dan niet een aanspraak op vergoeding daarvan wordt gevestigd. Gelet op het voorgaande, is een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade die, naar gesteld, veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een beschikking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar, ook indien dat verzoek niet op een bijzondere wettelijke grondslag is gebaseerd.

2.5.3. De bestuursrechter is echter slechts bevoegd kennis te nemen van het tegen een dergelijke beschikking ingesteld beroep, indien die rechter dat ook is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid, dit met het oog op een in de rechtspraktijk goed hanteerbare afbakening van bevoegdheden tot beoordeling van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door de algemene bestuursrechter. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen bezwaar kan worden gemaakt en als gevolg daarvan geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, staat evenmin bezwaar en beroep open tegen een beschikking op een verzoek om vergoeding van schade die, naar gesteld, daardoor is veroorzaakt.

2.5.4. Bij brief van 19 december 2006 heeft de minister het door [de echtgenote] op 17 november 2005 ingediende verzoek om te verklaren dat de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) niet op de vreemdeling van toepassing is, afgewezen.

Daartegen hebben de vreemdeling en [de echtgenote] bij brief van 24 januari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 5 september 2007 in zaak nr. 1666 van 2007 heeft het Gerecht het door de vreemdeling en [de echtgenote] tegen het uitblijven van een beschikking op het aldus gemaakte bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, de daarmee gelijk te stellen ongegrondverklaring ervan vernietigd en bepaald dat de minister alsnog op het door de vreemdeling en [de echtgenote] gemaakte bezwaar beschikt.

2.5.5. Het afgewezen verzoek strekt tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die, naar de vreemdeling en [de echtgenote] stellen, bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen het uitblijven van een beschikking op het door hen tegen de brief van 19 december 2006 gemaakte bezwaar (hierna: het uitblijven van een beschikking op bezwaar). Nu het geven van een beschikking op bezwaar ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Lar verplicht is, is de gestelde schade in zoverre veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheden. De afwijzing van 23 mei 2008 is derhalve, voor zover die op dit verzoek van de vreemdeling en [de echtgenote] ziet, een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar. Gelet hierop, en nu daarvoor anderszins geen grond bestaat, heeft de minister het door de vreemdeling en [de echtgenote] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van 23 mei 2008, voor zover die ziet op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die, naar zij stellen, bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.5.6. Het afgewezen verzoek strekt voorts tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die, naar van de vreemdeling en [de echtgenote] stellen, bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen de brief van 19 december 2006.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2006 in zaak nr. HLAR 32/05, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BG1012" target="_blank">BG1012</a>), bepaalt de Ltu, zoals die ten tijde van het verzoek van [de echtgenote] op 17 november 2005 luidde, wie tot de in artikel 1 vermelde personen behoort en derhalve op wie de Ltu, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 22 tot en met 25, niet van toepassing is. Een verklaring van de minister dienaangaande is dan ook niet op enig rechtsgevolg gericht en geen beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar, waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Dit betekent dat tegen de beschikking 23 mei 2008, voor zover het verzoek van de vreemdeling en [de echtgenote] om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, die naar zij stellen bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen de brief van 19 december 2006, daarbij is afgewezen, evenmin bezwaar kon worden gemaakt. De minister heeft het door de vreemdeling en [de echtgenote] tegen afwijzing van 23 mei 2008 gemaakte bezwaar in zoverre derhalve terecht, zij het niet op de juiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de vreemdeling en [de echtgenote] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. Die aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het door de vreemdeling en [de echtgenote] ingestelde beroep gegrond verklaren en de beschikking van 15 juni 2009 vernietigen. Het Hof ziet evenwel aanleiding om de rechtgevolgen van die beschikking, voor zover die betrekking heeft op het door de vreemdeling en [de echtgenote] tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die, naar zij stellen, bij hen zijn opgekomen in de kader van de procedure tegen de brief van 19 december 2006 gemaakte bezwaar, in stand te laten. De minister dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder a, van de Lar een nieuwe beschikking op het door de vreemdeling en [de echtgenote] tegen de beschikking van 23 mei 2008 gemaakte bezwaar te geven, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die, naar zij stellen, bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen het uitblijven van een beschikking op het door hen gemaakte bezwaar.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de uitspraak van het Gerecht van 25 november 2009 in zaak nr. 1901 van 2009;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 3 februari 2010 in zaak nr. 2018 van 2009;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak door [de vreemdeling] en [de echtgenote] tegen de beschikking van de minister van Vreemdelingenzaken van 15 juni 2009, kenmerk 1845/08, ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt die beschikking;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die beschikking in stand blijven, voor zover het door [de vreemdeling] en [de echtgenote] gemaakte bezwaar tegen de beschikking van 23 mei 2008, kenmerk Dimas/08/693, met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen de brief van 19 december 2006, daarbij niet-ontvankelijk is verklaard;

VI. draagt de minister van Integratie op om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beschikking op het tegen de beschikking van 23 mei 2008, met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die bij hen zijn opgekomen in de procedure tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar, gemaakte bezwaar te geven;

VII. veroordeelt de minister van Integratie tot vergoeding van de bij [de vreemdeling] en [de echtgenote] in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1400,00 (zegge: veertienhonderd gulden) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het land Aruba aan [de vreemdeling] en [de echtgenote] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Isenia, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Isenia

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,