Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP6509

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
EJ 419/10 – H. 224/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkneemster is na vakantie langer ongeoorloofd afwezig gebleven. Het Hof oordeelt dat er geen dringende reden voor ontslag aanwezig was en acht het ontslag kennelijk onredelijk. Het Hof stelt wegens het gedrag van de werknemer de schadevergoeding vast op een lager bedrag dan het GEA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienrs. EJ 419/10 – H. 224/10

Uitspraak: 18 januari 2011

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN

VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

de naamloze vennootschap ARUBA HANDELSMAATSCHAPPIJ N.V., h.o.d.n. Aruba Trading Company,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: ATC,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigden: mrs. E.R. Zeppenfeldt en R.A. Wix,

tegen

[werkneemster],

wonend in Aruba,

hierna te noemen: de werkneemster,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.R.C. Brown.

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 419 van 2010 gegeven en op 9 juni 2010 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. ATC is bij beroepschrift, ingekomen op 29 juni 2010, in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hierin heeft zij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de werkneemster alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de werkneemster in de kosten van beide instanties.

1.3. De werkneemster heeft in een verweerschrift het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking.

1.4. Op 14 december 2010 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Wix als gemachtigde van ATC, de gemachtigde van de werkneemster en de echtgenoot van de werkneemster. Door mr. Wix is een pleitnota overgelegd.

1.5. Partijen hebben om een beschikking gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3. Beoordeling

3.1. De werkneemster is bij brief van 28 juli 2009 ontslagen op de grond dat zij op 27 juli 2009 ongeoorloofd afwezig was op haar werk. Het GEA heeft geen dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BWA aanwezig geacht en deswege ATC schadeplichtig geacht (artikel 7A:1615r jo artikel 7A:1615o lid 3 BWA). Voorts heeft het GEA het ontslag kennelijk onredelijk geacht en deswege een schadevergoeding naar billijkheid toegekend (artikel 7A:1615s BWA). Tegen deze beslissingen richt zich het appel van ATC.

3.2. Het hoger beroep slaagt voor zover wordt aangevoerd dat het GEA ten onrechte het vakantiebeleid van ATC, inhoudende dat behoudens hardheidsgevallen maximaal twee weken aaneengesloten mag worden opgenomen, in strijd met de wet heeft geacht.

3.3. Artikel 4 van de Vakantieverordening (AB 1993 no. GT 11) luidt:

1. De vakantie wordt bij voorkeur onafgebroken verleend.

2. Indien de arbeider het verzoekt of de werkzaamheden het wenselijk maken, kan de vakantie worden gesplitst. Ten minste de helft van de vakantie wordt echter aaneensluitend verleend.

3. De beslissing omtrent het tijdstip waarop de vakantie zal ingaan, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie overigens zal worden gesplitst, berust bij de werkgever. Daarbij dient, voor zover de belangen van het bedrijf en die van het overige personeel dit toelaten, zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de wensen van de arbeider.

3.4. Ter zitting is gebleken dat de werkneemster jaarlijks 15 vakantiedagen genoot, zodat door het desbetreffende beleid van ATC artikel 4 lid 2, tweede volzin, van de Vakantieregeling niet wordt geschonden. Voorts was de werkneemster kennelijk in beginsel wel vrij het begintijdstip van haar vakantie te kiezen. Wat betreft de lengte van de vakantie gold voorts een uitzonderingsmogelijkheid in hardheidsgevallen; ter zitting in hoger beroep zijn daarvan gevallen genoemd. Naar het oordeel van het Hof is, gelet op het voorgaande, het beleid in het onderhavige geval niet strijdig met artikel 4 Vakantieverordening.

3.5. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BWA moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daartoe behoren niet alleen de aard en de ernst van hetgeen ATC als dringende reden aanmerkt, in de beschouwing te worden betrokken, maar onder meer ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werkneemster die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werkneemster, zoals diens leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar zou hebben.

3.6. Het Hof acht alles afwegend een dringende reden niet aanwezig. Weliswaar is, zoals hiervóór is overwogen, het vakantiedagenbeleid van ATC niet onwettig en moet worden aangenomen dat de werkneemster tevoren reeds het voornemen had langer dan twee weken weg te blijven, maar de overige door het GEA opgesomde omstandigheden zijn van zodanig gewicht dat een ontslag op staande voet een te strenge sanctie was. Hierbij weegt mee dat ATC deze sanctie niet tevoren heeft aangekondigd.

3.7. Het Hof acht het ontslag eveneens kennelijk onredelijk. ATC heeft de onevenredigheid tussen haar eigen belang bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de nadelige gevolgen daarvan voor de werkneemster uit het oog verloren. Ook hier heeft het Hof alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen.

3.8. Wel ziet het Hof in het gedrag van de werkneemster aanleiding de schadevergoeding naar billijkheid te stellen op een lager bedrag dan Afl. 15.000,= en wel op Afl. 10.000,= (onder aftrek van een eventueel verschuldigde cessantiauitkering).

3.9. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking kan worden bevestigd, behoudens wat betreft de hoogte van de schadevergoeding naar billijkheid. In de uitkomst van de procedure ziet het Hof aanleiding de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren.

4. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat de schadevergoeding naar billijkheid wordt bepaald op Afl. 10.000,= in plaats van Afl. 15.000,=;

- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2011 in Aruba, in aanwezigheid van de griffier.