Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP2885

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
AR 2386/10 – HAR 63/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Bank is in hoger beroep gegaan en vordert schorsing van tenuitvoerlegging vonnis, subsidiair dat door Crimson zekerheid wordt gesteld. Hof oordeelt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden door de Bank naar voren zijn gebracht en dat van een kennelijke juridische of feitelijke misslag niet is gebleken. Het gestelde restitutierisico is onvoldoende onderbouwd. Hof wijst vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 2386/10 – HAR 63/10

Uitspraak: 4 januari 2011 (bij vervroeging, op Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

vonnis in de incidenten ex art. 272 en 57 Rv in de zaak van:

de naamloze vennootschap

BANCO DI CARIBE N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. W.G.T.M. Kloes,

- tegen -

de vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden

CRIMSON DEVELOPMENT GROUP Inc.,

gevestigd te Tortola (BVI),

verweerster in het incident,

gemachtigde: mr. G.W. Rep.

Partijen worden hierna de Bank en Crimson genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 13 oktober 2010 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 De Bank is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 20 oktober 2010 een akte van hoger beroep in te dienen. Eveneens op 20 oktober 2010 heeft de Bank een incidentele vordering ingediend ertoe strekkende dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 oktober 2010 wordt geschorst, met veroordeling van Crimson in de proceskosten. Bij op 18 november 2010 ingediende memorie van grieven heeft de Bank, subsidiair (voor zover de vordering tot schorsing niet toewijsbaar is), gevorderd dat door Crimson zekerheid wordt gesteld.

1.3 Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling en Crimson is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op de incidentele vorderingen te reageren. Zij heeft ter rolle van 14 december 2010 bij memorie van antwoord in het incident ex art. 57 jo 272 Rv van die gelegenheid gebruik gemaakt en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van de Bank in de proceskosten. Eveneens ter rolle van 14 december 2010 heeft de Bank een pleitnota ingediend.

1.4 Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De beoordeling in het incident

2.1 Bij de beoordeling van de vordering moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Bovendien geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De Bank zal aan haar vorderingen dus feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die vorige beslissing wordt afgeweken (HR 30 mei 2008, NJ 2008, 311). Voor schorsing kan voorts aanleiding zijn indien sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag door het GEA.

2.2 Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is niet gebleken. Hetgeen door de Bank is aangevoerd ten aanzien van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [xxx] kan niet als een dergelijke misslag worden aangemerkt.

2.3 Door de Bank zijn voorts geen (nieuwe) feiten en omstandigheden gesteld die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen en die zouden kunnen rechtvaardigen dat thans wordt afgeweken van de beslissing van het GEA om het vonnis, zonder bevel tot zekerheidsstelling, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het gestelde restitutierisico heeft de Bank onvoldoende onderbouwd.

2.4 De incidentele vorderingen zullen daarom worden afgewezen. De Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident.

BESLISSING

Het Hof:

wijst de vordering in het incident af;

veroordeelt de Bank in de kosten van dit incident aan de zijde van Crimson gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.700,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 4 januari 2011.