Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2010:BO6825

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
EJ-74/09-H-121/10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De echtscheidingsuitspraak is nooit ingeschreven en daardoor heeft deze beschikking haar kracht verloren en zijn de uit die echtscheiding voortkomende beslissingen omtrent gezag, omgang en alimentatie eveneens krachteloos. Het Hof belast man en vrouw gezamenlijk met het gezag. Gewone verblijfplaats van de dochter zal bij de vrouw zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 5 november 2010

ZAAKNR. EJ-74/09-H-121/10

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

[man] (de man),

wonend in Sint Maarten,

voorheen verweerder in conventie en verzoeker in reconventie, thans appellant,

gemachtigde: mr. J.F. Overes,

tegen

[vrouw] (de vrouw),

wonend in Sint Maarten,

voorheen verzoekster in conventie en verweerster in reconventie, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr G. Bell.

1 Het verloop van de procedure

Verwezen wordt naar de op 18 januari 2010 en 12 april 2010 onder EJ no. 74/09 tussen partijen uitgesproken beschikkingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (hierna: het GEA). Het GEA heeft in laatstgenoemde beschikking:

- de vrouw belast met het ouderlijk gezag over [dochter], geboren op [datum] 2005 en [zoon], geboren op [datum] 2007, kinderen van partijen;

- een omgangsregeling ten gunste van de man bepaald, doch enkel voor het kind [dochter];

- de man veroordeeld om maandelijks als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van, naar het Hof begrijpt, enkel [dochter] NAF. 250,- aan de Voogdijraad te betalen.

Op 24 mei 2010 heeft de man een beroepschrift ingediend, waarbij hij de beschikking van 12 april 2010 heeft bestreden en aan de hand van vier toegelichte grieven heeft verzocht om laatstgenoemde beschikking te vernietigen onder toewijzing van zijn reconventionele vorderingen en onder afwijzing van de vorderingen van de vrouw, kosten rechtens.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij het Hof verzoekt de beschikking waarvan beroep te bevestigen.

Op de voor behandeling bepaalde dag heeft de man een niet voorgedragen pleitnota overgelegd en hebben partijen verklaard zelf te proberen om hun geschil minnelijk op te lossen en is de verdere behandeling aangehouden tot 1 oktober 2010. Op laatstgenoemde dag zijn slechts de raadslieden van partijen verschenen die hebben verklaard dat partijen hun geschil niet hebben geregeld en heeft de gemachtigde van de vrouw met goedvinden van de gemachtigde van de man een akte houdende uitlating regeling overgelegd. Nadat de man de juistheid van de inhoud daarvan heeft betwist, is partijen aangezegd dat heden beschikking zal worden gewezen.

2 De ontvankelijkheid van het appel

De man is tijdig en op de juiste wijze in appel gekomen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3 De beoordeling

3.1 Nu de man zijn bezwaren in de vorm van grieven heeft gegoten, zal het Hof de inhoud van zijn beroepschrift aan de hand van deze grieven beoordelen.

In zijn eerste grief stelt de man dat tijdens de eerste echtscheidingsprocedure die partijen hebben gevoerd en die is geëindigd bij echtscheidingsuitspraak van 17 december 2007, al onherroepelijk was beslist over het gezag, de alimentatie en de omgangsregeling, zodat het GEA hier in de procedure EJ 74/09 niet meer over had mogen beslissen.

Met deze grief miskent de man dat nu de echtscheidingsuitspraak van 17 december 2007 nooit is ingeschreven op de voet van art. 1:163 BW, deze beschikking haar kracht heeft verloren zoals is bepaald in art. 1:163 lid 3 BW. Doordat deze beschikking geen kracht meer heeft, zijn de uit die echtscheiding voortkomende beslissingen omtrent gezag, omgang en alimentatie eveneens krachteloos.

3.2.1 Het Hof laat het antwoord op de vraag of de man tegen de Voogdijraad heeft gezegd dat hij het goed vond dat de vrouw alleen het gezag kreeg, in het midden. Hij heeft namelijk voordat dit rapport uitkwam en meteen nadat dit rapport is uitgekomen (zie onder 12 van zijn pleitaantekeningen voor de zitting van 15 maart 2010) telkens zo uitdrukkelijk verklaard (mede) het gezag te willen hebben over [dochter], dat hij niet zonder meer gehouden kan worden aan hetgeen de Voogdijraad hieromtrent heeft opgeschreven.

3.2.2 Uit het Voogdijrapport en uit de proceshoudingen van partijen blijkt dat zij het met elkaar niet goed meer kunnen vinden. Als uitgangspunt dient echter te worden genomen het doorlopen van gezamenlijk gezag na echtscheiding (vergelijk Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 22 juni 2010, LJN: BN4792). In het dossier zijn onvoldoende aanwijzingen te vinden dat één van de ouders zodanig slecht zijn of haar opvoedkundige taak verricht, dat het belang van [dochter] met zich zou brengen dat het ouderlijk gezag niet gezamenlijk zou kunnen worden voortgezet en/of uitgeoefend. Het Hof zal partijen dan ook gezamenlijk belasten met het ouderlijk gezag. In zoverre slaagt grief 2. Uit het feit dat de man in zijn derde grief om een omgangsregeling verzoekt waarbij [dochter] meer tijd bij hem is dan het GEA heeft bepaald, leidt het Hof af dat de man akkoord gaat met de bepaling dat de gewone verblijfplaats van [dochter] bij de vrouw zal zijn. Dit lijkt het Hof ook het meest in het belang van [dochter] omdat zij anders gescheiden zou worden van haar (half)broer [zoon].

3.3 Het Hof acht op dit moment, gelet op de inhoud van het dossier, geen termen aanwezig om een andere omgangsregeling te bepalen dat het GEA heeft gedaan. Het is in het belang van [dochter] om allereerst enige regelmaat te leren kennen terwijl verder uit het dossier blijkt de man en de vrouw op dit moment niet al te veel contactmomenten met elkaar moeten hebben. Eén en ander laat onverlet dat de man, indien de omgangsregeling naar behoren loopt, al dan niet gesteund door de Voogdijraad, om wijziging van die omgangsregeling kan verzoeken.

De derde grief wordt dan ook verworpen.

3.4 Mede nu het Hof zal bepalen dat de gewone verblijfplaats van [dochter] bij de vrouw zal zijn, heeft de man er belang bij om op de hoogte van haar wel en wee te blijven. De vrouw zegt weliswaar dit te hebben gedaan en dit te doen, maar heeft hierbij onvoldoende concreet vermeld op welke wijze zij dat doet. Uit het dossier blijkt immers dat man en vrouw over en weer nauwelijks of niet met elkaar communiceren en de vrouw heeft niet gesteld de man via schriftelijke verslagen op de hoogte te houden. Het Hof houdt het er dan ook voor dat het verzoek van de man om periodiek informatie van de vrouw te krijgen over het wel en wee van [dochter] niet zonder grond is, zodat dit verzoek zal worden toewezen zoals hierna is bepaald.

3.5 De man heeft in zijn beroepschrift nog verzocht om alle vorderingen van de vrouw af te wijzen, doch alleen al omdat een nadere toelichting hierop ontbreekt, gaat het Hof daaraan voorbij.

3.6 Nu partijen ex-echtgenoten zijn, zal het Hof de proceskosten compenseren zoals hierna is bepaald.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt de beschikking van 12 april 2010 doch enkel in zoverre de vrouw is belast met het gezag over het kind [dochter], geboren op [datum] 2005 en voor zover de vrouw niet is veroordeeld om de man van informatie omtrent dit kind te voorzien en doet wat die twee punten betreft opnieuw recht als volgt:

belast de vrouw en de man gezamenlijk met het gezag over het kind [dochter], geboren op [datum] 2005 en bepaalt dat de gewone verblijfplaats van dit kind bij de vrouw zal zijn;

veroordeelt de vrouw om de man op elke eerste dag van de maand, aanvangend op 1 december 2010, maandelijks schriftelijk van informatie te voorzien omtrent in elk geval de schoolresultaten van [dochter] (met afschriften van door de school omtrent haar gemaakte verslagen zoals cijferlijsten, rapporten, enz),de aard van scholing (al dan niet bijscholing of remedial teaching, enz) die zij krijgt en haar gezondheidstoestand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en die van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door mrs. P.E. de Kort, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 5 november 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.