Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2010:BM8370

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
RC2/2010
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het Openbaar Ministerie wordt bevolen strafrechtelijk onderzoek voort te zetten en voor een bepaalde datum te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESLISSING OP VERZOEK EX ARTIKEL 56 LID 3 SV

Beschikking gewezen op het verzoek om een voorziening als bedoeld in artikel 56 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, ingekomen ter griffie van dit Gerecht op 22 april 2010, van:

[verzoeker]

geboren op Curaçao op [datum] 1969

wonende op Bonaire

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde raadslieden

mrs. G.H. Pieter en E.B. Wilsoe te Curaçao.

<b><u>DE PROCEDURE</u></b>

Op 22 april 2010 is het verzoek van verzoeker ter griffie ingekomen. Bij het verzoek zijn bijlagen gevoegd. Het Openbaar Ministerie heeft zijn standpunt op 24 mei 2010 schriftelijk kenbaar gemaakt. Verzoeker en zijn raadsman mr. E.B. Wilsoe zijn op

25 mei 2010 op het verzoek gehoord. De raadsman van verzoeker heeft pleitnotities overgelegd. De Officier van Justitie is bij het verhoor niet aanwezig geweest.

<b><u>HET VERZOEK</u></b>

Verzoeker verzoekt dat de rechter-commissaris bij beschikking:

<u>Primair:</u>

Het Openbaar Ministerie zal bevelen dat het tegen verzoeker op 2 september 2009 gestarte opsporingsonderzoek binnen dertig (30) dagen, althans binnen een door de Rechter-Commissaris te bepalen redelijke termijn, na de te geven beschikking wordt voorgezet danwel wordt beëindigd.

<u>Subsidiair:</u>

Het Openbaar Ministerie zal bevelen om verzoeker binnen zeven (7) dagen na de te geven beschikking, gelegenheid te gunnen om door middel van een formeel verhoor c.q. bij wege van een verhoor door middel van een proces-verbaal, te reageren op de hem verweten beschuldigingen, zoals door het Openbaar Ministerie geformuleerd in de vordering huiszoeking en binnen dertig (30) dagen na aanvang van dit verhoor of deze verhoren, hem duidelijkheid te verschaffen omtrent de al dan niet verdere strafvervolging van zijn persoon.

Verzoeker heeft het volgende -verkort weergegeven- aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

Het Openbaar Ministerie heeft verzoeker op geheel lichtvaardige gronden tot verdachte bestempeld, althans het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verzoeker in relatie tot de jegens hem gerezen verdachtmaking.

Ondanks het feit dat het Openbaar Ministerie nog geen daad heeft verricht waardoor de rechter in de zaak is betrokken, kan de datum van de huiszoeking van 8 september 2009 als aanvang van de redelijke termijn genoemd in artikel 6 lid 1 EVRM worden aangemerkt. Die huiszoeking is immers een zodanige handeling c.q. daad waaraan verzoeker in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van de in de vordering van de Officier van Justitie vermelde strafbare feiten een strafvervolging zal worden ingesteld.

Gelet op de lang verstreken periode sedert de huiszoeking mag in dit stadium van het onderzoek juist van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat het gemotiveerd weet aan te geven dat er geen sprake zou zijn van omstandigheden die een strijd met het beginsel van een voortvarende afhandeling van de strafzaak opleveren en derhalve een langer tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.

Een gerechtvaardigde afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap mocht hebben bij normhandhaving door berechting en anderzijds het persoonlijke belang dat verzoeker heeft bij verval het recht tot strafvervolging brengt met zich dat het belang van verzoeker dient te prevaleren.

Verzoeker beroept zich in dat verband op zijn persoonlijke omstandigheden zoals omschreven in de pleitnotities van zijn raadsman.

De conclusie is thans gerechtvaardigd dat circa 8 maanden nadat de huiszoeking bij verzoeker is verricht, gesproken kan worden van een nodeloze vertraging van het vermeende onderzoek jegens verzoeker. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden aan te voeren om een dergelijk lang tijdsverloop van inactiviteit te kunnen rechtvaardigen.

Verzoeker heeft een spoedeisend en geen verder uitstel duldend belang bij de verzochte voorzieningen.

<b><u>HET STANDPUNT VAN HET OPENBAAR MINISTERIE</u></b>

De Officier van Justitie heeft het volgende -verkort weergegeven- tegen het verzoek aangevoerd:

<u>Met betrekking tot het primaire verzoek:</u>

De vordering huiszoeking maakt melding van betrokkenheid bij het witwassen van gelden, drugshandel, valsheid in geschrift, oplichting en de ambtsmisdrijven bedoeld in artikel 372bis van het Wetboek van Strafrecht.

Op 21 mei 2010 is wederom door de rechter-commissaris op een aantal locaties op Bonaire en Curaçao huiszoeking verricht. Ook bij deze huiszoekingen werd verzoeker aangemerkt als verdachte van betrokkenheid bij het witwassen van gelden, valsheid in geschrift, oplichting en ambtsmisdrijven, meer in het bijzonder het ambtsmisdrijf van artikel 379 jo 49 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Een huiszoeking als de onderhavige kan bezwaarlijk als beginpunt van de redelijke termijn worden aangemerkt. Daarmee komt de grond aan het verzoek te ontvallen en dient verzoeker niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Indien de huiszoeking wel als beginpunt moet worden aangemerkt, is er geen sprake van een nodeloze vertraging, gezien het continue onderzoek en de complexheid en gevoeligheid van de materie in combinatie met de inmiddels verstreken tijd.

Verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

<u>Met betrekking tot het subsidiaire verzoek:</u>

Dit verzoek vindt geen steun in het Wetboek van Strafvordering en het recht. Het zal daarom moeten worden afgewezen.

<b><u>DE BEOORDELING VAN HET VERZOEK</u></b>

1. Op grond van het bepaalde bij artikel 56 Sv waakt de rechter-commissaris tegen nodeloze vertraging van het voorbereidend onderzoek en kan hij op verzoek van de verdachte bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd.

2. Bij de onderhavige beoordeling neemt de rechter-commissaris als uitgangspunt:

a. de datum van 8 september 2009, waarop huiszoekingen hebben plaatsgevonden;

b. de aard en omvang van de verdenking op basis waarvan die huiszoekingen zijn bevolen, één en ander zoals vermeld in de desbetreffende vordering van het Openbaar Ministerie;

c. de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en zijn grote naamsbekendheid op vele politieke en maatschappelijke terreinen binnen de Nederlandse Antillen en in het bijzonder Bonaire.

<u>ad 2a.:</u>

3. Het bepaalde bij artikel 55 Sv en artikel 6 lid 1 EVRM brengt met zich dat als aanvang van de redelijke termijn de datum van 8 september 2009 heeft te gelden. Huiszoekingen worden immers niet zonder enige grond bevolen en verricht. Het is daarom redelijk te achten dat verzoeker vanaf die datum in de verwachting verkeerde en ook kon verkeren dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld. Indien dit niet zou gelden, dan zou verzoeker ten opzichte van medeverdachten die wel in voorlopige hechtenis zijn genomen, in een nadeliger positie komen te verkeren. De aanvang van de redelijke termijn zou dan zeer ongewis en afhankelijk zijn van verdere handelingen van het Openbaar Ministerie, die vooralsnog onbekend zijn.

<u>ad 2b.:</u>

4. Verzoeker wordt verdacht van:

- medeplegen van witwassen;

- medeplegen van valsheid in geschrift;

- medeplegen van de invoer/uitvoer/vervoer/bezit en/of het aanwezig hebben van verdovende middelen;

- medeplegen van oplichting en

- medeplegen van ambtsmisdrijven.

<u>ad 2c.:</u>

5. De beantwoording van de vraag of ten aanzien van verzoeker de termijn onwenselijk lang is, dient te geschieden binnen de context die geldt binnen de Nederlandse Antillen en in het bijzonder Bonaire, waartoe vanzelfsprekend ook de persoonlijke omstandigheden van verzoeker behoren.

6. Het is de rechter-commissaris ambtshalve bekend dat het om een zeer complex onderzoek gaat met meerdere verdachten. Gelet op het complexe karakter kan daarom in beginsel niet gezegd worden dat het onderzoek reeds onwenselijk lang duurt.

7. Verzoeker heeft evenwel voldoende aannemelijk gemaakt dat het onderzoek in zijn specifieke omstandigheden onwenselijk lang duurt. Daarbij geldt dat vast staat dat verzoeker nog nimmer is verhoord en/of gehoord, terwijl niet gebleken is dat hij op de hoogte wordt gehouden van het verloop van het onderzoek. Het feit dat verzoeker zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, mag daarbij geen rol spelen. Hij zou dan immers, zoals reeds is overwogen, in een nadeliger positie komen te verkeren. Het is begrijpelijk dat het Openbaar Ministerie tijdens de loop van het onderzoek nog geen volledige opening van zaken kan geven, maar dat neemt niet weg dat door het achterwege laten van het verstrekken van enige informatie aan verzoeker, gelet op de gevolgen van het onderzoek voor zijn privéleven en maatschappelijke positie, onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van verzoeker.

8. Het is de rechter-commissaris uit eigen wetenschap bekend hoe het onderzoek in de media uitgebreid aandacht heeft gekregen en op welke wijze verzoeker daarbij wordt genoemd. Vanzelfsprekend heeft één en ander gevolgen voor verzoeker in een kleine gemeenschap als Bonaire.

9. Tegenover dit alles heeft het Openbaar Ministerie slechts aangevoerd dat sprake is van een continu, complex en gevoelig onderzoek.

10. Daarmee heeft het Openbaar Ministerie onvoldoende aannemelijk gemaakt dat en zo ja hoeveel meer tijd het nodig heeft om het onderzoek af te ronden. Dit geldt met name ook nu gebleken is dat het onderzoek waarbinnen de huiszoekingen op 8 september 2009 hebben plaatsgevonden, zich in zoverre heeft uitgebreid dat op 21 mei 2010 wederom huiszoekingen zijn verricht. Niet gebleken is dat het noodzakelijk is dat de afronding van het onderzoek voorafgaande aan en naar aanleiding van de huiszoekingen op 8 september 2009 moet wachten op de resultaten van het onderzoek rond de huiszoekingen op 21 mei 2010.

11. Onvoldoende menskracht, zoals door het Openbaar Ministerie ook naar voren is gebracht, mag geen reden zijn om verzoeker langer dan nodig is in het ongewisse te laten van zijn positie als verdachte.

12. Op grond van het vorenstaande is de rechter-commissaris van oordeel dat voor verzoeker binnen een redelijke termijn duidelijkheid moet komen over de vraag of hij strafrechtelijk zal worden vervolgd en zo ja op welke strafbare feiten die vervolging dan betrekking zal hebben.

13. Teneinde nodeloze vertraging te voorkomen zal de rechter-commissaris daarom het primaire verzoek aldus toewijzen dat het Openbaar Ministerie het onderzoek moet voortzetten en voor 1 november 2010 moet beëindigen.

De navolgende beslissing is genomen op grond van artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering.

<b><u>BESLISSING:</u></b>

De rechter-commissaris beveelt het Openbaar Ministerie het onderzoek voort te zetten en voor 1 november 2010 te beëindigen.

Aldus gegeven op Bonaire op 8 juni 2010 door mr. F.J.P. Veenhof, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, in tegenwoordigheid van de griffier