Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2010:BL7888

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
Lar 101/2009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Horecagelegenheid heeft ten behoeve van een Amerikaanse man een directeursvergunning aangevraagd. Deze aanvraag is geweigerd. Het Gerecht oordeelt dat op grond van het vriendschapsverdrag de Amerikanen in de Nederlandse Antillen aan dezelfde regels zijn onderworpen als Europese Nederlanders. Het Gerecht acht zich onvoldoende geïnformeerd over een aantal vragen en ziet aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 22 februari 2010

Zaaknummer: Lar 101/2009

Uitspraaknr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zittingsplaats Sint Maarten

UITSPRAAK

In het geding van:

1. de naamloze vennootschap

THE CREW’S NEST BAR & RESTAURANT N.V.,

gevestigd op Sint Maarten,

2. [Amerikaan],

wonende op Sint Maarten,

eisers,

gemachtigde: dhr. M. Voges,

en

de EILANDSRAAD VAN HET EILANDGEBIED SINT MAARTEN,

zetelende op Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.O. Muller.

1. Aanduiding bestreden beschikking.

De beschikking van verweerder van 19 augustus 2009 waarbij verweerder het beroep van eiseres tegen de beslissing van het Bestuurscollege van 20 mei 2008 (houdende weigering vergunning aan verweerder sub 2 om als directeur van eiseres sub 1 werkzaam te zijn) ongegrond is verklaard.

2. Procesverloop.

Bij beroepschrift (met één productie) van 28 september 2009, dezelfde dag ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ontvangen, hebben eisers tegen de onder 1 aangeduide beschikking beroep ingesteld ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

Op 20 november 2009 is een verweerschrift (met producties) ingediend.

Op 5 januari 2010 is een aanvullend verweerschrift (met producties) ingediend.

Mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 1 februari 2010. Beide gemachtigden voornoemd zijn verschenen. Beide gemachtigden hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3. Beoordeling.

3.1 De volgende feiten staan vast.

- Bij brief van 17 januari 2007, ontvangen bij het Bestuurscollege van Sint Maarten op 27 februari 2007, heeft eiseres sub 1 het Bestuurscollege verzocht <small><i>“aan genoemde vennootschap een vergunning als bedoeld in de “vestigingsregeling voor Bedrijven” te verlenen, alsmede de vereiste direktievergunning voor de heer [Amerikaan], wel te willen verlenen.”</i></small>

- Bij besluit van 20 mei 2008 heeft het Bestuurscollege als volgt besloten:

<small><i> “Het verzoek ter verkrijging van een direkteursvergunning ten behoeve van dhr.[Amerikaan] af te wijzen, wegens strijd met de openbare orde en het algemeen belang van Sint Maarten (ref. artikel 5 van de Vestigingsregeling voor Bedrijven). </small></i>

Hierbij heeft het Bestuurscollege het volgende overwogen:

<small><i> “* Dat bij beschikking van 15 maart 2006 het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten afwijzend heeft beschikt op een aanvrage om een tewerkstellingsvergunning gedaan door de naamloze vennootschap Hilloakes Enterprises N.V. ten behoeve van [Amerikaan] voornoemd;

* Dat op 17 januari 2007 namens de naamloze vennootschap The Crew’s Nest Bar & Restaurant N.V. een directeursvergunning ten behoeve van dhr. [Amerikaan] is aangevraagd;

* Dat het zich derhalve laat aanzien dat op verkapte wijze getracht wordt voor dhr. [Amerikaan] voornoemd toegang tot de lokale arbeidsmarkt te verschaffen;

* Dat een dergelijke modus operandi zich niet verdraagt met de geest van de Landsverordening Arbeid Vreemdelingen noch met de geest van de Vestigingsregeling voor Bedrijven noch met de geest van de Landsverordening Toelating en Uitzetting;

* Dat derhalve weigering van de verzochte directeursvergunning geïndiceerd is, wegens strijd met de openbare orde en het algemeen belang van Sint Maarten.” </small></i>

- Namens eiseres sub 1 is bij brief van 25 november 2008 beroep op de Eilandsraad van het eilandgebied Sint Maarten ingesteld.

- Op 12 maart 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van het verhandelde ter hoorzitting is verslag opgemaakt.

- Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het volgende overwogen:

<small><i> “De Eilandsraad concludeert dat er gronden zijn tot het wederom weigeren van de verzochte directeursvergunning ten behoeve van dhr. [Amerikaan] (Hierna “[Amerikaan]). Sta ons toe onze beslissing te motiveren

Motivering:

De bestreden beslissing van het Bestuurscollege is gebaseerd op het feit dat [Amerikaan] geacht wordt te hebben gepoogd de Landsverordening arbeid vreemdelingen (PB 2001, no 82; LAV) te omzeilen, hetgeen constitueert een aantasting van de openbare orde en derhalve de weigeringsgrond van artikel 5 van de Vestigingsregeling voor bedrijven (PB 1946, no 43; “VRB”) oplevert. Uw verweer komt er in hoofdzaak op neer dat, op grond van het Nederlands-Amerikaanse vriendschapsverdrag, [Amerikaan] gelijk behandeld dient te worden als een zogeheten Europese Nederlander, reden waarom hem een directeursvergunning niet mag worden geweigerd.

Vaststaat dat het Nederlands-Amerikaanse Vriendschapsverdrag inderdaad medegelding heeft voor de Nederlandse Antillen, waaronder Sint Maarten. Ingevolge de door U aangehaalde LAR-uitspraken zou het verdrag zelfs rechtstreekse werking hebben.

Echter, U ziet een drietal zaken over het hoofd, te weten:

1) Indien en voorzover het verdrag rechtstreekse werking heeft, dan zou van toepassing zijn artikel II, aanhef, en onder b, dat leest: “het zal aan onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven… teneinde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden.” Echter uit het beroepschrift en uit hetgeen op de hoorzitting naar voren is gekomen blijkt niet dat [Amerikaan] een aanzienlijk kapitaal in de onderneming in kwestie heeft belegd dan wel daadwerkelijk bezig is zulks te doen. U heeft verklaard dat [Amerikaan] een van Uw werknemers is en dat U [Amerikaan] op het oog heeft om eventueel in de toekomst het bedrijf van U over te nemen, maar dat hij op dit moment geen zeggenschap in de onderneming heeft. Van “aanzienlijk kapitaal” door [Amerikaan] belegd is dan ook geen sprake.

2) Indien en voorzover het verdrag rechtstreekse werking heeft, dan dienen tevens in acht te worden genomen de in dat artikel opgenomen beperkingen in de sfeer van openbare orde en goede zeden. Artikel II, vierde lid, van het Verdrag leest namelijk: “De bepalingen van dit artikel laten het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid.” Artikel 5 van de VRB omhelst zo’n maatregel, daar waar de mogelijkheid is geschapen om een direkteursvergunning te weigeren in het belang van de openbare orde. Blijkens het verslag van de hoorzitting erkent U juist dat dergelijke beperkingen gesteld moeten kunnen worden teneinde vreemdelingen, in casu Amerikanen, van twijfelachtig allooi buiten de deur te houden. Welnu: het trachten te omzeilen van de LAV, zoals in casu is gebeurd, heeft te gelden als een handelen in strijd met de openbare orde en de goede zeden des lands. Noch in het beroepschrift noch op de hoorzitting heeft U kunnen overtuigen dat [Amerikaan] de LAV niet heeft trachten te omzeilen of dat, gezien de feitelijke situatie, de LAV niet op hem van toepassing is. Uit hetgeen U verklaard heeft blijkt namelijk juist 1) dat [Amerikaan] eerder, zonder succes, getracht heeft een tewerkstellingsvergunning te verkrijgen teneinde zijn vak als bartender uit te oefenen, ref. de aanvrage van Hilloakes Enterprises NV, en 2) dat [Amerikaan] ook met betrekking tot U in een compleet ondergeschikte positie van werknemer staat (ref. diens taken: bartender, kapitein van een boot) en bovendien geen zeggenschap in de onderneming heeft, waardoor alleszins de LAV op hem van toepassing is.

3) De twee aangehaalde LAR-uitspraken geven evenmin een toetsingskader, aangezien de situatie van [Amerikaan] niet vergelijkbaar is met die van de Amerikaanse onderdanen waar het in die uitspraken om gaat. In die uitspraken ging het om Amerikaanse onderdanen die eerder rechtmatig tot het eiland waren toegelaten op grond van tewerkstellingsvergunning (“t.w.v.”) en vergunning tot tijdelijk verblijf (“v.t.t.v.”). Pas bij hun derde respectievelijk vierde aanvrage om vernieuwing van de t.w.v./v.t.t.v. zijn zij met een weigering geconfronteerd. Het geval van [Amerikaan] is duidelijk anders: hij heeft nooit eerder enige vergunning voor Sint Maarten gekregen, noch een tewerkstellingsvergunning, noch een vergunning tot tijdelijk verblijf.”

Het vriendschapsverdrag, indien en voorzover dit rechtstreekse werking heeft, biedt derhalve geen basis voor toekenning alsnog van de directeursvergunning aan [Amerikaan].

Hier komt bij dat thans, in beroep, is komen vast te staan dat [Amerikaan] al aanzienlijke tijd illegaal op het eiland werkt en verblijft, namelijk vanaf het jaar 2004. In al die jaren heeft [Amerikaan] niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning of een verblijfsvergunning. Dit feit is pas naar aanleiding van het beroepschrift en de gehouden hoorzitting aan het licht gekomen. Ovetreding van de LTU bestaand uit illegaal verblijf op het eiland, en overtreding van de LAV bestaand uit werken zonder vergunning, constitueren ieder voor zich een aanranding voor de openbare orde, een bijkomende reden om de verzochte directeursvergunning te weigeren.” </small></i>

3.2 In hun beroepschrift hebben eisers -kort samengevat- aangevoerd dat verweerder er bij de bestreden beschikking aan voorbij is gegaan dat de bepalingen van de Landsverordening arbeid vreemdelingen (hierna: LAV) niet van toepassing zijn op Europese Nederlanders waarmee eiser sub 2 als Amerikaan, ingevolge het Vriendschapsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika alsmede het bij het Verdrag behorende Protocol, gelijk gesteld dient te worden. Verder hebben eisers in hun beroepschrift nog aangevoerd:

<i>“Geheel onterecht houdt de Eilandsraad er geen rekening mee dat [Amerikaan] defacto geen wetten of beleid van de Nederlandse Antillen en het Eilandgebied St. Maarten heeft overtreden, dus kan zulks niet een grond vormen voor de weigering van een direkteursvergunning.

Geheel onterecht en zonder motivering gaat de Eilandsraad voorbij aan de stellingen van appellant dat de onderhavige investering door [Amerikaan] pas kan plaatsvinden nadat de direkteursvergunning is afgegeven, immers kan [Amerikaan] niet het risico nemen om geld te investeren en dan geen direkteursvergunning te krijgen;

Onterecht en zonder motivering heeft de Eilandsraad geen rekening ermee gehouden dat [Amerikaan] wel degelijk een leidinggevende functie zeker gezien het feit dat de mededirecteur/eigenaar de heer [M.V.] de helft van de tijd niet op het Eiland St. Maarten vertoeft.

Geheel onterecht en zonder nadere motivering gaat het Gerecht eraan voorbij dat onder de leiding van [Amerikaan] appellant gedurende het laatste “winter-season” een recordopbrengst heeft gehad, hetgeen financieel voordeel inhoudt voor het eiland Sint Maarten.”</i>

3.3 Het Gerecht overweegt allereerst het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 9 van de Vestigingsregeling voor bedrijven kan degene wiens verzoek is afgewezen of wiens vergunning is ingetrokken binnen veertien dagen na de dagtekening van de beschikking administratief beroep instellen op de Eilandsraad.

Ingevolge artikel 7, lid 1, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

Eiser sub 2 heeft geen administratief beroep op de Eilandsraad ingesteld. NU slechts eiseres sub 1 bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van de tewerkstellingsvergunning, is niet gebleken dat eiseres sub 1 en eiser sub 2 bij het maken van bezwaar met elkaar sporende belangen hadden. Het belang van eiser sub 2 kan daarom niet op één lijn worden gesteld met dat van eiseres sub 1 en eiser sub 2 kan onder die omstandigheden niet als belanghebbende bij de bestreden beschikking worden aangemerkt.

3.4 Het Gerecht overweegt verder het volgende.

Eiser sub 2 bezit de nationaliteit van de Verenigde Staten van Amerika.

Artikel II van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten (het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag met Protocol, inwerkingtreding 5 december 1957, Trb. 1956,40; Trb. 1957, 234; Trb. 1963,54. Hierna: het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag) luidt:

<small><i> “1. Het zal onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd, het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven: (a) teneinde handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee Partijen en zich bezig te houden met daarmee samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; (b) ten einde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden; en (c) voor andere doeleinden met inachtneming van de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen.

2. (…)

3. (…)

4. De bepalingen van dit artikel laten het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid.” </small></i>

Bij het ondertekenen van voornoemd verdrag is tussen beide regeringen bij Protocol, onder 3, het navolgende overeengekomen:

<small><i> “Met betrekking tot artikikel II, lid 1, (…) zullen onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.” </small></i>

Het Gerecht kan het vorenstaande niet anders uitleggen dan dat Amerikanen in de Nederlandse Antillen aan dezelfde regels zijn onderworpen als Europese Nederlanders.

Het Gerecht ziet aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen. Het Gerecht acht zich onvoldoende geïnformeerd over de volgende bij het Gerecht levende vragen.

- Waar is de direkteursvergunning geregeld (in de Vestigingsregeling bedrijven komt het Gerecht het woord “direkteursvergunning” niet voor)?

- Wat is het toetsingskader voor een direkteursvergunning;

- Welke regels gelden er voor Europese Nederlanders ter zake aanvragen voor een direkteursvergunning?

4. De beslissing:

Het Gerecht:

heropent het onderzoek;

bepaalt dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op:

maandag 19 april 2010, 14.00 uur in Courthouse alhier;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.J. van Veen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 22 februari 2010.