Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2010:BL1988

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AR86/2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak hangt samen met AR59/2006 (LJN BL1985). Voor verhaal van de schade hebben eisers onder gedaagden beslag laten leggen. Het oude beslagrecht is nog van toepassing. Nu schade is geleden, wordt het beslag van waarde verklaard. Voorts worden gevestigde hypotheken vernietigd wegens benadeling van eisers als schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: AR86/2005

Datum uitspraak: 27 januari 2010

Vonnisnummer:

VONNIS

inzake

1. de naamloze vennootschap Golden Anchor Club N.V.

2. de naamloze vennootschap Ambar Point N.V.

beiden te Bonaire

eisende partijen

gemachtigde mr. R.T.J.M. Oomen

tegen

A. [gedaagde A] te Muiden, Nederland

B. [gedaagde B] te Varsseveld, Nederland

C. [gedaagde C] te Caracas, Venezuela

D. [gedaagde D] te Bonaire

E. [gedaagde E] te Bonaire

F. [gedaagde F] te Bonaire

G. de besloten vennootschap Geja B.V., gevestigd in Nederland

H. de vennootschap naar buitenlands recht Petrocommodities Inc te Panama City, Panama

I. de stichting The Richard O. Craig Trust, gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika.

J. [gedaagde J] te Nieuwerkerk, Nederland

gedaagde partijen

gemachtigden mrs. A.C.A. Gonzales en J.M.K.P. Cornegoor

<b>De procedure</b>

Voor de loop van het geding verwijst het Gerecht naar het door het Gerecht tussen partijen gewezen en op 28 oktober 2009 uitgesproken tussenvonnis.

Op 4 december 2009 heeft een comparitie plaatsgevonden, waarvoor alleen de gemachtigden van partijen waren uitgenodigd.

De griffier heeft aantekening gemaakt van wat ter zitting is verklaard en voorgevallen.

Het Gerecht heeft, gelet op wat daarover bij conclusie van antwoord is opgemerkt, het verzoekschrift gerectificeerd met betrekking tot de naam van de gedaagde Petrocommodities.

<b>De feiten</b>

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Op 19 juni 2002 hebben onder andere [gedaagde A, B, C, D, E en F] conservatoir beslag laten leggen op een aantal percelen grond van eisers.

b. Bij vonnis van 4 november 2003 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn de conservatoire beslagen opgeheven.

c. Bij vonnis van 14 maart 2006 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is het vonnis in reconventie van het Gerecht in Eerste Aanleg van 18 mei 2005 in de zaken nummers 97 en 100 van 2002 bevestigd. Na terugverwijzing door de Hoge Raad is het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van 18 mei 2005 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij onherroepelijke uitspraak van 24 februari 2009 wederom bevestigd.

d. In het onder c. genoemde vonnis van 14 maart 2006 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie onder meer het volgende overwogen:

<i>“4.30 Zoals reeds is overwogen kan niet worden geoordeeld dat de ontwikkelaars in strijd met hun verplichtingen hebben gehandeld door het hotel en een aantal (…) faciliteiten te sluiten. De eigenaren komt terzake geen vorderingsrecht toe, zodat thans moet worden vastgesteld dat de conservatoire beslagen ten onrechte zijn gelegd. Ingevolge vaste rechtspraak (…) is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, in beginsel aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens eigendomsrecht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Nu niet (voldoende gemotiveerd) gesteld noch gebleken is dat er in casu sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel zouden afdwingen, is de onrechtmatige daad van de eigenaren gegeven.

(…)

4.31 Ten aanzien van de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure overweegt het Hof dat voor toewijzing van die vordering voldoende is dat het bestaan van schade of de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden.

(…)

Mede gelet op het overgelegde rapport van Deloitte & Touche (…) acht het Hof de mogelijkheid van schade door de gelegde conservatoire beslagen aannemelijk.

(…)

De reconventionele vordering zal derhalve worden toegewezen.”</i>

e. In het onder c. genoemde vonnis van 24 februari 2009 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie onder meer het volgende overwogen:

<i>“Het oordeel van het Hof in reconventie dat de beslaglegging onrechtmatig was, is in cassatie met succes bestreden omdat -zakelijk samengevat- het Hof bij dat oordeel voorbij is gegaan aan de stelling van de eigenaren dat de ontwikkelaars c.s. de sluiting van de faciliteiten aanvankelijk als blijvend hebben gepresenteerd. Zoals hierboven reeds geoordeeld, is niet komen vast te staan dat de ontwikkelaars c.s. de sluiting van de faciliteiten aanvankelijk als blijvend hebben gepresenteerd. Nu het Hof zich verenigt met het voor het overige niet met succes in cassatie bestreden oordeel van het Hof zoals weergegeven in r.o. 4.31 van het vonnis van 14 maart 2006, is de reconventionele vordering in eerste aanleg terecht toegewezen en zal het vonnis waarvan beroep in reconventie worden bevestigd.” </i>

f. Eisers hebben na verkregen toestemming op 2 juni 2005 conservatoir beslag doen leggen op aan [gedaagden A, B, C, D, E en F] toebehorende onroerende goederen.

<b>De vordering</b>

Eisers vorderen dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de op 6 juni 2005 ten laste van [gedaagden A,B,C,D,E en F] gelegde conservatoire beslagen van waarde zal verklaren en voorts de op 10 mei 2005 gevestigde rechten van hypotheek en pand op de aan [gedaagde B, C, D en E] toebehorende appartementsrechten zoals in producties A, B, C, D en E bij het verzoekschrift beschreven zal vernietigen en Geja B.V., Petrocommodities, The Richard O. Craig Trust en [gedaagde J] zal bevelen om binnen 48 uur na dit vonnis de doorhaling in alle openbare registers te bewerkstelligen van alle in het verzoekschrift bedoelde hypotheken en pandrechten op straffe van een dwangsom van NAƒ5.000,00 per dag per gedaagde voor elke dag dat zij met de naleving van dit vonnis in gebreke blijven, kosten rechtens.

Eisers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:

[gedaagden A, B, C, D, E en F] hebben op 19 juni 2002 conservatoir beslag doen leggen op aan eisers in eigendom toebehorende appartementen en gebouwen. Dit beslag is onrechtmatig gebleken en bij arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 4 november 2003 opgeheven.

Eisers hebben ernstige schade gelden als gevolg van voormeld beslag.

Bij vonnis van 18 mei 2005 zijn de vorderingen van eisers toegewezen. [gedaagden A, B, C, D, E en F] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de door eisers geleden schade.

Eisers hebben beslag laten leggen op aan [gedaagden A, B, C, D, E en F] in eigendom toebehorende onroerende goederen.

Deze beslagen dienen van waarde te worden verklaard.

Voorts hebben [gedaagden B, C, D en E] op 10 mei 2005 op hun appartementsrechten een recht van hypotheek en pand doen vestigen ten gunste van respectievelijk Geja B.V., Petrocommodities, The Richard O. Craig Trust en [gedaagde J].

Deze rechten van hypotheek en pand zijn nietig nu zij zijn gevestigd onder bedrieglijke voorwendsels louter bedoeld ter benadeling van eisers in hun verhaalsmogelijkheden.

Voor zover geen sprake is van nietigheid, dienen deze gevestigde rechten van hypotheek en pand te worden vernietigd, nu zij als onverplichte rechtshandelingen tot stand zijn gekomen en de schuldenaars wisten of behoorden te weten dat zij tot gevolg hadden dat eisers in hun verhaalsmogelijkheden voor de beslagschade worden benadeeld.

Het paulianeuse karakter van de pand en hypotheekrechten blijkt zonneklaar uit het feit dat zij (allen tegelijkertijd) gevestigd zijn kort na het uitkomen van het Deloitte rapport en vlak voordat het vonnis van 18 mei 2005 werd gewezen. Ook blijken de “hypotheekhouders” door dezelfde of aanverwante personen te worden bestuurd als [gedaagde B, C en D] c.q. een bloed- of aanverwant te zijn van [gedaagde E]. Op voorgaande gronden bestaat aldus ex artikel 3:46 BW een vermoeden tot benadeling.

Meer subsidiair beroepen eisers zich op onrechtmatig handelen van gedaagden, nu zij hebben samengespannen om voor eisers het verhaal van de schade die zij als gevolg van het beslag hebben geleden illusoir te maken.

<b>Het verweer</b>

[gedaagden A, B, C, D, E en F] betwisten de vordering en voeren daartoe -samengevat- het volgende aan:

Met betrekking tot de vordering tot van waarde verklaring van het beslag:

Een beslag kan slechts van waarde worden verklaard indien de rechter ervan overtuigd is dat de vordering waarvoor beslag is gelegd, zal worden toegewezen.

Eisers hebben de regel geschonden dat de vordering in de hoofdzaak binnen redelijke termijn na het leggen van het beslag aanhangig gemaakt dient te worden.

Eisers hebben geen redelijke termijn in acht genomen. Reeds daarom dient de vordering tot van waarde verklaring van de beslagen te worden afgewezen.

Eisers hebben geen vordering op gedaagden. De door GAC en AP aangevallen hypotheekverlening is reeds daarom niet paulianeus.

<u>Geja B.V., Petrocommodities, The Richard Craig Trust en [gedaagde J]:</u>

Deze gedaagden betwisten dat sprake is van bedrieglijke voorwendsels, niet van hun zijde en evenmin van de zijde van de gedaagden onder B., C., D. en E.

Voorts betreft het hier <b><u>niet</u></b> onverplicht aangegane rechtshandelingen.

De hypotheekverstrekking door [gedaagde B] ten gunste van Geja B.V. is geschied krachtens twee overeenkomsten van geldlening die beide dateren van 31 december 2001.

Deze overeenkomsten bevatten -onder meer- de bepaling dat zolang de leningen lopen [gedaagde B] op eerste vordering van Geja B.V. een recht van hypotheek ten behoeve van

Geja B.V. zal vestigen op de desbetreffende appartementsrechten, tot zekerheid van de richtige nakoming van de leningovereenkomsten door [gedaagde B].

De hypotheekverstrekking door [gedaagde C] ten gunste van Petrocommodities is geschied krachtens een overeenkomst van geldlening die dateert van 10 juni 1994. De leningovereenkomst stipuleert -onder meer- dat voor de duur van de geldlening door [gedaagde C] op de in eigendom verkregen onroerende zaken een recht van hypotheek dient te worden gevestigd ten gunste van Petrocommodities.

De hypotheekvestiging door [gedaagde D] ten gunste van The Richard O. Craig Trust is geschied ter uitvoering van een promissory note, die van 1 februari 1998 dateert. Deze promissory note bevat de bepaling dat zij verzekerd zal zijn door een recht van eerste hypotheek op het appartementsrecht #11 gelegen in gebouw Magnolia te Harbour Village Resort, voor de duur van de lening.

De hypotheekvestiging door [gedaagde E] ten gunste van [gedaagde J] is geschied krachtens een overeenkomst van geldlening van 2 januari 2005. Die overeenkomst van geldlening bevat de bepaling dat [gedaagde E] aan [gedaagde J] het uitsluitend recht verleend om de drie appartementsrechten die [gedaagde E] in eigendom heeft in gebouw Tulipan gedurende de looptijd van de lening te bezwaren.

Van onverplichte rechtshandelingen is dus geen sprake.

Het vorderingsrecht van deze gedaagden is van gelijke rang als het vorderingsrecht van eisers, doch van oudere datum en sedert 10 mei 2005 gezekerd door het recht van hypotheek en pand. Van benadeling van de schuldeisers GAC en AB is derhalve geen sprake.

Er is ook geen sprake van een vermoeden van benadeling ex artikel 3:46 BWNA. In alle vier gevallen betreft het een zekerheidstelling voor een opeisbare schuld, terwijl de pretense schuld aan eisers in rechte nog niet vaststaat.

Ten slotte is van benadeling van verhaalsmogelijkheden helemaal geen sprake. Buiten de thans bezwaarde onroerende zaken bieden [gedaagden A, B, C, D, E en F] meer dan voldoende verhaal.

<b>De beoordeling van het geschil</b>

1. Nu de onderhavige conservatoire beslagen zijn gelegd op 2 juni 2005 en derhalve voor de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet op grond van het overgangsrecht (artikel 16 van de Landsverordening van 15 maart 2001 houdende het overgangsrecht) het voor 1 augustus 2005 ten aanzien van die beslagen geldende recht worden toegepast.

2. Het Gerecht verwerpt het beroep op het ontbreken van een redelijke termijn waarbinnen de vordering in de hoofdzaak moet worden ingesteld en overweegt daartoe het volgende. Het is alleszins redelijk dat eisers hebben gewacht met het indienen van de vordering in de hoofdzaak tot het moment waarop zij meer inzicht hadden in de omvang van de door hen beweerdelijk geleden schade. Dat daarmee enige tijd gemoeid is geweest, is niet verwonderlijk gelet op de complexiteit van de gestelde schadevordering. Voorts vindt de consequentie die gedaagden wensen te verbinden aan het mogelijk te laat indienen van de vordering in de hoofdzaak geen steun in het recht.

3. In de bij dit Gerecht onder nummer AR59/2006 aanhangige zaak wordt bij afzonderlijk vonnis geoordeeld, dat eisers schade hebben geleden ten gevolge van het ten onrechte gelegde beslag. Dit oordeel brengt met zich dat de vordering tot van waardeverklaring van het gelegde beslag moet worden toegewezen.

4. Met betrekking tot de gevestigde hypotheken hebben eisers allereerst gesteld dat sprake is van bedrog in zin van artikel 3:44 BW. Voor dat bedrog is vereist dat iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.

5. Dat zich één van de omstandigheden genoemd in artikel 3:44 BW heeft voorgedaan, is onvoldoende gebleken, zodat de vordering niet op deze grondslag kan worden toegewezen.

6. Met betrekking tot de verzochte vernietiging op grond van artikel artikel 3:46 BW is vereist dat een of meer schuldeisers zijn benadeeld, dat de hypoheekrechten zijn gevestigd binnen 1 jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en voorts dat sprake is van een onverplicht verrichten van die rechtshandeling.

7. Uit het vorenstaande en uit de beslissing in zaak AR59/2006, blijkt dat eisers schuldeisers zijn. Dat zij nadeel ondervinden van de gevestigde hypotheken spreekt voor zich.

8. Gedaagden hebben zich in hun conclusie van antwoord op overeenkomsten beroepen op grond waarvan zij zijn overgegaan tot de vestiging van de hypotheekrechten, zodat in hun visie geen sprake is van onverplicht verrichte rechtshandelingen.

9. Bij conclusie van repliek zijn eisers daar uitgebreid op ingegaan.

10. Niettemin hebben gedaagden bij hun conclusie van dupliek de door hen gestelde overeenkomsten niet overgelegd en zijn zij ook niet verder concreet ingegaan op hun verweer en de reactie daarop van eisers.

11. Het Gerecht is daarom van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de vestiging van de hypotheken een verplichte rechtshandeling was en dat ervan moeten uitgegaan dat sprake is van onverplicht verrichte rechtshandelingen.

12. Nu ook aan de eis is voldaan dat de handelingen zijn verricht binnen 1 jaar voor het inroepen van de nietigheid zullen deze rechtshandelingen op grond van het bepaalde bij artikel 3:46 BW worden vernietigd.

13. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

14. Blijkens het vonnis van 27 september 2006 moet nog een beslissing worden gegeven over de proceskosten in het incident. In het incident zijn eisers in het ongelijk gesteld, zodat zij de kosten van het incident moeten dragen.

<b>Beslissing</b>

Het Gerecht:

<u>In het incident:</u>

Veroordeelt eisers in de kosten van het incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op NAƒ900,00 aan salaris voor de gemachtigde.

<u>In de hoofdzaak:</u>

Verklaart de op 6 juni 2005 ten laste van [gedaagden A, B, C, D, E en F] gelegde conservatoire beslagen van waarde.

Vernietigt de op 10 mei 2005 gevestigde rechten van hypotheek en pand op de aan [gedaagden B, C, D en E] toebehorende appartementsrechten zoals in producties A, B, C, D en E bij het verzoekschrift beschreven.

Beveelt Geja B.V., Petrocommodities, The Richard O. Craig Trust en [gedaagde J] om binnen 48 uur na dit vonnis de doorhaling in alle openbare registers te bewerkstelligen van alle in het verzoekschrift bedoelde hypotheken en pandrechten op straffe van een dwangsom van NAƒ5.000,00 per dag per gedaagde voor elke dag dat zij met de naleving van dit vonnis in gebreke blijven.

Veroordeelt gedaagden in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op NAƒ2.055,00 aan verschotten en NAƒ5.400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in tegenwoordigheid van de griffier.