Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2010:BL0526

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
11-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
AR 674/2007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil betreft afwikkeling van nalatenschap. In zaak Commal tegen [A.H.]. Commal vordert o.a. opheffing van beslagen en dat [A.H.] gehouden is tot vergoeding van de door zijn beslagen veroorzaakte schade. Beslagen zijn gelegd door [A.H.] 'in hoedanigheid/in kwaliteit' waar hij erfgenamen vertegenwoordigt. Hij moet in deze hoedanigheid gedagvaard worden en niet pro se. Vermelding van zijn hoedanigheid in het lichaam en delen van het petitum van het verzoekschrift wijzen er niet dusdanig duidelijk op dat dit zo had moeten worden begrepen, dat de vorderingen zich uitsluiten tegen [A.H.] q.q. gericht was. Gerecht verklaart Commal niet ontvankelijk. Gerecht verklaart tevens de vordering van de tussengekomen partij tegen in de hoofdzaak gevoegde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: AR 674/2007

Vonnisdatum: 11 januari 2010

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zittingsplaats Curaçao

VONNIS

in de zaak van

de naamloze vennootschap COMMAL N.V.,

gevestigd op Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,

tegen

[A.H.] pro se,

wonende te Abcoude, Nederland,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Komdeur,

en

[A.H.] Q.Q.,

executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [H.S.],

wonende te Abcoude, Nederland,

gevoegde partij aan de zijde van [A.H.] pro se,

gemachtigde: mr. E.R. van Arkel,

met als tussengekomen partij

[G.S.],

wonende op Curaçao,

tussengekomen partij,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.

1. Het verdere procesverloop

Na het vonnis van 26 mei 2008 is zowel in de oorspronkelijke zaak als in de tussenkomst tot en met dupliek geconcludeerd, waarna nog aktes uitlating producties zijn genomen. Op de voor pleidooi bepaalde datum hebben de gemachtigden van partijen volstaan met overlegging van de pleitnota’s. Vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 In dit vonnis wordt uitgegaan van het volgende:

a) Op 19 augustus 2003 is in Zwitserland overleden [H.S.], hierna: de erflater, vader van [K.S., G.S. en P.S.], hierna: de kinderen.

b) Bij een door erflater op 28 mei 2002 opgemaakt testament heeft hij [A.H.] tot “executeur en afwikkelingsbewindvoerder over zijn nalatenschap” benoemd. Tot de nalatenschap, waartoe de kinderen gerechtigd zijn, behoorde in elk geval een huis in Beatenberg, Zwitserland.

c) De kinderen hadden reeds in 1995 in Nederland gelegen onroerende zaken gekocht van hun moeder, waarbij de koopsom was omgezet in een lening. De vordering uit die lening heeft moeder destijds gecedeerd aan Commal, van welke (off-shore)vennootschap een of meer van de kinderen de achterliggers zijn.

d) Tussen de kinderen, [K.S. en G.S.] enerzijds en [P.S.] anderzijds, zijn geschillen ontstaan over onder meer de nalatenschap van erflater en over de vraag of de aan Commal gecedeerde vordering op de kinderen (waarvoor in Nederland door de kinderen hypothecaire zekerheid was verstrekt) al dan niet verhaald moest worden op het door vader nagelaten huis in Zwitserland.

e) Commal heeft in februari 2006 tot verhaal van die vordering ten laste van de kinderen beslag gelegd op het huis in Zwitserland.

f) [A.H.] is in zijn hoedanigheid van executeur en/of namens de kinderen tegen dit beslag opgekomen. Het beslag is uiteindelijk door de Zwitserse rechter opgeheven met veroordeling van Commal in de proceskosten.

g) Tot verhaal van deze proceskosten en tot verhaal van een door hem gestelde vordering op Commal tot schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging heeft [A.H.] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder na daartoe verkregen verloven in Nederland en in de Nederlandse Antillen beslagen gelegd ten laste van Commal. De vorderingen waarvoor beslag werd gelegd werd daarbij begroot op circa EUR 135.000,- (de schadevergoedingsvordering, waarover tot op heden in Zwitserland wordt geprocedeerd) en EUR 24.000,- (de vordering terzake proceskosten).

h) De onder g) bedoelde beslagen zijn inmiddels opgeheven, behoudens een in Nederland onder AbnAmro gelegd beslag.

i) Commal, [K.S.] en [G.S.] hebben het Gerecht op Curacao verzocht om een verklaring voor recht dat op de geldleningsovereenkomst tussen Commal en de kinderen Nederlands-Antilliaans recht van toepassing was. Nadat de betreffende vorderingen in eerste aanleg wegens gebrek aan belang waren afgewezen, heeft het Hof de gevraagde verklaring voor recht bij vonnissen van 12 augustus 2008 en 7 oktober 2008 (AR 655/07-H-111/08 en AR 669/07-H-203/08) alsnog gegeven.

2.2 Commal vordert in het onderhavige geding tegen [A.H.], verkort weergegeven:

i. een verklaring voor recht als hiervoor onder 2.1 i) bedoeld, alsmede verklaringen voor recht met betrekking tot de opeisbaarheid van de lening en de gerechtigdheid van Commal tot het nemen van conservatoire maatregelen;

ii. de opheffing van de onder 2.1 g) bedoelde beslagen;

iii. een verklaring voor recht dat [A.H.] “(qualitate qua danwel prose)” gehouden is tot vergoeding van de door zijn beslagen veroorzaakte schade, op te maken bij staat.

2.3 [A.H.] heeft - pro se - verweer gevoerd en onder meer gesteld dat Commal niet ontvangen kan worden in haar vorderingen. Als zich aan zijn zijde gevoegde partij heeft [A.H.] – maar nu in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap – het verweer gesteund en aangevuld.

2.4 [G.S.] heeft als tussengekomen partij vorderingen ingesteld jegens zowel Commal als tegen [A.H.].

2.5 De vorderingen van [G.S.] tegen Commal strekken tot:

i. veroordeling van Commal tot betaling aan [G.S.] van 1/3 deel van de door de Zwitserse rechter aan Commal opgelegde proceskostenvergoeding en tot een verbod aan Commal om die proceskostenvergoeding aan [A.H.] – in welke kwaliteit dan ook – uit te keren, op straffe van een dwangsom.

2.6 Commal is niet of nauwelijks ingegaan op de vorderingen jegens haar van [G.S.] en heeft deze niet bestreden.

2.7 De vorderingen van [G.S.] tegen [A.H.] strekken tot:

i. een bevel zich bij de vertegenwoordiging van (in elk geval) [G.S.], welke hoedanigheid hij daarbij ook aanneemt, te houden aan “de voordien pro se rechtsgeldig overeengekomen voorwaarden en verplichtingen”, op straffe van een dwangsom;

ii. verklaringen voor recht vergelijkbaar met de vordering van Commal weergegeven onder 2.2 i.

iii. een bevel te gehengen en gedogen dat Commal voldoet aan de jegens haar door [G.S.] gevraagde veroordeling, hiervoor weergegeven onder 2.5 i.

iv. een verklaring voor recht “dat de tussenkomst van [A.H.] q.q. ten onrechte geschiedde, nu hij reeds in de hoofdzaak als zodanig fungeerde”;

v. veroordeling van [A.H.] tot vergoeding van de door hem door foutief processueel optreden aan [G.S.] toegebrachte schade, op te maken bij staat.

2.8 [A.H.] heeft - pro se - verweer gevoerd. De in de zaak van Commal tegen [A.H.] gevoegde partij heeft de vorderingen eveneens bestreden, met onder meer de conclusie dat [G.S.] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen.

2.9 In de zaak van Commal tegen [A.H.] hebben partijen elkaars veroordeling in de kosten gevorderd. In de tussenkomst heeft [G.S.] verzocht Commal en [A.H.] in de kosten te veroordelen. Commal heeft geen kostenveroordeling van [G.S.] gevraagd, [A.H.] wel.

3. Beoordeling

<b>In de zaak van Commal tegen [A.H.]</b>

3.1 In de eerste plaats is in dit geding de vraag aan de orde of Commal ontvangen kan worden in haar vordering jegens [A.H.], meer in het bijzonder de vraag of zij hem in persoon – pro se – dan wel in zijn hoedanigheid van executeur in rechte had dienen te betrekken. [A.H.] is uitdrukkelijk pro se in het geding verschenen en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, daar hetgeen aan de vorderingen ten grondslag is gelegd slechts betrekking heeft op zijn optreden in zijn voormelde hoedanigheid. In die hoedanigheid heeft hij zich gevoegd en heeft hij hetzelfde geconludeerd. Commal heeft daarop, onder meer in haar pleidooi onder 1.14, gesteld dat evident is dat [A.H.] qualitate qua in het geding is betrokken. [G.S.] heeft hetzelfde standpunt ingenomen.

3.2 In deze zaak is, blijkens het deurwaardersexploot van 20 juli 2007, opgeroepen [A.H.], zonder vermelding van enige hoedanigheid. Deze oproep sluit aan bij het door Commal ingediende verzoekschrift, waarin vermeld wordt dat een procedure wordt geëntameerd tegen [A.H.], eveneens zonder vermelding van enige hoedanigheid. In het vervolg van het verzoekschrift wordt melding gemaakt van hoedanigheden die [A.H.] “beweerdelijk” zou hebben van executeur en afwikkelingsbewindvoerder, terwijl twee van de gevraagde veroordelingen zich richten tegen [A.H.] “(qualitate qua danwel prose)”.

3.3 In het overgelegde vonnis van het Hof van 31 maart 2009, AR KG 177/07-H-13A/08 en -H-13B/08 en (H-297/08)-13C/08, gewezen tussen Commal, [A.H.] en – ook daar als tussenkomende partij – [G.S.], heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“4.2.1 Het Hof zal eerst het door [A.H.] ingestelde incidenteel appel beoordelen. Bij die beoordeling stelt het Hof het volgende voorop.

Ten eerste zijn de beslagen waarvan Commal de opheffing vordert, door [A.H.] gelegd in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [erflater]. Verder is hij in eerste aanleg door Commal in persoon gedagvaard maar, kennelijk op verzoek van GEA gelet op hetgeen hij onder 1 pleitaantekeningen in eerste aanleg heeft vermeld, in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van [erflater] in eerste aanleg verschenen. In de akte van appel en in haar memorie van grieven heeft Commal wederom slechts [A.H.] in persoon vermeld als geïntimeerde.

4.2.2 Grief 2 van de memorie van grieven houdt in dat het GEA ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen [A.H.] pro se en [A.H.] in hoedanigheid.

De beslagen zijn door [A.H.] “in kwaliteit/in hoedanigheid” gelegd. In die betreffende kwaliteit vertegenwoordigt hij de erfgenamen. Het is hierbij van geen belang of het eventueel toepasselijke Zwitserse recht die kwaliteit erkent omdat hij in elk geval in die hoedanigheid het hier bestreden handelen (verschillende beslagleggingen) heeft verricht. Hij had dan ook in die betreffende hoedanigheid gedagvaard moeten worden. In hoger beroep heeft Commal dit wederom niet gedaan. Dit betekent dat Commal kennelijk geen verschil ziet tussen [A.H.] pro se enerzijds en [A.H.] q.q. anderzijds. Dit brengt voor hem executiegevaren met zich. Zo kan [A.H.] q.q. de kosten van de procedures waarin hij, hoe dan ook, q.q. heeft gehandeld, in rekening brengen aan de nalatenschap, maar de kosten van [A.H.] pro se niet. De vraag of hij die kosten terecht heeft gemaakt, komt dan bij de uiteindelijke verantwoording aan de erfgenamen aan de orde. Het mag echter niet gebeuren dat kosten die hij q.q. heeft gemaakt, van hem in persoon gevorderd kunnen worden door anderen dan de erfgenamen. Nu de beslagen door [A.H.] q.q. zijn gelegd, had hij als [A.H.] q.q. gedagvaard moeten worden. Nu Commal hem pertinent en volhoudend in rechte heeft betrokken als “[A.H.] pro se” terwijl deze zaak betrekking heeft op door [A.H.] q.q. verrichte handelingen, slaagt grief 2 in zoverre dat Commal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. (...)”

3.4 Het Gerecht volgt het oordeel van het Hof op het punt van de niet-ontvankelijkheid van Commal, nu ook in deze zaak [A.H.] pro se in rechte is betrokken. De vermelding van zijn hoedanigheid in het lichaam en in delen van het petitum van het verzoekschrift wijzen er niet op, althans niet dusdanig duidelijk dat [A.H.] dit zo had moeten begrijpen, dat de vorderingen zich niet tegen [A.H.] pro se maar (uitsluitend) tegen (de niet als zodanig opgeroepen) [A.H.] q.q. richtten.

3.5 Jegens [A.H.] q.q. zijn de vorderingen evenmin toewijsbaar, nu [A.H.] in die hoedanigheid slechts de aan de zijde van de gedaagde gevoegde partij is.

3.6 Tegen voorgaand oordeel zou kunnen worden ingebracht dat dit te formalistisch is. Te meer gelet op het feit dat gedaagde er geen blijk van heeft gegeven het verzoekschrift te willen begrijpen zoals dit later door Commal/[G.S.] is uitgelegd – integendeel – en voorts gelet op het feit dat ook Commal/[G.S.] blijkens hetgeen door hen in dit geding is aangevoerd veel belang hechten aan de – al dan niet vermeende – hoedanigheden van prive-persoon, executeur, afwikkelingsbewindvoerder, vertegenwoordiger en Willensvollstrecker die [A.H.] bij de door hen gewraakte acties zou hebben gehad, ziet het Gerecht in de onderhavige zaak geen grond anders te oordelen.

3.7 Commal zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [A.H.] pro se en q.q. gerezen.

<b>In de zaak (in tussenkomst) van [G.S.] tegen [A.H.]</b>

3.8 In zijn pleidooi (al. 46) heeft [G.S.] verdedigd dat zijn tussenkomst in stand dient te blijven. Die tussenkomst is echter, na het vonnis van 26 mei 2008, een feit. Of die beslissing juist was is, althans in deze aanleg, niet meer aan de orde, hetgeen overigens ook geldt voor de volgens Commal/[G.S.] ten onrechte toegestane voeging in de hoofdzaak van [A.H.] q.q.

3.9 Ten tijde van het toestaan van de tussenkomst had [G.S.] nog geen vorderingen geformuleerd. Op de grond dat niet kon worden uitgesloten dat hij door enige beslissing in de hoofdzaak zou kunnen worden benadeeld, is hij toegelaten tussen te komen. Vervolgens zijn door [G.S.] echter vorderingen geformuleerd die verdergaan dan bescherming van dat belang en die andere onderwerpen bestrijken. Dit geldt niet alleen voor de vorderingen terzake de Zwitserse proceskosten jegens Commal – daargelaten dat de vraag is welk belang [G.S.] bij deze vorderingen heeft nu tussen hem en Commal hierover kennelijk geen verschil van inzicht bestaat – maar ook voor de op die proceskosten betrekking hebbende vordering jegens [A.H.] en voor de vordering jegens [A.H.] betreffende diens toekomstig optreden als vertegenwoordiger. Naar het oordeel van het Gerecht brengen de eisen van een goede procesorde reeds mee dat deze vorderingen in dit geding buiten beschouwing dienen te blijven (vergelijk artikel 109 lid 1 Rv).

3.10 Afgezien van het voorgaande geldt dat ook [G.S.] heeft aangegeven (al. 72 conclusie van eis in tussenkomst) dat zijn vorderingen zich, behoudens de gevraagde proceskostenveroordeling, richten tegen [A.H.] q.q., niet tegen [A.H.] pro se. Evenmin als de vorderingen van Commal zich tegen [A.H.] q.q. als gevoegde partij kunnen richten, kunnen de vorderingen van [G.S.] als tussengekomen partij dat. De enige vordering die zich wel tegen de gedaagde in de hoofdzaak, [A.H.] pro se, richt, derhalve de vordering tot diens veroordeling in de proceskosten, is niet toewijsbaar nu [G.S.] wat betreft zijn overige vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard.

<b>In de zaak (in tussenkomst) van [G.S.] tegen Commal</b>

3.11 Over de vorderingen van [G.S.] tegen Commal bestaat tussen hen beiden kennelijk geen geschil. Nu van een in rechte te respecteren belang bij die vorderingen onvoldoende is gebleken, zullen ook die vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Omdat Commal geen veroordeling van [G.S.] in de proceskosten heeft gevorderd, zullen de kosten tussen hen worden gecompenseerd.

Beslissing

Het Gerecht:

<b>in de zaak van Commal tegen [A.H.]</b>

verklaart Commal niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

veroordeelt Commal in de kosten van het geding, aan de zijde van [A.H.] pro se begroot op Naf. 4.050,- aan gemachtigdensalaris en aan de zijde van [A.H.] q.q. eveneens begroot op Naf. 4.050,- aan gemachtigdensalaris;

<b>in de zaak (in tussenkomst) van [G.S.] tegen [A.H.]</b>

verklaart [G.S.] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

veroordeelt [G.S.] in de kosten van het geding, aan de zijde van [A.H.] pro se begroot op Naf. 3.600,- aan gemachtigdensalaris en aan de zijde van [A.H.] q.q. begroot op Naf. 2.700,- aan gemachtigdensalaris.

<b>in de zaak (in tussenkomst) van [G.S.] tegen Commal</b>

verklaart [G.S.] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

compenseert de kosten van het geding aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2010.