Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2009:BK5203

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
AR81/2008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 477a lid 2 Rv bepaalt dat de executant na het afleggen van de verklaring door de derde-beslagene de bevoegdheid heeft om binnen twee maanden daarna de derde-beslagene te doen oproepen tot het doen van een gerechtelijke verklaring. Tussen partijen staat vast dat gedaagde op 17 juli 2008 haar verklaring heeft afgelegd. Nu eiseres het onderhavige verzoek eerst op 22 oktober 2008 heeft ingediend, heeft zij de termijn van twee maanden overschreden. Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken op grond waarvan zij niettemin in haar verzoek ontvankelijk zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: AR81/2008

Datum uitspraak: 25 november 2009

Vonnisnummer:

VONNIS

inzake

de naamloze vennootschap Island Finance (Bonaire) N.V.

te Bonaire

eisende partij

hierna te noemen: Island Finance

gemachtigde mr. J.F. Luidens

tegen

de naamloze vennootschap Don Andres N.V.

te Bonaire

gedaagde partij

hierna te noemen: Don Andres

gemachtigde mr. C.L. Taylor

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst het Gerecht naar de volgende stukken:

- het verzoekschrift van 22 oktober 2008, met producties,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek, tevens inhoudende een wijziging van de eis,

- de conclusie van dupliek, met één productie.

Don Andres heeft bij conclusie van dupliek nog één productie in het geding gebracht. Island Finance heeft op die productie niet kunnen reageren. Aangezien die productie voor het beoordelen van deze zaak niet van belang is, is er geen noodzaak om Island Finance alsnog in de gelegenheid te stellen om op die producties te reageren; zij is immers niet geschaad in haar verdediging.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

a. Bijvonnis van 21 augustus 1996 is [C.S.F.] (hierna: [C.S.F.]) veroordeeld tot betaling aan Island Finance van NAƒ8.972,07 vermeerderd met rente en kosten.

b. Bij exploot van 22 mei 2008 heeft de deurwaarder H.A. Villanueva uit kracht van het onder a. genoemde vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder Don Andres.

c. Bij exploot van 22 mei 2008 is het onder b. genoemde derdenbeslag aan [C.S.F.] betekend.

d. Bij faxbericht van 17 juli 2008 heeft de gemachtigde van Island Finance het volgende aan Don Andres geschreven:

<i>“Wij hebben de buitengerechtelijke verklaring met betrekking tot bovenaangehaald beslag ontvangen en deelen U als volgt mede.

Op grond van deze verklaring en de overgelegde salarisslip bedroeg het netto-salaris van juni 2008 van mevrouw [C.S.F.] fl.1.833,95. Een derde deel hiervan is fl.611,31 hetgeen maandelijks moet worden ingehouden en afgedragen.

(…)”</i>

e. Bij fax bericht van 26 september 2008 heeft de gemachtigde van Island Finance het volgend aan Don Andres geschreven:

<i>“(…)

Na het doen van de verklaring was U verplicht om het volgens de verklaring verschuldigde te voldoen. Op grond van de wet had U inhoudingen moeten verrichten vanaf eind juni 2008. U heeft echter tot nu toe nog niets afgedragen. Per heden bent U drie maanden verschuldigd, t.w. juni, juli en augustus 2008.

Volgens de overgelegde salarisslip diende U fl.611,31 maandelijks in te houden. Dit betekent dat U per heden het bedrag van fl.1.833,93 dient te betalen en vervolgens het bedrag van fl.611,31 te blijven inhouden en afdragen.”</i>

De vordering

Island Finance vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad Don Andres zal veroordelen tot afgifte van de inhouding van NAƒ611,31 per maand over de maanden juni, juli en augustus 2008 (totaal NAƒ1.833,93) en tot het verrichten van de maandelijkse afdrachten tot de gehele vordering is voldaan, met veroordeling van Don Andres in de kosten van deze procedure.

Island Finance heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd:

Don Andres had vanaf eind juni 2008 inhoudingen moeten verrichten. Dit heeft zij niet gedaan.

Don Andres heeft na aanmaning uiteindelijk op 17 juli 2008 een verklaring afgelegd.

Don Andres weigert tot nu toe de ingehouden bedragen af te dragen, waardoor Island Finance schade lijdt.

Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in deze zaak had Don Andres nog steeds niet aan haar afdrachtverplichtingen voldaan. Op 31 oktober 2008 heeft Don Andres de eerste betaling verricht.

Don Andres is pas eind september begonnen met het verrichten van inhoudingen.

Gezien het feit dat Don Andres nadien elke maand aan haar betalingsverplichting heeft voldaan past Island Finance haar oorspronkelijke vordering aan. Zij vordert thans nog de afdracht van de inhoudingen over de maanden juli 2008 tot en met augustus 2008 en voorts de afdrachten totdat de gehele vordering zal zijn voldaan.

Het verweer

Don Andres betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

a. Island Finance heeft de onderhavige vordering meer dan twee maanden na ontvangst van de door Don Andres afgelegde verklaring ingesteld. De termijn van artikel 477a lid 2 Rv is ruimschoots overschreden. Om die reden is Island Finance niet-ontvankelijk in haar vordering.

b. Don Andres heeft zich wel degelijk gevolg gegeven aan het beslag. Zij heeft vanaf september 2008 inhoudingen verricht op het loon van [C.S.F.]. Op 31 oktober 2008 heeft zij de ingehouden bedragen aan Island Finance voldaan.

c. krachtens artikel 3:324 lid 3 in samenhang met artikel 308 BW verjaart rente na verloop van vijf jaar. De rentevordering krachtens het ten uitvoer gelegde vonnis van 24 april 1996, was per 22 mei 2008 in zijn geheel verjaard. Don Andres was vanaf het begin niet verplicht om enig bedrag krachtens het beslag in te houden. Island Finance heeft daarom geen belang meer bij haar vordering

De beoordeling van het geschil

1. Het beroep van Don Andres op de niet-ontvankelijkheid van Island Finance in haar vordering slaagt. Het Gerecht overweegt daarover het volgende.

2. Artikel 477a lid 2 Rv bepaalt dat de executant na het afleggen van de verklaring door de derdebeslagene de bevoegdheid heeft om binnen twee maanden daarna de derde-beslagene te doen oproepen tot het doen van een gerechtelijke verklaring.

3. Tussen partijen staat vast dat Don Andres op 17 juli 2008 haar verklaring heeft afgelegd.

4. Nu Island Finance het onderhavige verzoek eerst op 22 oktober 2008 heeft ingediend, heeft zij de termijn van twee maanden overschreden. Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken op grond waarvan Island Finance niettemin in haar verzoek ontvankelijk zou zijn. Het feit dat Island Finance maanden lang heeft geprobeerd om de ingehouden bedragen te verkrijgen brengt daar geen verandering in. Immers, Island Finance had de wettelijke termijn in acht moeten nemen en het verzoek moeten indienen zodra haar bleek dat de ingehouden bedragen niet werden afgedragen. Daartoe had zij de mogelijkheid, nu zij zelf stelt dat Don Andres gehouden was vanaf juni 2008 bedragen in te houden. Zij had dus binnen de periode van twee maanden na 17 juli 2008 al kunnen weten dat de inhoudingen niet werden afgedragen en tijdig actie moeten nemen. Nu zij heeft nagelaten dat binnen de wettelijke temrijn te doen is Island Finance niet-ontvankelijk in haar verzoek.

5. Gelet op het vorenstaande komt het Gerecht niet toe aan een verdere beoordeling van het verzoek.

6. Island Finance zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

Het Gerecht:

Verklaart Island Finance niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Veroordeelt Island Finance in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van Don Andres begroot op NAƒ800,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in tegenwoordigheid van de griffier.