Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2009:BJ0634

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
900.250/07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft zaak waarin drie rechercheurs een verdachte, na aanhouding en inverzekeringstelling, tijdens zijn verhoor met een wapenstok hebben afgeranseld. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wegens het bij verdachte opgewekt vertrouwen dat hij niet zal worden vervolgd faalt. Het Hof heeft ambtshalve de vervolging bevolen, daarom staat bij de verdachte het opgewekte vertrouwen door eventuele mededelingen van HOvJ niet meer aan vervolging in de weg. De mishandeling levert het medeplegen van handelen in strijd met art. 2 ULFV op. Politiegeweld met de uitsluitende bedoeling een verdachte een lesje te leren kan niet worden getolereerd. Vanuit oogpunt generale preventie dient te worden gereageerd met straf waarvan een waarschuwingssignaal uitgaat. Verdachte krijgt 12 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 juni 2009

Tegenspraak

Parketnummer: 900.250/07

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

ZITTINGSPLAATS CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1964 op Curaçao,

wonende op Curaçao.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Wilsoe.

De officier van justitie, mr. M.W. Hemelaar, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij, op of omstreeks 28 maart 2006, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als politieambtenaar, althans als ambtenaar in de uitoefening van zijn functie, iemand, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), opzettelijk gewelddadig, met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, met een wapenstok, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen, terwijl die [slachtoffer] toen van zijn vrijheid was beroofd, immers was hij inverzekeringgesteld op verdenking van enig strafbaar feit, met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis van die [slachtoffer] te verkrijgen en/of die [slachtoffer] te bestraffen en/of die [slachtoffer] vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden en/of uit minachting voor de aanspraken van die [slachtoffer] op menselijke gelijkwaardig-heid, terwijl de gedragingen van die aard waren, dat zij dit beoogde doel konden bevorderen; (artikel 2 van de Uitvoeringslandsverordening folteringsverdrag)

SUBSIDIAIR, indien en voor zover voor het hiervoor ten laste gelegde geen veroordeling mocht volgen,

dat hij, op of omstreeks 28 maart 2006, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, iemand, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), opzettelijk gewelddadig, met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, met een wapenstok, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen; (artikel 314a Wetboek van Strafrecht)

MEER SUBSIDIAIR, indien en voor zover voor het hiervoor ten laste gelegde geen veroordeling mocht volgen,

dat hij, op of omstreeks 28 maart 2006, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, iemand, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, met een wapenstok, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of die [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen (artikel 313 Wetboek van Strafrecht).

3. Voorvragen

3.1 Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

3.2 Bevoegdheid van het Gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het telastgelegde kennis te nemen.

3.3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie bij brief van 10 augustus 2006 aan de waarnemend chef van het Korps Politie Curaçao heeft bericht dat hij het zinloos acht om tot vervolging in deze zaak over te gaan, omdat hij verwacht dat de rechter in een eventuele strafzaak tot vrijspraak zal besluiten wegens het ontbreken van overtuigend bewijs, en hem in overweging heeft gegeven een kopie van deze brief aan de betrokkenen ter hand te stellen. Hij wijst erop dat de hoofdofficier van justitie dit bij brief van 11 september 2006, gericht aan de waarnemend korpschef, nog eens heeft bevestigd. Hij betoogt dat met deze mededelingen bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat verdachte niet zal worden vervolgd. Hij vervolgt dat er geen sprake is van zwaarwichtige belangen die kunnen rechtvaardigen dat de officier van justitie ondanks het gewekte vertrouwen tot vervolging overgaat. Hij bepleit daarom dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het Hof bij beschikking van 10 januari 2007 ambtshalve de vervolging van verdachte heeft bevolen ter zake van de feiten waar het in deze zaak om gaat. Dat uit de beschikking niet blijkt of verdachte zich bij de behandeling in raadkamer door een advocaat heeft kunnen laten bijstaan en of hem de cautie is gegeven voordat hij is gehoord, zoals de raadsman heeft opgemerkt, doet aan de rechtsgeldigheid van het gegeven bevel niet af. Dat de wettelijke voorschriften dienaangaande niet zijn nageleefd, is niet gebleken. Nu het Hof de vervolging heeft bevolen, staat het eerder bij verdachte opgewekte vertrouwen niet meer aan vervolging in de weg. Het beroep op het vertrouwensbeginsel moet dan ook worden gepasseerd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

3.4 Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, met dien verstande:

dat hij, op 28 maart 2006, op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met ander(en), als politieambtenaar, in de uitoefening van zijn functie, iemand, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld, immers hebben hij en zijn mededader(s), opzettelijk gewelddadig, met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931, die [slachtoffer], meermalen, met een wapenstok, tegen het hoofd en het lichaam geslagen en die [slachtoffer], meermalen, tegen het lichaam geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen, terwijl die [slachtoffer] toen van zijn vrijheid was beroofd, immers was hij in verzekering gesteld op verdenking van enig strafbaar feit, met het oogmerk om [slachtoffer] te bestraffen en die [slachtoffer] vrees aan te jagen, terwijl de gedragingen van die aard waren, dat zij dit beoogde doel konden bevorderen.

Kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd gelezen (cursief). De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

5. Bewijsvoering

5.1. Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5.2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de aangifte is vermeld dat de aangever op 28 maart 2006 door rechercheurs van wijkteam Rio Canario bij Bon Futuro is opgehaald en overgebracht naar het wijkteambureau, waar hij door drie rechercheurs is verhoord en tevens is mishandeld. Hoewel de aangever niet met verdachte en zijn twee medeverdachten ([namen medeverdachten]) is geconfronteerd en de fotoconfrontatie tijdens het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 10 december 2008 geen positieve herkenning van één van hen heeft opgeleverd (naar de aangever heeft verklaard, waren de aan hem voorgelegde faxkopieën van foto’s daarvoor te onduidelijk), kan er geen twijfel over bestaan dat de aangever in zijn aangifte verdachte en zijn twee collega´s heeft bedoeld. Uit het wachtrapport van de rechercheploeg Rio Canario en het proces-verbaal van verhoor van de aangever d.d. 28 maart 2006 blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de aangever hebben gelicht uit Bon Futuro en omstreeks 12.30 uur in het wijkteambureau hebben verhoord. Uit de verklaringen van alle drie de verdachten blijkt voorts dat zij degenen waren die het verhoor hebben gedaan. In hun verklaringen wordt verder bevestigd dat zij op dat moment feitelijk de rechercheploeg van dit bureau vormden (agent [agent P.], die eveneens deel uitmaakte van de rechercheploeg, was in die periode niet aanwezig), als ook dat zij in burgerkleding werkten, wat met de verklaring van de aangever strookt. De drie verdachten passen tenslotte in de beschrijving die de aangever van de drie bedoelde rechercheurs heeft gegeven, zoals het Gerecht bij het onderzoek ter terechtzitting heeft kunnen constateren.

De verklaring van de aangever over de mishandeling tijdens het verhoor vindt in sterke mate steun in andere bewijsmiddelen, waaronder (a) voormeld wachtrapport en de verklaring van de getuige [getuige], waaruit blijkt dat de aangever na het verhoor omstreeks 14.00 uur naar de THOD is gebracht om te worden geslipt en er toen is geconstateerd dat hij verse verwondingen had (zwellingen in de rugstreek en aan de arm), (b) het rapport van het geneeskundige onderzoek van de aangever om 18.50 uur op dezelfde dag, waarin is vermeld dat de aangever verschillende langwerpige bloeduitstortingen op zijn schouder en rug had, ieder bestaande uit twee rode parallel lopende lijnen, met in het midden een ontkleurde lijn, veroorzaakt door hetzelfde voorwerp, die kunnen passen bij een knuppel, en (c) de getuigenverklaringen van gevangenbewaarders en medegedetineerde [medegedetineerde], die erop neerkomen dat de aangever voordat hij door de recherche werd meegenomen niets mankeerde, maar toen hij terug kwam aangeslagen was, verwondingen vertoonde en vertelde dat hij door de recherche was mishandeld, terwijl er niets bekend is van een ongeluk of voorval waarbij de aangever in Bon Futuro betrokken zou zijn geweest. Gelet op de bevestiging die de aangifte in deze objectieve gegevens en verklaringen uit onverdachte hoek vindt, kan het Gerecht in het feit dat de aangifte en de latere verklaring van de aangever als getuige niet op alle punten consistent zijn geen reden vinden voor twijfel aan de betrouwbaarheid ervan, te meer niet waar de aangifte vrij summier is opgenomen en de getuigenverklaring pas ruim 2,5 jaar later is afgelegd. Op grond van dit alles acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de door de aangever beschreven mishandeling tijdens zijn verhoor inderdaad heeft plaatsgevonden en dat verdachte en zijn twee collega´s degenen zijn die zich daaraan hebben schuldig gemaakt.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de drie verdachten, en bij ontbreken van enige andere verklaring voor het door hen gebruikte geweld in deze situatie, kan het niet anders dan dat zij het doel hadden de aangever op deze wijze te bestraffen en vrees aan te jagen. Bewezen is dus ook dat verdachte en zijn mededaders met dat oogmerk hebben gehandeld.

6. Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 2 van de Uitvoeringslandsverordening folteringverdrag, strafbaar gesteld bij dat artikel juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Strafbaarheid

7.1 Rechtvaardigingsgronden

Feiten of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond zijn niet aannemelijk geworden. Het feit is strafbaar.

7.2 Schulduitsluitingsgronden

Feiten of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat sprake is van een schulduitsluitingsgrond zijn niet aannemelijk geworden. Verdachte is strafbaar.

8. Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, wordt de na te noemen beslissing passend geacht. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met twee collega-rechercheurs een aangehouden en in verzekering gestelde persoon tijdens zijn verhoor met een wapenstok afgeranseld en geschopt. Blijkens de medische verklaring heeft het slachtoffer hierdoor bloeduitstortingen op zijn hoofd, een gezwollen hand en diverse striemen op zijn rug, schouder en onderarm opgelopen. Het slachtoffer zal door dit optreden ook de nodige vrees zijn aangedaan. Even ernstig als de gevolgen voor dit slachtoffer, zijn de gevolgen van dit soort geweldsincidenten voor het vertrouwen in de politie in het algemeen. Van politieambtenaren wordt verwacht dat zij zich in de uitoefening van hun functie houden aan de wet en zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid voor personen die aan hun zorg zijn toevertrouwd; ook als het om burgers gaat die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd. Politiegeweld met de uitsluitende bedoeling een gearresteerde verdachte een lesje te leren, kan niet worden getolereerd. Op gedragingen in strijd met dit uitgangspunt dient mede uit een oogpunt van generale preventie te worden gereageerd met straffen waarvan een duidelijk waarschuwingssignaal uitgaat.

In het voordeel van verdachte houdt het Gerecht rekening met het feit dat hij niet eerder als verdachte met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder weegt in zijn voordeel mee dat hij een lange staat van dienst bij de politie heeft, bij hem aanvankelijk het vertrouwen is gewekt dat geen vervolging zou plaatsvinden ter zake van dit incident en met een disciplinaire afdoening zou worden volstaan, er ook feitelijk disciplinaire maatregelen tegen hem zijn toegepast (hij is naar de uniformdienst terug geplaatst), er inmiddels geruime tijd is verstreken en verdachte lange tijd onder de druk van deze vervolging heeft moeten leven (de zaak heeft lang geduurd, met name omdat het veel tijd gekost om de inmiddels naar Colombia uitgezette aangever te traceren en zijn nadere verhoor te realiseren, een omstandigheid waarvoor verdachte geen verantwoordelijkheid draagt).

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een na te melden straf passend en geboden is.

Bij de oplegging van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 17a, 17b, 17c en 96 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Gerecht:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Kwalificeert het bewezen verklaarde als vorenomschreven;

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

Beveelt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op drie (3) jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op een andere wijze heeft misdragen;

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van NAF. 3.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zestig (60) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, en ter openbare terechtzitting van voormeld Gerecht uitgesproken op 19 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.