Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2008:BG4802

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
11-08-2008
Datum publicatie
19-11-2008
Zaaknummer
EJ 2007/283 AR 2007/1069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een groep van 87 werknemers vordert van een groep werkgevers voor recht dat de Vakantieregeling en de Arbeidsregeling niet zijn nageleefd. Ten opzichte van twee bedrijven worden de werknemers niet ontvankelijk verklaard. Bij het CDM wordt uit een rapport van de Arbeidsinspectie duidelijk dat door in de steekproef vallende werknemers meer is gewerkt dan de maximaal toegestane uren en dat de rustdag niet werd gegeven. Met betrekking tot de Vakantieregeling is niet vast komen te staan of het beding tot toekennen van vakantie in tijd, in plaats van in geld is vernietigd, en kan niet worden tegengeworpen. Het Gea geeft werknemers deels ongelijk, en tegen CDM krijgen een aantal van de werknemers een deel van hun vordering toegewezen met betrekking tot de overschrijding van de arbeidsduur en het niet toekennen van de (verplichte) rustdag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0721
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking nummer:

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zittingplaats Curaçao

Beschikking in de zaak van

[naam eerste werknemer] en 86 anderen,

zoals genoemd in de aan deze beschikking gehechte lijst,

allen wonende op Curaçao,

verzoekers, verder ook: [werknemer c.s.]

gemachtigde: mr. Roque Koeijers,

tegen

1. Arak Construction en onderhoudsbedrijf,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 1, verder: Arak

gemachtigde mr. H.W. Braam,

2. Turbo seal & engeneering NV,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 2, verder: Turbo

gemachtigde mr. H.W. Braam,

3. de naamloze vennootschap Qusy NV,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 3, verder: Qusy,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

4. de naamloze vennootschap United Contractors Services NV,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 4, verder: United contractors,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

5. de naamloze vennootschap Jet Cleaning & General Contractors NV,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 5, verder: Jet Cleaning,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

6. de naamloze vennootschap Realpower General Contractors NV,

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 6, verder: Realpower,

gemachtigde: mr. O.A. Martina,

7. de naamloze vennootschap Pipecon NV

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 7, verder: Pipecon,

niet verschenen,

8. de naamloze vennootschap Curaçaose Dok Maatschappij NV

gevestigd op Curaçao,

verweerder sub 8, verder: CDM,

gemachtigde: mr. S.E. Thomson.

1 Het verdere procesverloop

Dat blijkt uit:

- het inleidende verzoekschrift met producties;

- de brief van de gemachtigde van verzoekers van 12 oktober 2007 met een productie;

- de pleitnota aan de zijde van verzoekers;

- de pleitnota aan de zijde van verweerders sub 1 en 2;

- de pleitnota aan de zijde van verweerders sub 3 tot en met 5;

- de pleitnota aan de zijde van verweerder sub 6;

- de pleitnota aan de zijde van verweerder sub 8;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling;

- de beschikking op het verzoek tot voeging van 1 november 2007;

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van de eis;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van verweerders sub 1 en 2;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van verweerders sub 3 tot en met 5;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van verweerder sub 6;

- de conclusie van dupliek aan de zijde van verweerder sub 8.

Voormelde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Beschikking is bepaald op heden.

2. Het geschil

Verzoekers vorderen, na wijziging van de eis,

“1. Te verklaren voor recht dat gerekwestreerden sub A (…), zich jegens verzoekers, (…) schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de Vakantieregeling 1949 en\of De Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en\of De Landsverordening Minimumlonen en\of De Arbeidsregeling 2000 en\of de desbetreffende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, zoals gewijzigd;

2. Te verklaren voor recht dat gerekwestreerde sub B zich jegens verzoekers (…) schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Vakantieregeling 1949 en\of De Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en\of De Landsverordening Minimumlonen en\of De Arbeidsregeling 2000 en\of de desbetreffende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, zoals gewijzigd, althans mede-aansprakelijk is jegens verzoekers (…), voor de voor verzoekers voortvloeiende schade uit de overtreding door de formele werkgever\-geefster van verzoekers van de Vakantieregeling 1949 en\ of De Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en\of De Landsverordening Minimumlonen en\of De Arbeidsregeling 2000 en\of de desbetreffende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, zoals gewijzigd;

3. Te verklaren voor recht dat verzoekers, (…) recht hadden en hebben op gelijke lonen en\of overige vergoedingen en\of arbeidsvoorwaarden overeenkomstig die welke worden toegekend en\of uitbetaald aan en\of gelden voor werknemers werkzaam bij gerekwestreerde sub B (bedoeld is: verweerder sub 8; FS) in een gelijke of gelijkwaardige functies vallende onder de Collectieve Arbeidsovereenkomst (C.A.O.) geldende voor het personeel werkzaam bij gerekwestreerde sub B, de inlener, conform artikel 6 van de “Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten” (P.B. 1996 no. 139): (…)”.

Verweerders hebben de vordering bestreden.

3. De beoordeling

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1

[werknemer]c.s. hebben in een eerdere procedure op 7 november 2006 een verzoekschrift ingediend bij dit gerecht, waarbij zij hebben gevorderd, kort weergegeven, te verklaren voor recht dat verzoekers in dienst zijn bij verweerders sub 1 tot en met 6 dan wel CDM.

Bij beschikking van 24 april 2007 (zaaknummer: EJ 2006/543) heeft dit gerecht voor recht verklaard dat [werknemer]c.s. in dienst zijn van verweerders sub 1 tot en met 6.

Daartoe is, kort weergegeven, overwogen dat verweerders sub 1 tot met 6 de formele werkgever zijn van [werknemer]c.s. en dat de formele werkgevers [werknemer]c.s. krachtens overeenkomst met CDM als arbeidskrachten ter beschikking stellen aan CDM. Aldus is CDM aan te merken als de materiële werkgever.

3.2

CDM heeft een Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) gesloten voor de duur van drie jaren, ingaande 1 december 2002 en derhalve eindigend op 30 november 2005.

Daarin is CDM aangeduid als werkgever en is in artikel 1 van de CAO bepaald dat onder werknemer wordt verstaan:

“het personeelslid dat ingevolge de individuele arbeidsovereenkomst in dienst van de werkgever is in een functie vermeld in Bijlage I (…)”.

Uit onderdeel 3 van de vordering leidt het gerecht af dat [werknemer]c.s. aan dat onderdeel van hun vordering ten grondslag leggen dat zij aanspraak hebben op arbeidsvoorwaarden die gelijk zijn aan de arbeidsvoorwaarden die gelden voor werknemers van CDM, welke aanspraak wordt ontleent aan artikel 6 van de Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Artikel 6 van de Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten regelt echter alleen in welke gevallen de houder van een vergunning tot het ter beschikking stellen van arbeidskrachten bevoegd is arbeidskrachten ter beschikking te stellen (lid 1) respectievelijk de maximale duur van de ter beschikking stelling (lid 2).

Kennelijk bedoelen [werknemer c.s.] artikel 6 van het Landsbesluit van 25 oktober 1996 (verder: het Landsbesluit) ter uitvoering van artikel 8 van de Landsverordening op het ter beschikkingstellen van arbeidskrachten (PB 1996, 139).

Daarin is het volgende bepaald:

“1. De houder van een vergunning kent aan ter beschikking gestelde arbeidskrachten lonen en overige vergoedingen toe overeenkomstig die welke worden toegekend aan werknemers, werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlenende onderneming.

2. Het eerste lid geldt niet, indien ten aanzien van de onderneming die de arbeidskrachten ter beschikking stelt een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, met betrekking tot de lonen en overige vergoedingen van de ter beschikking gestelde arbeidskrachten.

3. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien op de inlenende onderneming een collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is waarin bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van lonen en overige vergoedingen die betrekking hebben op de ter beschikking gestelde arbeidskrachten van de inlenende onderneming.”.

Het derde onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen. Voor zover dit onderdeel van de vordering ziet op “lonen en overige vergoedingen” als bedoeld in artikel 6 van het Landsbesluit, hebben verzoekers geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht aangezien het gevorderde reeds krachtens de wet geldt. Voor zover de vordering betrekking heeft op andere aanspraken dan “lonen en overige vergoedingen” – de gevorderde verklaring voor recht ziet ook op “arbeidsvoorwaarden overeenkomstig die welke worden toegekend en\of uitbetaald aan en\of gelden voor werknemers” - dient dit onderdeel van de vordering te worden afgewezen aangezien artikel 6 van het Landsbesluit die verplichting niet schept en die aanspraak evenmin voortvloeit uit algemene rechtsbeginselen. Dat blijkt reeds uit het tweede lid van artikel 6 van het Landsbesluit waarin het maken van een uitzondering bij een collectieve arbeidsovereenkomst wordt toegelaten.

In dit verband wordt voorts nog daargelaten dat [werknemer]c.s. niet hebben gesteld jegens wie zij deze aanspraak hebben (een of meer van de verweerders sub 1 tot en met 7 of CDM).

3.3

Met betrekking tot het antwoord op de vraag of verweerders sub 1 tot en met 7 (volgens [werknemer c.s.] houders van de vergunning tot het ter beschikking stellen van arbeidskrachten) en CDM jegens de ter beschikking gestelde arbeidkrachten hebben gehandeld in strijd met (a) de Vakantieregeling 1949, (b) de Landsverordening op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, (c) de Landsverordening minimumlonen en (d) de Arbeidsregeling 2000, wordt het volgende overwogen.

3.4

Kennelijk hebben [werknemer]c.s., die stellen als arbeidskracht door de gedaagden sub 1 tot en met 7 aan CDM ter beschikking te zijn gesteld als arbeidskracht, aan hun vordering ten grondslag gelegd het “eindrapport arbeidsinspectie C.D.M. 2007”, gedateerd 12 juli 2007, overgelegd als productie 1 bij de conclusie van repliek (verder: het rapport van de arbeidsinspectie).

3.5

Op pagina 4 van het rapport van de arbeidsinspectie is een “overzicht van geconstateerde overtredingen” opgenomen. Daaruit blijkt dat ten aanzien van “werknemers in dienst bij de locale subcontractor” geen overtreding van de Landsverordening minimumlonen is geconstateerd.

Nu [werknemer]c.s. overigens geen concrete feiten of omstandigheden hebben gesteld omtrent schending van verplichtingen krachtens de Landverordening Minimumlonen en de arbeidsinspectie geen overtreding heeft vastgesteld, is niet komen vast te staan dat gedaagden sub 1 tot en met 7 of CDM deze landsverordening niet zijn nagekomen, zodat dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen.

3.6.

[werknemer]c.s. hebben voorts gevorderd te verklaren voor recht dat gedaagden sub 1 tot en met 7 en CDM zich “schuldig” hebben gemaakt aan “overtreding” van de Vakantieregeling 1949.

Omtrent het antwoord op de vraag of verweerders jegens [werknemer]c.s de verplichtingen bij of krachten de Vakantieregeling 1949 niet zijn nagekomen, wordt het volgende overwogen.

[werknemer]c.s. hebben niet gesteld welke bepalingen van de Vakantieregeling 1949 door verweerders niet zijn nagekomen. Zij hebben evenmin gesteld bij welke bedrijven sprake is van deze tekortkoming, noch jegens welke van werknemers deze verplichtingen niet zijn nagekomen.

3.6.1.

Het gerecht begrijpt dat [werknemer]c.s. aan dit onderdeel van de vordering eveneens het rapport van de arbeidsinspectie ten grondslag leggen.

Op pagina 4 daarvan is in het “overzicht van geconstateerde overtredingen”, vastgelegd:

“Vakantie wordt uitbetaald in de vorm van opslag (door 3 bedrijven)”.

Voorts is op pagina 28 van dat rapport het volgende vastgelegd:

“Uit de kopieën van de salarisslips van de werknemers in de steekproef over de maanden december 2006, januari 2007 en februari 2007 zijn de volgende onregelmatigheden opgemaakt:

De vergoeding van vakantiedagen wordt in de vorm van opslag op het loon uitgekeerd door:

- Arak N.V.

- Qusy N.V.

- Turbo Seal & Engineering NV.

Bij de overige subcontractors is niet volledig duidelijk hoe er wordt omgegaan met vakantiedagen. Dit komt met name omdat alleen Helmich en Jet Cleaning contracten op schrift hebben. Uit de interviews blijkt dat iets meer dan de helft van de werknemers van de subcontractors zegt dat de vakantie wordt doorbetaald.”.

3.6.2.

Het gerecht leidt hieruit af dat [werknemer c.s.] het oog hebben op artikel 2 van de Vakantieregeling 1949 waarin is bepaald dat de werknemer ieder jaar aanspraak heeft op vakantie met behoud van loon (gedurende tenminste driemaal het bedongen aantal werkdagen per week dat hij tijdens de vakantie zou hebben gewerkt, met dien verstande dat de werknemer voor wie een zesdaagse werkweek geldt aanspraak heeft op vakantie van tenminste 15 werkdagen).

In artikel 12 van de Vakantieregeling 1949 is bepaald dat het de werkgever verboden is de werknemer gedurende diens vakantie werkzaamheden te laten verrichten.

In artikel 16, eerste lid, van de Vakantieregeling 1949 is geregeld dat slechts ten voordele van de werknemer mag worden afgeweken van hetgeen in de Vakantieregeling 1949 is bepaald.

3.6.3.

Het antwoord op de vraag of betaling in geld van (niet genoten) vakantiedagen (of –uren) een afwijking ten voordele van de werknemer is, luidt ontkennend omdat dit in strijd is met de bedoeling van de regeling, te weten recuperatie van de werknemer. Het is de werkgever dan ook niet toegestaan de minimumvakantieaanspraak af te kopen tegen schadevergoeding (al dan niet gelijk aan het loon over de opgebouwde vakantiedagen).

3.6.4.

Zo’n beding is echter niet nietig, maar vernietigbaar. Dat blijkt uit het tweede lid van artikel 16 van de Vakantieregeling 1949 waarin is bepaald welk beding nietig is. Daartoe behoort niet het beding waarbij de minimumvakantieaanspraak van artikel 2 van de Vakantieregeling 1949 wordt afgekocht tegen vergoeding in geld.

Dat [werknemer]c.s. een zodanig beding buiten rechte hebben vernietigd als bedoel in de artikelen 3:49 en 3:50 BW is gesteld, noch gebleken. Evenmin is door (een der) verzoekers in rechte vernietiging van vorenbedoeld beding gevorderd.

Nu niet komen vast te staan dat het (impliciet of expliciet overeengekomen) beding tot het toekennen van vakantie in tijd, in plaats van in geld, is vernietigd kan het feit dat verweerders sub 1 tot en met 7 of CDM de verplichting als bedoeld in artikel 2 van de Vakantieregeling 1949, niet zijn nagekomen, hen niet worden tegengeworpen.

3.6.5.

Voor dit oordeel is temeer reden nu [werknemer]c.s. niet hebben gesteld ten aanzien van welke verzoekers de vakantie(uren) – in strijd met de Vakantieregeling 1949 - werden uitbetaald in de vorm van een opslag. Op grond van het rapport van de arbeidsinspectie staat niet vast dat bij alle werknemers van Arak NV, Qusy NV en Turbo Seal & Engeneering NV bedongen is, dat de vakantie niet in tijd, maar in geld wordt toegekend aangezien uit het rapport van de arbeidsinspectie blijkt, dat niet alle ter beschikking gestelde arbeidskrachten in het onderzoek zijn betrokken, maar een steekproef daarvan (in dit geval 25%).

3.6.6.

Derhalve dient de vordering, voor zover deze er toe strekt te verklaren voor recht dat verweerders de verplichtingen op grond van de Vakantieregeling 1949 niet zijn nagekomen, te worden afgewezen.

3.7.

Omtrent de gevorderde verklaring voor recht dat verweerders de Arbeidsregeling 2000 niet zijn nagekomen wordt overwogen als volgt.

In artikel 2 van de Arbeidsregeling 2000 is bepaald dat als werkgever wordt aangemerkt:

“de werkgever, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, met uitzondering van degene die beroepsmatig arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in de Landsverordening op het ter beschikking stellen arbeidskrachten, doch met inbegrip van degene aan wie arbeidskrachten ter beschikking worden gesteld als bedoeld in die landsverordening.”.

3.7.1.

Volgens [werknemer c.s.] zijn de verweerders sub 1 tot en met 7 werkgevers die krachtens vergunning verzoekers aan CDM ter beschikking stellen als arbeidskrachten.

Reeds hierom zijn de bepalingen bij en krachtens de Arbeidsregeling 2000 gesteld, niet van toepassing op verweerders sub 1 tot en met 7.

Voor zover de vordering er toe strekt te verklaren voor recht dat verweerders sub 1 tot en met 7 de verplichtingen op grond van de Arbeidsregeling 2000 niet zijn nagekomen, dient dat onderdeel van de vordering derhalve te worden afgewezen.

3.7.2.

Voor zover gevorderd is te verklaren voor recht dat CDM de Arbeidsregeling 2000 niet is nagekomen jegens [werknemer]c.s wordt het volgende overwogen.

[werknemer c.s.] hebben niet gesteld welke bepalingen van de Arbeidsregeling 2000 niet zijn nagekomen door CDM.

3.7.3.

Het gerecht neemt aan dat [werknemer]c.s. ook met betrekking tot dit onderdeel van de vordering het rapport van de arbeidsinspectie ten grondslag heeft gelegd. Op pagina 30 is vastgelegd dat de bevindingen van de arbeidsinspectie aangaande de urenanalyse betrekking hebben op het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 25 februari 2007.

Met betrekking tot de Arbeidsregeling 2000 zijn in het rapport van de arbeidsinspectie op pagina 4 de volgende “overtredingen” vastgelegd:

“- meer gewerkt dan de maximaal toegestane 11 uur/dag.

- Meer uren gewerkt dan 240/4 weken.

- geen rustdag.

- Niet in alle gevallen goedgekeurde arbeidslijsten aanwezig.”.

Voorts is op pagina 32 opgemerkt:

“4.2.3.3. Arbeidsregeling 2000

1. In 1 op de 7 dagen wordt meer dan de maximaal toegestane 11 uur gewerkt. Circa 85% van de werknemers van de lokale subcontractors is hiervoor verantwoordelijk. Het gemiddeld aantal maximale uren per dag bedraagt 13,43. Het hoogst gemeten aantal uren op een dag bedroeg maar liefst 21,05.

2. In de eerste 4 weken werd door 19% van de werknemers meer gewerkt dan de maximaal afgesproken 240 uur. In de tweede periode van 4 weken was dit percentage 16%.

3. In 37% van alle door de werknemers van de lokale subcontractors gewerkte weken werd geen rustdag verleend.

4. Niet in alle gevallen zijn goedgekeurde arbeidslijsten aanwezig.”.

3.7.4.

Gelet op het vorenstaande neemt het gerecht aan dat [werknemer]c.s. het oog hebben op artikel 9, lid 1, sub b van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de rusdag), artikel 14, in samenhang met artikel 26, lid 2, van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de arbeidsduur inclusief overwerk bij een vol-continubedrijf) en artikel 28 van de van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de arbeidslijsten).

3.7.5.

De arbeidinspectie heeft in haar hiervoor gedeeltelijk aangehaalde rapportage (op pagina 30 en 31) te kennen gegeven, te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van 1 januari tot en met 25 februari 2007 bij de feitelijke werkgeefster CDM door een aantal van de in de steekproef vallende werknemers, meer is gewerkt dan de maximaal toegestane elf uren per dag respectievelijk 240 uren per vier weken en dat geen rustdag is genoten. In het bijzonder is daarover gerapporteerd:

“Nadere analyse leert dat er van de 31 werknemers van de lokale subcontractors 26 zijn die in de eerste twee maanden een of meerdere dagen hebben gedraaid van meer dan 11 uur. Dit is 84%. Volgens de interviews zegt 88% van de werknemers van de lokale subcontractors wel eens meer dan 11 uur per dag te werken.

In de eerste 4 weken van de genoemde periode waren er 6 werknemers van de lokale subcontractors die meer dan 240 uur hebben gewerkt. Dat is 19% van de gevallen. In de tweede periode van 4 weken was dit 16% van de werknemers.

Er zijn 92 weken geteld waarin geen rustdag is opgenomen. Geen rustdag in een werkweek is niet toegestaan. Toch kwam dit in 37% van de gewerkte weken voor. Alle geïnterviewden werknemers geven aan dat zij wel eens 7 dagen per week werken. Het niet verlenen van een rustdag is dus niet uitzonderlijk en komt structureel voor.”.

3.7.6.

CDM heeft de bevindingen van de arbeidsinspectie niet gemotiveerd betwist zodat deze vast staan.

3.7.7.

Gelet op de vaststaande overschrijding van de wettelijke grenzen van de arbeidstijden dient voor recht te worden verklaard dat CDM in het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 25 februari 2007 haar verplichting krachtens artikel 9 lid 1, sub b van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de rustdag), en artikel 14 juncto artikel 26 lid 2 van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de arbeidsduur inclusief overwerk bij een vol-continu bedrijf) niet is nagekomen ten aanzien van een of meer verzoekers.

3.7.8.

[werknemer]c.s. hebben bij de gevorderde verklaring voor recht voldoende belang aangezien het in het belang van alle aan CDM ter beschikking gestelde werknemers is, dat CDM haar verplichtingen bij en krachtens de Arbeidsregeling 2000 gesteld, nakomt. Blijkens de memorie van toelichting (Staten van de Nederlandse Antillen, zittingjaar 1999 – 2000, nr. 3, pag 1) wordt met de Arbeidsregeling 2000 een balans beoogd “tussen flexibiliteit enerzijds en de waarborging van het welzijn en de gezondheid van de werknemer anderzijds”.

3.7.9.

Wat betreft de arbeidslijst heeft de arbeidsinspectie op pagina 29 van haar rapportage vastgelegd, dat de arbeidslijst is overgelegd en in orde bevonden door de “subcontractors” met uitzondering van verweerders sub 5 en 7.

Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de arbeidsinspectie de bepalingen omtrent de administratieve verplichtingen (van met name artikel 28) bij de formele werkgever legt, terwijl op grond van artikel 2 van de Arbeidsregeling 2000 de feitelijke werkgever (in dit geval CDM) tot nakoming van deze bepalingen verplicht is.

3.7.10.

Wat daar ook van zij, nu de arbeidslijsten van werknemers die bij de verweerders sub 5 en 7 in dienst waren niet zijn overgelegd aan de arbeidsinspectie (hoewel CDM daartoe op grond van artikel 28, lid 2 van de Arbeidsregeling 2000 wel verplicht was omdat de werknemers schemawerk verrichten als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub b van de Arbeidsregeling 2000) en CDM niet (deugdelijk onderbouwt) heeft gesteld haar administratieve verplichting op dit punt wel te zijn nagekomen, moet het er ten processe voor worden gehouden dat CDM artikel 28 van de Arbeidsregeling 2000 in het tijdvak van 1 januari en 25 februari 2007 niet heeft nageleefd, voor zover het door Jet Cleaning & General Contractors NV en Pipecon NV aan CDM ter beschikking gestelde arbeidskrachten betreft.

De gevorderde verklaring voor recht, voor zover hierop betrekking, dient op na te melden wijze eveneens te worden toegewezen.

3.8.

Nu het sub 2 primair gevorderde op na te melden wijze wordt toegewezen, komt het gerecht aan een beoordeling van het sub 2, subsidiair gevorderde niet meer toe.

3.9.

Uit het vorenoverwogene vloeit verder voort, dat de stelling van CDM dat [werknemer]c.s niet ontvankelijk verklaard dienen te worden omdat de vordering niet voldoende concreet is, niet wordt onderschreven.

3.10.

Verweerder sub 1, “Arak Construction en Onderhouds bedrijf”, heeft aangevoerd dat dit een handelsnaam betreft en dat de onderneming die deze handelsnaam voert toebehoort aan E.N. de Palm.

Uit het uittreksel uit het handelsregister dat zijdens Arak is overgelegd bij de conclusie van antwoord blijkt de juistheid van deze stelling, die verzoekers overigens ook niet hebben weersproken.

Nu niet de natuurlijke persoon De Palm in rechte is betrokken dienen verzoekers ten aanzien van verweerder sub 1 niet ontvankelijk verklaard te worden.

Weliswaar hebben verzoekers verzocht “Arak NV te vervangen door Ruska NV hodn Arak”, maar nu de naamloze vennootschap Ruska NV niet in rechte is betrokken, kan Ruska NV ten processe niet in de plaats van E.N. de Palm worden gesteld. Verzoekers hebben Ruska NV ook niet ten processe – zelfs niet onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de conclusie van repliek is genomen - opgeroepen om in deze procedure te verschijnen en verweer te voeren.

3.11.

De naamloze vennootschap Qusy Techniek NV heeft aangevoerd dat [werknemer]c.s. niet ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vordering jegens verweerder sub sub 3, de naamloze vennootschap Qusy NV, althans dat die vordering dient te worden afgewezen jegens Qusy NV aangezien “Qusy Techniek NV (…) een niet actieve vennootschap is”. Dit standpunt wordt niet onderschreven omdat niet Qusy Techniek NV in rechte is betrokken maar Qusy NV.

3.12.

Qusy heeft verder gesteld dat negen personen die als verzoekers op de lijst, overgelegd bij het inleidende verzoekschrift, staan als werknemers in dienst bij Qusy, niet bij haar in dienst zijn en – naar het gerecht begrijpt – geen aan CDM door Qusy ter beschikking gestelde arbeidskrachten zijn.

Dit betreft de werknemers [namen 9 werknemers].

Zijdens verzoekers is dat bij de conclusie van repliek niet weersproken, zodat dit vaststaat.

Mitsdien dient de vordering voor zover deze betrekking heeft op van [namen 9 werknemers] ook op vorenstaande grond te worden afgewezen.

3.13.

Verweerder sub 4, de naamloze vennootschap United Contractor Services NV, heeft gesteld dat niet bij haar in dienst zijn de verzoekers [namen 3 werknemers].

Zijdens verzoekers is dat evenmin weersproken zodat dit vaststaat.

Nu niet vaststaat dat voornoemde drie werknemers aan CDM ter beschikking zijn gesteld door United Contractor Services NV dient de vordering van [namen 3 werknemers] eveneens te worden afgewezen.

3.14.

Tegen de niet verschenen verweerder sub 7, de naamloze vennootschap Pipecon NV, wordt geen verstek verleend aangezien het door de griffier aan het adres [adres] en [adres] toegezonden verzoekschrift met bijlagen op 30 augustus 2007 als onbestelbaar retour werd ontvangen. In het eerste geval omdat de geadresseerde is verhuisd en in het tweede geval omdat het adres onvolledig is. Aangezien het verzoekschrift op 27 juli 2007 ter griffie is ontvangen, maar de aan de griffier door verzoekers ter beschikking gestelde uittreksels uit het handelsregisters de stand van zaken van 6 augustus 2006 weergeven, kan niet worden uitgesloten dat Pipecon NV op de datum van indiening van het verzoekschrift (bijna een jaar later) naar een anders adres is verhuisd.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

4. De kosten

[werknemer c.s.] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure voor zover aan de zijde van de verweerders sub 1 tot en met 7 te worden verwezen.

CDM dient op na te melden wijze als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van verzoekers gevallen, te worden verwezen.

5. De beslissing

Het gerecht:

a.

weigert het gevraagde verstek tegen Pipecon NV;

b.

verklaart [werknemer c.s.] niet ontvankelijk in hun vordering jegens Arak Construction en Onderhouds Bedrijf;

c.

verklaart voor recht dat CDM in het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 25 februari 2007 artikel 9, lid 1, sub b (betreffende de rusdag) en artikel 14, in samenhang met artikel 26, lid 2, (betreffende de arbeidsduur inclusief overwerk bij een vol-continu bedrijf) van de Arbeidsregeling 2000 niet is nagekomen ten aanzien van een of meer verzoekers, voor zover zij aan CDM als arbeidskracht ter beschikking waren gesteld;

d.

verklaart voor recht dat CDM artikel 28 van de Arbeidsregeling 2000 (betreffende de arbeidslijsten) niet is nagekomen in het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 25 februari 2007 voor zover het door Jet Cleaning & General Contractors NV en Pipecon NV aan CDM ter beschikking gestelde arbeidskrachten betreft;

e.

veroordeelt [werknemer]c.s. in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van verweerders sub 1 tot en met 7 gevallen en tot op heden begroot op NAf 1.800,-;

f.

veroordeelt CDM in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van [werknemer]c.s. (met uitzondering van de verzoekers [namen 11 verzoekers]) gevallen en tot op heden begroot op NAf 1.800,-.

g.

verklaart deze beschikking onder d. en e. uitvoerbaar bij voorraad.

h.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2008.