Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2008:BG3700

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
176 HLAR 04/07
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen.

Onder de omstandigheden dat de ongewenstverklaring van appellant voortduurde en het verlenen van een verblijfsvergunning in de weg stond, kon zijn beroep niet leiden tot zijn toelating, zodat hij daarbij geen belang had.

Aangevallen uitspraak vernietigd en beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

176 HLAR 04/07

Datum uitspraak: 4 juni 2007

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend op Sint Maarten,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 20 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 28 juli 2005 heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Sint Maarten (hierna: de Gezaghebber) namens de Minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Bij beschikking van 22 november 2005 heeft de Gezaghebber namens de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2006 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: het Gerecht), het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat een nieuwe beslissing op het gemaakte bezwaar wordt genomen met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij beschikking van 11 juli 2006 heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2006 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij het Hof ingekomen op 31 januari 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 19 februari 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. B.G. Hofman, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de LTU) wordt – behoudens wettelijke uitzonderingen – niemand in de Nederlandse Antillen toegelaten, zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b, kan de Gezaghebber personen, die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen en personen, die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen verwijderen.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Toelatingsbesluit kan door of namens de minister aan toeristen, die als ongewenst worden beschouwd, de binnenkomst worden geweigerd of een langer verblijf in de Nederlandse Antillen worden ontzegd.

2.3. Bij beschikking van 9 september 2005 heeft de Gezaghebber de verwijdering van appellant gelast en hem voorts voor drie jaar de binnenkomst tot de Nederlandse Antillen ontzegd (hierna: de ongewenstverklaring).

Bij uitspraak van 12 december 2005 heeft het Gerecht, voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend, zodat de ongewenstverklaring in rechte onaantastbaar is geworden.

2.4. Eerst wanneer de ongewenstverklaring van een vreemdeling afloopt, is vernietigd of ingetrokken, dan wel opgeheven, heeft deze belang bij beroep tegen een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf, dan wel intrekking van zodanige vergunning. Teneinde deze toetsing op dat moment mogelijk te maken, ook indien een beschikking omtrent voormelde aanvraag of intrekking inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden, kan de desbetreffende vreemdeling de minister alsdan verzoeken om van de weigering of intrekking van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf terug te komen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening of verlenging van zodanige vergunning indienen, waarbij het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male door de rechter kan worden getoetst niet aan toetsing van de daarop te nemen beslissing in de weg staat.

2.5. De ongewenstverklaring van appellant duurde ten tijde hier van belang voort en stond aldus aan het verlenen van een verblijfsvergunning, als verzocht, in de weg. Het beroep van appellant tegen de beschikking van 11 juli 2006 kon onder die omstandigheden niet leiden tot zijn toelating. Appellant had daarbij derhalve geen belang. Het Gerecht heeft het ten onrechte niet om die reden niet-ontvankelijk verklaard.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, zal het Hof het beroep van appellant tegen de beschikking van 11 juli 2006 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, van 20 december 2006 in zaak no. Lar 2006/91;

III. verklaart het bij het Gerecht in die zaak ingestelde beroep tegen de beschikking van de Minister van Justitie van 11 juli 2006 niet-ontvankelijk;

IV. gelast dat het Land de Nederlandse Antillen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAF. 300,00 (zegge: driehonderd gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Martinez, griffier.

w.g. Ter Berg

Voorzitter

w.g. Martinez

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,