Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2008:BE8654

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
EJ 2007 / 440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer blijft na 2 jaarcontracten doorwerken na verloop van tijdelijk contract. Na bijna twee maanden volgt ontslag met onmiddellijke ingang. Uit contract blijkt dat boek 7A van toepassing is en daardoor contract wederom voor jaar is aangegaan. Opzeggen kan tegen elke dag, opzegtermijn bedraagt 1 maand (volgens wet en contract). Beroep van Land op uitspraak AR 1571/04; H310/05 faalt. Arbeidsovereenkomst 'van dag tot dag', die elke dag kan worden beëindigd zonder opzegtermijn, zonder dat dringende reden noodzakelijk is, kan als variant niet als juist worden aanvaard. Deze sluit niet aan bij de wel in de wet geregelde gevallen en moet in strijd worden geacht met het min of meer gesloten systeem van het ontslagrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: EJ 2007 / 440

Datum uitspraak: 7 januari 2008

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

Zittingplaats Curaçao

Beschikking in de zaak van

[naam verzoeker],

wonende op Curaçao,

verzoeker, verder te noemen [verzoeker]

tegen

de openbare rechtspersoon de Nederlandse Antillen,

gevestigd te Curaçao,

verweerster, verder: het Land

gemachtigde: mr. D.A. Piar.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit:

a. het verzoekschrift met producties;

b. het verweerschrift met producties;

c. de pleitnota aan de zijde van [verzoeker];

d. de pleitnota uit de zijde van het Land.

Voormelde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 december 2007, welke mondelinge behandeling is voortgezet op 6 december 2007. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

2. Het geschil

[verzoeker] vordert het Land te veroordelen “om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser het overeengekomen salaris en emolumenten vanaf mei 2007 te betalen en te blijven betalen tot 1 maart 2008 (…)”.

Het Land heeft de vordering bestreden.

3. De beoordeling

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

Bij Landsbesluit van 19 maart 2005 heeft de gouverneur van de Nederlandse Antillen (op voordracht van de minister van Justitie) goedgevonden en de minister van Justitie gemachtigd om namens het Land “rechtshandelingen te stellen in het kader van de totstandkoming van concept-arbeidsovereenkomsten met (…) [verzoeker] (…), een en ander conform de aan dit besluit gehechte concept arbeidsovereenkomsten.”.

Partijen hebben vervolgens een op 1 augustus 2005 gedateerde overeenkomst gesloten waarbij onder meer het volgende is vastgelegd:

“De minister van Justitie (…) als zodanig vertegenwoordigende Rechtspersoon de Nederlandse Antillen, partij ter ene zijde, hierna te noemen werkgever,

en

de heer [verzoeker] (…), partij ter andere zijde, hierna te noemen werknemer, zijn overeengekomen de volgende arbeidsovereenkomst naar burgerlijk rechtaan te gaan:

Artikel 1

De werkgever neemt de werknemer in dienst om gerekend te zijn ingegaan 1 maart 2005 tot 1 maart 2006 ten einde ondersteuning te verlenen in het wegwerken van achterstanden op rechtspositioneel gebied binnen de justitiële keten ten behoeve van, de Minister van Justitie, tegen een loon naar reden van f.5015,-- (…) per maand.

(…)

Artikel 4

Partijen behouden zich het recht voor de overeenkomst te allen tijde op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. (…)”.

Bij Landsbesluit van 22 februari 2006 is goedgevonden de “aangegane arbeidsovereenkomst, met ingang van 1 maart 2006 voor de duur van 1 jaar te verlengen”.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft de directeur van de directie personeel, organisatie & ICT aan de minister van constitutionele en binnenlandse zaken onder meer het volgende medegedeeld:

“Gezien de toename van aantal rechtszaken in de justitiële keten, waarbij mijn directie als procesgemachtigde met capaciteittekort kwam te zitten, werd dezerzijds een beroep gedaan op assistentie middels inschakeling van de heer [verzoeker].

Vorenbedoelde arbeidsovereenkomst is per 1 maart j.l. verlopen en ben ik genoodzaakt om u te benaderen met het verzoek om bij wijze van hoge uitzondering een verlenging te overwegen met maximaal een jaar (…).

Reden van het voorstel is gelegen in het feit dat de heer [verzoeker], voornoemd, een goede aanwinst is gebleken en in de voorbereidingsfase van de te voeren rechtszaken is zijn inzet in dit stadium niet te ontberen. (…)”.

Bij brief van 25 april 2007 heeft de minister van constitutionele en binnenlandse zaken aan de directie personeel, organisatie en ICT onder meer het volgende medegedeeld:

“Bij besluit van de Raad van Ministers d.d 25 april 2007 (…) heeft de Raad met betrekking tot uw advies inzake de rechtspositie van de heer [verzoeker] ingestemd met het volgende:

a. Om de heer [verzoeker] uit te betalen voor verrichte werkzaamheden in de maanden maart en april 2007.

b. Om betrokkene te berichten dat hij met onmiddellijke ingang dient te stoppen met zijn werkzaamheden bij de directie Personeel, Organisatie & ICT, aangezien de regering niet langer voornemens is de met hem aangegane arbeidsovereenkomst langer te verlengen.

Ik verzoek u dringend zorg te dragen voor de uitvoering van de raadsbeslissing en de heer [verzoeker] te berichten dat zijn werkzaamheden met onmiddellijke ingang worden stopgezet.”.

Bij brief van 3 mei 2007 aan het Land heeft [verzoeker], kort weergegeven, te kennen gegeven niet in te stemmen met ontslag.

Laatstelijk was [verzoeker] werkzaam tegen een loon van NAf 5.247,- bruto per maand.

[verzoeker] heeft, naast vorenstaande, aan zijn vordering ten grondslag gelegd

- dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in het belang van de dienst is;

- dat hij “in alle redelijkheid het vertrouwen en de verwachting op dat de arbeidsovereenkomst met nog één jaar zou worden verlengd”;

- dat “de beslissing van de Raad van Ministers werd genomen zonder opgave van enige reden noch opzeggingstermijn” (…) zulks in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel (…)”.

Daartegen heeft het Land, kort weergegeven, aangevoerd dat uit de brieven van de directie personeel, organisatie & ICT blijkt dat de directeur ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd zodat geen vertrouwen gewekt is dat de overeenkomst werd verlengd. Voorts heeft het Land aangevoerd dat een machtiging tot verlenging van de arbeidsovereenkomst, waartoe een besluit van de ministerraad vereist is, ontbreekt, zodat verlenging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met regels van formele besluitvorming. Verder heeft het Land er op gewezen dat titel zeven van boek 7A van het burgerlijk wetboek (BW) - betreffende de arbeidsovereenkomst - op grond van artikel 7A:1613x BW niet van toepassing is op de overeenkomst van partijen en heeft zij verwezen naar het vonnis van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 7 maart 2006 (inzake Daal).

Blijkens onderdeel 6 van zijn pleitnota gaat [verzoeker] er kennelijk van uit dat de bepalingen van het BW omtrent de arbeidsovereenkomst op de overeenkomst van partijen van toepassing zijn verklaard.

Omtrent het antwoord op de vraag of titel zeven A van boek 7A BW van toepassing is verklaard op de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] wordt overwogen als volgt.

In artikel 7A: 1613x BW is vastgelegd, dat de bepalingen van titel zeven A van boek 7A BW niet van toepassing zijn ”ten aanzien van personen in dienst van de overheid, tenware zij, hetzij vóór of bij de aanvang der dienstbetrekking door of namens partijen hetzij bij algemene verordening van toepassing zijn verklaard. Indien zij wel van toepassing zijn verklaard worde de overheid ten aanzien dier bepalingen als de werkgever beschouwd.”.

Het wettelijk systeem is mitsdien dat indien partijen omtrent de toepasselijkheid van het burgerlijk recht zwijgen, de bepalingen van het BW inzake de arbeidsovereenkomst niet van toepassing zijn. In dit geval hebben partijen echter – in tegendeel – vastgelegd dat zij een arbeidsovereenkomst wensen aan te gaan “naar burgerlijk recht”. Klaarblijkelijk hebben partijen beoogd de bepalingen van de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van toepassing te verklaren, zodat titel zeven A van boek 7A BW van toepassing is. Voor dit oordeel is temeer reden nu in die overeenkomst verder is verklaard dat de akte waarbij de overeenkomst is vastgelegd vrij van zegel is ”krachtens art. 1613w. van het Burgerlijk Wetboek (…)” en de overheid in de overeenkomst als werkgever wordt aangeduid overeenkomstig de laatste volzin van artikel 7A:1613x BW.

Tot de zevende titel A van boek 7A BW behoort artikel 7A:1615f BW. Daarvan luidt het eerste lid als volgt:

“Indien de dienstbetrekking na het verstrijken van de tijd, in het eerste lid van het voorgaande artikel omschreven, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.”.

Tussen partijen is niet in geschil, en mitsdien staat vast, dat [verzoeker] op en na 1 maart 2007 zijn arbeid heeft voortgezet.

Weliswaar heeft het Land aangevoerd dat het [verzoeker] bekend was dat goedkeuring vereist was voor verlenging en dat die goedkeuring ontbrak alsmede dat in de - hiervoor gedeeltelijk aangehaalde - brief van de directeur van de directie personeel, organisatie & ICT van 5 maart 2007 aan de minister wordt geconstateerd dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2007 “is verlopen”, maar daaruit kan geenszins “tegenspraak” in de zin van artikel 7A:1615f BW worden afgeleid. Uit de hiervoor gedeeltelijk aangehaalde brief van de directeur van de directie personeel, organisatie & ICT blijkt – in tegendeel - dat deze voortzetting van de arbeidsovereenkomst voorstond en dat [verzoeker] op en na 1 maart 2007 met instemming van zijn directeur zijn arbeid ook daadwerkelijk heeft voortgezet.

Derhalve moet de arbeidsovereenkomst van partijen worden geacht overeenkomstig artikel 7A: 1615f BW te zijn voortgezet voor dezelfde tijd (één jaar) op dezelfde voorwaarden.

Omtrent het antwoord op de vraag of het Land bevoegd was de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen, wordt het volgende overwogen.

In artikel 7A:1615e, lid 3, BW is bepaald dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts tussentijds kan worden opgezegd indien dat recht schriftelijk is overeengekomen.

Tot de voorwaarden waarop de arbeidsovereenkomst is aangegaan behoort het - hiervoor aangehaalde - opzegbeding van artikel 4.

Krachtens dat beding is het Land als werkgeefster bevoegd de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op te zeggen.

Anders dan [verzoeker] meent eist de wet niet dat van deze bevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt indien sprake is van een dringende reden voor ontslag.

Het Land heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd bij brief van 25 april 2007.

Opzegging kan geschieden tegen elke dag (artikel 7A:1615h BW). De opzegtermijn bedraagt zowel krachtens de wet als krachtens de overeenkomst één maand.

Gelet hierop is de arbeidsovereenkomst van partijen door opzegging geëindigd met ingang van 25 mei 2007.

Derhalve dient het loon te worden toegewezen over het tijdvak van 1 mei 2007 tot en met 24 mei 2007. Het loon over dit tijdvak bedraagt (18/23 x NAf 5.247,- =) NAf 4.106,34 bruto.

Weliswaar heeft [verzoeker] ook betaling gevorderd van “emolumenten” vanaf mei 2007, maar nu hij dit onderdeel van de vordering niet heeft gespecificeerd en “emolumenten” evenmin uit de arbeidsovereenkomst blijken, wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen.

Het beroep van het Land op het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 7 maart 2006 (AR 1571/04; H-310/05) leidt niet tot een ander oordeel. In het vonnis heeft het Hof - kort weergegeven - overwogen dat zelfs indien de arbeidsovereenkomst van de betreffende werknemer [naam werknemer] zonder tegenspraak is voortgezet deze werknemer er niet op mocht vertrouwen ”dat het Land (expliciet noch stilzwijgend) tot stilzwijgende verlenging van haar dienstverband had besloten anders dan van dag tot dag.”.

Het in afdeling vijf van titel 7 A van boek 7A BW neergelegde ontslagrecht vormt een min of meer gesloten systeem (HR 1 februari 2002, LJN: AD6100, r.o. 3.7). In deze afdeling is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn uitdrukkelijk geregeld in de artikelen 7A: 1615o tot en met 7A:1615q BW. Door een arbeidsovereenkomst aan te nemen die van dag tot dag voortduurt, derhalve elke dag kan worden beëindigd zonder inachtneming van een opzegtermijn, terwijl van een dringende reden voor ontslag geen sprake is, wordt een opzegmogelijkheid gecreëerd die de wet niet kent. Deze wijze van beëindiging sluit niet aan bij de wel in de wet geregelde gevallen, zodat deze wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet worden geacht in strijd te zijn met het min of meer gesloten systeem van ontslagrecht en daarom niet kan worden aanvaard.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

4. De kosten

Aangezien beide partijen deels in het ongelijk gesteld zijn, dienen de kosten deze procedure te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

Het gerecht:

- veroordeelt het Land aan [verzoeker] te betalen een bedrag van NAf 4.106,34 bruto ter zake van loon;

- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2008.