Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2008:BD9190

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
04-08-2008
Zaaknummer
KG 2008/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot rectificatie ontrechtmatige uitlating in dagblad Amigoe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: KG 2008/17

Vonnisdatum: 13 februari 2008

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

Zittingplaats Curaçao

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiser],

wonende op Curaçao,

eiser, verder: [eiser],

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en J.G.J. Schelling

tegen:

[gedaagde],

wonende op Curaçao,

gedaagde, verder: [gedaagde],

gemachtigden: mrs. P. van de Laarschot en G.L. Daal.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit:

- het inleidende verzoekschrift met producties;

- de brief met bijlagen van mr. Van de Laarschot aan het gerecht van 28 januari 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Schelling aan het gerecht van 30 januari 2008;

- de brief met bijlagen van mr. Van de Laarschot aan het gerecht van 30 januari 2008.

[eiser] heeft op 15 januari 2008 het verzoekschrift met producties ingediend dat op 19 januari 2008 aan [gedaagde] is betekend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008, bij welke gelegenheid [eiser] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden en waar [gedaagde] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden.

Partijen hebben aan de hand van een pleitnota hun standpunten toegelicht. Na re- en dupliek is de uitspraak bepaald op heden.

2. Het geschil

[eiser] vordert, op straffe van verbeurte van een dwangsom, [gedaagde] te veroordelen tot rectificatie zoals hierna omschreven.

[gedaagde] heeft de vordering betwist.

3. De beoordeling

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

[gedaagde] is ondernemer te Curaçao.

[gedaagde] heeft het Nederlandstalige dagblad Amigoe een brief ter publicatie aangeboden. Deze brief is als ingezonden brief op 8 januari 2008 gepubliceerd.

De inhoud daarvan luidt onder meer als volgt.

“Je kunt nu niet alle politici over een kam scheren. Maar dat wij boeven in ons regeerapparaat hebben, staat vast als een blok! Kijk nu eens naar [eiser]. Een man die veroordeeld is voor corruptie, en gewoon weer in de regering zit. Hij zou en moest [persoon] bij Selikor op de loonlijst hebben. Dit omdat hij veel verkiezingsgeld heeft gekregen van de aangetrouwde familie van [persoon]. Tegenprestatie noemt men dit! En nu weer Fontein. Daar wordt grond aangeboden, die veel te duur is voor volkswoningbouw. [eiser] drukt met alle macht door. Logisch, de heren die achter de verkoop van Fontein zitten, staan ook bekend als boeven. [eiser] krijgt natuurlijk weer een hoop geld toegeschoven van deze groep! En dan onze fraai gekleurde nummerborden. Alles oranje wat de klok slaat. [eiser] als gedeputeerde van DOW, waar wegen en verkeer onder vallen, heeft natuurlijk een grote vinger gehad in de samenstelling van deze nieuwe nummerplaten.”.

[eiser] is leider van de politieke partij FOL.

[eiser] is door het Gemeenschappelijke Hof van justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba bij vonnis van 22 december 2003 veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, wegens:

a. het medeplegen van als ambtenaar een gift of belofte aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

b. het medeplegen van valsheid in geschrifte en

c. het uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld voordeel trekken, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld door misdrijf is verkregen, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

[eiser] was in die periode in het bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao gedeputeerde van, onder meer, Bureau Domeinbeheer, de Dienst Openbare Werken en de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting.

Dit vonnis is onherroepelijk geworden en de veroordeling is inmiddels ten uitvoer gelegd.

[eiser] is thans gedeputeerde van ruimtelijke ontwikkeling en openbaar vervoer in het bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao. In die hoedanigheid is hij onder meer belast met zaken die betrekking hebben op de Dienst Openbare Werken (DOW), de Dienst Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting (DROV), de afdeling openbaar vervoer en de Fundashon Kas Popular (FKP).

[eiser] is voorts president commissaris van de overheids-NV Selikor geweest en heeft in die hoedanigheid invloed kunnen uitoefenen op de benoeming van een directeur bij Selikor NV.

Volgens [eiser] zijn de uitlatingen van [gedaagde] jegens hem onrechtmatig in verband waarmee hij rectificatie vordert als volgt:

“Rectificatie

In mijn ingezonden brief in het dagblad Amigoe van dinsdag 8 januari 2008 heb ik ten aanzien van de Gedeputeerde in het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao de heer [eiser] gesteld dat hij [persoon] bij Selikor op de loonlijst zou en moest hebben omdat hij veel verkiezingsgeld van de aangetrouwde familie van [persoon] als tegenprestatie heeft gekregen. Ik heb voorts gesteld dat de heer [eiser] de aankoop van de gronden van Fontein met alle macht doordrukt aangezien hij natuurlijk weer een hoop geld krijgt toegeschoven van deze groep die ook bekend staat als boeven. Ik moet echter toegeven dat ik niet over bewijs voor deze door mij geuite ernstige beschuldigingen beschik.

Ik heb evenmin bewijs voor de andere beschuldiging als zou de heer [eiser] een grote vinger hebben gehad in de samenstelling van de nieuwe nummerplaten.

Het spijt mij deze ongefundeerde beschuldigingen geuit te hebben en middels deze rectificatie hoop ik in ieder geval de schade die ik voor de heer [eiser] heb veroorzaakt enigszins goed te maken.

[gedaagde]”.

Aan de vordering tot rectificatie heeft [eiser], naast het vorenstaande, ten grondslag gelegd dat deze uitlatingen – die niet zijn aan te merken als waardeoordelen maar worden gepresenteerd als harde feiten - hem in een kwaad daglicht zetten en diffamerend jegens hem zijn doordat [gedaagde] hem “ronduit beschuldigt (…) van het plegen van (een) strafba(a)re handeling(en) meer in het bijzonder (…) het aannemen van steekpenningen of wel ambtelijke corruptie. Zulks zonder ook maar enige vorm van onderbouwing c.q. nadere adstructie van de overigens onjuiste beweringen (…)”.

Wat betreft [persoon] heeft [eiser], meer specifiek, opgemerkt dat [gedaagde] geen bewijs levert dat hij verkiezingsgeld van de schoonvader van [persoon] ([schoonvader]) heeft ontvangen als tegenprestatie, waartoe hij heeft verwezen naar een brief van de gemachtigde van [schoonvader] van 30 januari 2008 waarin onder meer is opgemerkt:

“Voor alle duidelijkheid: de heer [schoonvader] heeft FOL geen financiële steun gegeven om [persoon] benoemd te krijgen. Een vennootschap waarvan de heer [schoonvader] een van de aandeelhouders is en mede directeur is heeft van vrijwel alle politieke partijen in de verkiezingstijd lootjes gekocht zoals te doen gebruikelijk op Curaçao. Dit betrof bescheidde bedragen voor die partij, terwijl binnen de vennootschap niet de heer [schoonvader] belast is met de sponsoring van politieke partijen.”.

Wat betreft Fontein heeft [eiser], meer specifiek, gesteld dat bewijs door [gedaagde] niet wordt geleverd en verwezen naar voormelde brief van 30 januari 2008 van de gemachtigde van [schoonvader] waarin is bevestigd dat de vennootschappen Villa Fontein NV en Siberie Real Estate NV geen gelden hebben verstrekt of in het vooruitzicht hebben gesteld aan [eiser] en/of FOL. Voorts is verwezen naar het proces-verbaal van de zitting bij dit gerecht van 19 december 2007 inzake een geschil tussen de vakvereniging SEBI en het bestuur van FKP, waarin zijdens het bestuur van FKP, onder meer, is verklaard:

“Het bestuur gaat niet eerder tot aankoop over dan na het doorlopen van deze procedure en na het verkrijgen van een akkoord op de voorgestelde transactie door het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao.”.

Wat betreft de kentekenplaten heeft [eiser], meer specifiek, gesteld dat de nummerplaten door een speciaal daartoe aangestelde commissie zijn samengesteld van welke commissie hij geen deel uitmaakte en dat de kentekenplaten zijn samengesteld “nog vóórdat [eiser] na de gehouden verkiezingen in april 2007, werd benoemd tot gedeputeerde (…)”.

Daartegen heeft [gedaagde], kort weergegeven, aangevoerd dat de uitlatingen in zijn ingezonden brief niet onrechtmatig zijn en dat [eiser] door zijn uitlatingen niet plotseling in een kwaad daglicht wordt gesteld. Volgens [gedaagde] ontbreekt het bij de gedragingen van [eiser] aan transparantie (“good government governance”) doordat [eiser] “zowel bij de benoeming van [persoon] als bij de voorgenomen aankoop van gronden te Fontein in gebreke is gebleven om de werkelijke reden voor zijn handelen als bestuurder van het eilandgebeid Curaçao bekend te maken. Zijn motieven zijn tot heden duister gebleven.”. Volgens [gedaagde] heeft hij niet meer gedaan dan opgeschreven wat er onder de bevolking leeft.

In dit verband heeft [gedaagde] voorts aangevoerd:

- dat [eiser] “politieke tegenstanders ronduit beledigt”;

- dat hij zich niet heeft gericht tot de privépersoon [eiser];

- dat anderen hem in vergelijkbare bewoordingen zijn voorgegaan, zonder dat [eiser] zich daartegen heeft verzet;

- dat hij een publiek belang dient omdat er “geen helder en ondubbelzinnig antwoord van de zijde van [eiser] op al deze vragen volgt en het hele Curaçaose volk op de hoogte is van zijn veroordeling als overheidsdienaar wegens corruptie bij het vervullen van zijn ambt (…)”;

Wat betreft de kwestie [persoon] heeft [gedaagde] er meer specifiek op gewezen:

- dat financiële ondersteuning door zakenlieden op Curaçao gebruikelijk is en dat de zakenlieden op Curaçao geen filantropen zijn;

- dat de advocaat van de 6 medewerkers van Selikor volgens een bericht in het dagblad de Amigoe van 18 december 2007, onder meer had aangevoerd “dat de benoeming van [persoon] tot waarnemend directeur van Selikor een terugbetaling was voor de financiële steun die de politieke partij FOL had gekregen voor haar verkiezingscampagne eerder dit jaar van de schoonvader van [persoon], [schoonvader]”;

- dat bij vonnis van 4 juli 2007 is overwogen “dat [...], althans degenen die feitelijk dicteren wat [...] moet doen, blijk geven van minachting voor de rechtsgang en de belangen van de wederpartij” (Selikor).

Ten aanzien van de kwestie Fontein heeft [gedaagde], kort weergegeven, aangevoerd:

- dat blijkens een memo van de commissie grondverwerving FKP van 23 augustus 2007 de grond “minder geschikt (is) voor volkswoningbouw”;

- dat de prijs van de grond te hoog is voor volkswoningbouw en er bij FKP “nog geen meerjarenbouwplan beschikbaar (is) waaruit blijkt, hoeveel woningen van welke typen de FKP in hoeveel jaren wil bouwen of verwerven”;

- dat de Algemene Rekenkamer in haar rapportage van 5 december 2007 heeft geconcludeerd:

“De bestuurders i.c. het bestuur van de FKP en het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao hebben tot nu toe niet zichtbaar gehandeld volgens de spelregels van “good goverment governance” ofwel goed overheidsbestuur. De aankoopprijs lijkt niet tot stand te komen op basis van onderhandelingen, terwijl het ernaar uitziet dat de enige beschikbare voorcalculatie en haalbaarheidsstudie, vervat in het advies van de directie van het bestuur van FKP, geen leidende rol speelt bij de besluitvorming”;

- dat het dagblad Amigoe zijn redactionele commentaar van 4 januari 2008 heeft voorzien van de kop “[eiser] leert niet” en daarbij onder meer heeft opgemerkt:

“Kortom dit riekt naar handjeklap. Naar een dubieuze deal die wel gunstig uitpakt voor de verkoper, maar allerminst in het voordeel is van FKP. Naar de rol van [eiser] als politieke bestuurder daarin, is het vervolgens raden. Het is dankzij een degelijke directie, die de rug recht houdt en zich niet laat intimideren; oplettende en scherpe media, die de kwestie al vroeg aan de kaak stelden; en de Rekenkamer, dat er geen verdere onnodige schade wordt geleden. De overheidsstichting FKP, bedoeld voor woningzoekenden, niet komt te zitten met een enorme financiële strop. Dit alles deert de FOL-gedeputeerde kennelijk niet, hoewel hij zelf stelt op te komen voor de sociaal zwakkeren. En daarmee toont hij niet aan zijn les te hebben geleerd. [eiser] kan nog steeds blijven verklaren dat hij een paar jaar terug onterecht is veroordeeld, feit is dat hij toen door drie rechterlijke instanties schuldig is bevonden aan het plegen van ambtelijke corruptie. Dat hij dan toch gezagsdrager kan worden, is op zich zelf al voldoende discutabel. Maar op z’n minst zou verwacht worden dat zo iemand voortaan helemaal goed op zijn tellen past en iedere schijn van laakbaar handelen wil vermijden. De recente waarschuwing van de Rekenkamer en de keiharde manier waarop [eiser] in deze “terugslaat” naar de instantie die wijst op de enige correcte procedures, zouden normaliter reden genoeg moeten zijn voor de overige gedeputeerden en de coalitie partijen (…) om opheldering te vragen. Maar zolang het Bestuurscollege letterlijk valt of staat met de deelname van FOL, kunnen zij hem niets maken. En dat weet [eiser].

Met betrekking tot de invloed van [eiser] op de oranje kleur (de partijkleur van FOL) in de kentekenplaten heeft [gedaagde] opgemerkt, kort weergegeven, dat de gedeputeerde [gedeputeerde], lid van FOL, uitvoering heeft gegeven aan wat [eiser] hem heeft opgedragen. Omdat deze kentekenplaten onleesbaar zijn heeft de gemeenschap daardoor volgens [gedaagde] meer dan een miljoen gulden schade geleden.

Overwogen wordt als volgt.

Voorop zij gesteld dat het gevorderde een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat een eenieder, derhalve ook aan [gedaagde], op grond van artikel 10, lid 1, van het EVRM toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers, zoals [eiser], niet door uitlatingen in de media worden aangetast in hun eer, goede naam en persoonlijke integriteit, en aan de andere kant het belang dat burgers, zoals [gedaagde], zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend moeten kunnen uitlaten over een persoon die een openbaar ambt bekleedt ter signalering van misstanden die de samenleving raken.

Het recht op vrije meningsuiting mag uitsluitend worden beperkt indien die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Volgens vast jurisprudentie van het EHRM komt dat er op neer dat de beperking ingegeven moet zijn door een “pressing social need”, deze “relevant and sufficient” en voorts “proportionate to the legitimate aims persued” moet zijn. Met betrekking tot de vraag of een beperking noodzakelijk is heeft de staat een zekere beleidsvrijheid.

De vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen de inhoud van meningen, maar ook de vorm waarin zij worden geuit en strekt zich in beginsel ook uit tot uitingen die kwetsend, schokkend of verontrustend (kunnen) zijn (“information” or “ideas” “that offend, shock or disturb”; zie onder meer EHRM 8 juli 1999, Baskaya, NJ 2001, 62).

In de rechtspraak wordt verder, zoals partijen terecht hebben opgemerkt, onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen (“facts”) en waardeoordelen (“value judgements”). In zijn uitspraak van 11 juli 2006 in de zaak Brasilier heeft het EHRM ten aanzien van waardeoordelen overwogen:

“Si la matérialité des premières peut se prouver, les seconds ne se prêtent pas à une démontration de leur exactitude. Pour les jugements de valeur, l’obligation de preuve est donc impossible à replir et porte atteinte à la liberté d’opinion elle-meme, élément fondamental du droit garanti par l’article 10 (…)”.

Wel moet er een voldoende feitelijke basis zijn voor de waardeoordelen, anders kan het waardeoordeel excessief worden bevonden (EHRM, 2 november 2006, Standard Verlag GmbH, par 55).

Het EHRM heeft verder geoordeeld dat ten aanzien van politici niet snel kan worden aangenomen dat een beperking op het recht van vrije meningsuiting is toegestaan. In het geval van een politieke discussie of een publiek debat over openbare aangelegenheden moeten de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting zowel ten aanzien van vorm als ten aanzien van inhoud ruim worden gesteld:

“There is little scope under Article 10 par. 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate on questions of public interest. (…) Moreover, the limits of acceptable criticism are wider as regards to a politician as such than as regards to a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his words and deeds by a journalist and the public at large, and must consequently display a greater degree of tolerance.” (EHRM, 6 april 2006, Malisiewicz-Gasior v. Polen, no. 43797/98).

Tenslotte is in de jurisprudentie relevant geacht in hoeverre een persoon tot wie de uitlatingen zich richten, in staat is daarop te reageren.

Niet valt in te zien waarom deze norm niet evenzeer zou gelden voor politici in de Nederlandse Antillen. In zoverre wordt het pleidooi van [eiser] voor een strengere benadering op Curaçao dan in Nederland – hij verwijst naar een uitspraak van het Gerecht van 21 december 2001 (Stichting Monumentenfonds e.a./ Gelt Dekker) en beroept zich op de kleine gemeenschap en de “broeierige sfeer” die hier leeft – als onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Met toepassing van het vorenstaande wordt met betrekking tot de stelling van [eiser], dat [gedaagde] de grenzen van de in het maatschappelijke verkeer betamelijke zorgvuldigheid jegens hem heeft overschreden door in de ingezonden brief mede te delen, dat de benoeming van [persoon] een tegenprestatie is voor verkiezingsgeld, het volgende overwogen.

Welke van de belangen in het concrete geval de doorslag behoort te geven wordt in dit geval bepaald door de volgende in onderling verband te beschouwen feiten en omstandigheden.

a.

[eiser] is veroordeeld voor het (strafbare) feit van het aannemen van geld, wetende dat het geld wordt gegeven om hem in de hoedanigheid van overheidsdienaar te bewegen iets te doen of na te laten. [eiser] heeft er voor gekozen na deze veroordeling (die ten nauwste samenhangt met het bekleden van een openbare functie) weer een openbare functie (die van gedeputeerde van ruimtelijke ontwikkeling en openbaar vervoer) te bekleden.

Het ligt voor de hand dat het publiek de gedragingen van [eiser] als gedeputeerde tegen deze achtergrond beziet en zijn gedragingen waarbij de schijn wordt gewekt dat sprake is van het verlenen van gunsten voor geld in de hoedanigheid van gedeputeerde aan de kaak stelt.

b.

De uitlatingen van [gedaagde] betreffen [eiser] in zijn hoedanigheid van gedeputeerde, die tevens president commissaris was van de overheids NV Selikor.

c.

Het is op Curaçao niet ongebruikelijk dat zakenlieden via hun ondernemingen verschillende politieke partijen in verband met verkiezingen financieel steunen. Dat blijkt zowel uit de stellingen van [gedaagde] als uit de hiervoor aangehaalde brief van 30 januari 2008, die zijdens [eiser] in het geding is gebracht. Dat dit gebruikelijk is blijkt onder

meer uit het feit dat in de vennootschap waarop in die brief wordt gedoeld iemand (niet [schoonvader]) “belast is met de sponsoring van politieke partijen”.

d.

De kern van de uitlating van [gedaagde] is niet dat [eiser] geld heeft gekregen van de schoonfamilie van [persoon] om zijn verkiezing te financieren, maar dat de benoeming van [persoon] daarvoor een tegenprestatie is.

e.

De uitlating van [gedaagde] dat de benoeming van [persoon] een tegenprestatie betreft is een politieke meningsuiting over een onderwerp van algemeen belang.

f.

De uitlating dat de benoeming van [persoon] een tegenprestatie kan worden genoemd betreft een waardeoordeel en geen feit in de door het EVRM bedoelde zin. Met zijn uiting heeft [gedaagde] de gedraging van [eiser] rond de benoeming van [persoon] van een waardeoordeel voorzien. Vanwege het kader waarin de uitlating is gedaan (een ingezonden brief in een krant), de verwijzing naar de eerdere veroordeling in de hoedanigheid van openbare ambtsdrager, de letterlijke tekst (“…noemt men dit”) en de aandacht die de benoeming in de media heeft getrokken, kan over het feit dat het een waardeoordeel betreft bij het grote publiek redelijkerwijs geen twijfel hebben bestaan.

G.

De politieke meningsuiting van [gedaagde] kan niet los worden gezien van het volgende.

Op 30 mei 2007 hebben een zestal stafmedewerkers van Selikor NV een vordering aanhangig gemaakt tegen de Stichting Implementatie Privatisering (Stip) en de openbare rechtspersoon het Eilandgebied Curaçao. Daarbij is gevorderd, kort weergegeven, Stip en het Eilandgebied te bevelen voor wat betreft de benoeming van een waarnemend directeur voor Selikor een open sollicitatieprocedure te volgen en Stip alsmede het Eilandgebied te verbieden [persoon] tot waarnemend directeur te benoemen.

Het geding is behandeld op 4 juni 2007, waarbij werd bepaald dat op 11 juni 2007 vonnis werd gewezen.

[eiser] heeft in zijn hoedanigheid van president-commissaris voor Selikor NV een arbeidsovereenkomst ondertekend, gedateerd op 10 juni 2007. Daarbij is bepaald dat [persoon] met ingang van 1 juni 2007 (dus met terugwerkende kracht) bij Selikor NV in dienst treedt “als Directeur tevens Plaatsvervangend Algemeen Directeur”.

Bij vonnis van 11 juni 2007 is Stip bevolen “om de uitvoering van haar besluit van 30 mei 2007 (om alle benodigde handelingen te verrichten om [persoon] te benoemen als

directeur van Selikor en hem tevens aan te wijzen als plaatsvervangend directeur) op te schorten totdat in een bodemprocedure over een vordering tot vernietiging van het betreffende besluit zal zijn beslist, op straffe van een dwangsom van NAF 100.000,- in het geval Stip niet aan dit bevel mocht voldoen.”

Stip heeft op 21 juni 2007 een vordering aanhangig gemaakt waarbij zij, kort weergegeven, heeft gevorderd dat het voormelde stafmedewerkers van Selikor “wordt

verboden het vonnis ten uitvoer te leggen of nakoming daarvan te vorderen, en te gedogen dat [persoon] wordt aangesteld als directeur van Selikor”.

Bij vonnis van 4 juli 2007 heeft dit gerecht het volgende overwogen:

“De arbeidsovereenkomst tussen Selikor en [persoon] met betrekking tot de functie van directeur is gesloten op 10 juni 2007, een zondag, aan de vooravond van het vonnis van maandag 11 juni 2007 om 9.00 uur. Alle bij het sluiten van die arbeidsovereenkomst betrokkenen wisten dat het vonnis in aantocht was, en dat de aanmerkelijke kans bestond dat dit het bevel zou bevatten om de benoeming van [persoon] op te schorten. Door niettemin de arbeidsovereenkomst te sluiten hebben de betrokken partijen, waaronder StIP althans degenen die feitelijk dicteren wat StIP moet doen, blijk gegeven van minachting voor de rechtsgang en de belangen van de wederpartij.”.

Voorts is overwogen dat de aandeelhouders en commissarissen van Selikor door aldus te handelen zichzelf welbewust in de positie hebben gebracht dat het onmogelijk werd om aan zowel het vonnis te voldoen als de arbeidsovereenkomst met Asjes na te komen hetgeen reeds voldoende grond oplevert de gevraagde voorziening te weigeren.

Van de uitlating van [persoon] kan in het licht van het vorenstaande niet worden gezegd dat deze zonder feitelijke basis is, of wat inhoud en formulering betreft, zo excessief of buitensporig, dat daarmee, in aanmerking genomen de belangen van [eiser] bij bescherming van zijn eer, goede naam en integriteit als gedeputeerde, de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden.

Nu de onrechtmatigheid van deze uitlating van [gedaagde] niet kan worden vastgesteld, dient de vordering tot rectificatie van de brief voor zover deze betrekking heeft op de benoeming van [persoon] te worden ontzegd.

Met betrekking tot de uitlating van [gedaagde]: “En nu weer Fontein. Daar wordt grond aangeboden, die veel te duur is voor volkswoningbouw. [eiser] drukt met alle macht door. Logisch, de heren die achter de verkoop van Fontein zitten, staan ook bekend als boeven. [eiser] krijgt natuurlijk weer een hoop geld toegeschoven van deze groep!”, wordt overwogen als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of hierdoor de hiervoor bedoelde grenzen zijn overschreden dienen dezelfde – uit het EVRM voortvoeiende - maatstaven te worden toegepast.

De meningsuiting van [gedaagde] treft [eiser] als politicus die de openbare functie van gedeputeerde bekleedt omdat het een onderwerp betreft waar [eiser] verantwoordelijkheid voor draagt.

In het hiervoor gedeeltelijk aangehaalde redactionele commentaar in het dagblad Amigoe van 4 januari 2008 wordt hetzelfde thema aangesneden als [gedaagde] heeft gedaan (de voorgenomen koop van een terrein te Fontein door FKP).

In het redactionele commentaar worden de gedragingen van [eiser] geplaatst tegen de achtergrond van zijn veroordeling (“[eiser] leert niet”). [gedaagde] heeft zich daarbij aangesloten in zijn ingezonden brief.

Naar aanleiding van de inhoud van het redactionele commentaar heeft [eiser] geen procedure tot rectificatie aanhangig gemaakt. Thans vordert hij wel rectificatie.

Bij een vergelijking tussen dit redactionele commentaar en de ingezonden brief van [gedaagde] springt in het oog dat in het eerst genoemde artikel niet wordt gesteld dat [eiser] voor de verkoop van de grond geld krijgt toegeschoven van een groep boeven, maar dat deze deal “riekt naar handjeklap” en dat de rol van [eiser] daarin zich laat raden.

Met de uitlating dat [eiser] voor de verkoop van de grond natuurlijk weer geld krijgt toegeschoven van een groep boeven, wordt [eiser] in wezen verweten dat hij in zijn hoedanigheid van gedeputeerde zich “weer” schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dat [eiser] zich bij de onderhandelingen over de verkoop van grond van Fontein aan FKP schuldig maakt of heeft gemaakt aan een strafbaar feit, soortgelijk als waarvoor hij is veroordeeld, is een feitelijke verklaring in de zin van het EVRM.

Onder die omstandigheden ligt het op de weg van [gedaagde] die feitelijkheid voldoende aannemelijk te maken, maar dat laat [gedaagde] na.

Deze uitlating is, gelet op de bewoordingen voorts zodanig excessief, dat daarmee - de belangen van [eiser] bij de bescherming van zijn eer, goede naam en integriteit als gedeputeerde in aanmerking genomen - de grenzen van de vrijheid van meningsuiting worden overschreden.

Daarbij wordt er niet aan voorbij gezien dat de Algemene Rekenkamer blijkens haar hiervoor gedeeltelijk aangehaalde rapport van 5 december 2007 heeft geconcludeerd dat de aankoopprijs niet tot stand lijkt te zijn gekomen op basis van onderhandelingen en het directieadvies geen leidende rol lijkt te hebben gespeeld. Hieruit volgt niet rechtsreeks dat [eiser] “weer“ geld krijgt van een groep boeven.

Uit het redactionele commentaar blijkt dat de kritiek op de gedragingen van [eiser] als gedeputeerde ook indringend kunnen worden verwoord zonder excessief taalgebruik.

Derhalve dient [gedaagde] te worden veroordeeld tot rectificatie van dit onderdeel op na te melden wijze.

“Rectificatie:

In mijn ingezonden brief in het dagblad Amigoe van 8 januari 2008 heb ik opgemerkt dat [eiser] voor de verkoop van een terrein te Fontein aan FKP natuurlijk weer geld krijgt toegeschoven van een groep boeven. Ik kan dat niet bewijzen. Op grond daarvan heeft de rechter bij vonnis van 13 februari 2008 geoordeeld dat deze uitlating onrechtmatig is jegens [eiser] en mij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie op straffe van een dwangsom.”.

Er is geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen om in de rectificatie zijn gevoelens op te nemen omtrent hoop en spijt aangezien een verklaring omtrent persoonlijke gevoelens niet door het recht kan worden afgedwongen.

Met betrekking tot de stelling van [eiser], dat [gedaagde] de grenzen van de in het maatschappelijke verkeer betamelijke zorgvuldigheid heeft overschreden door in de ingezonden brief mede te delen, dat [eiser] als gedeputeerde veel invloed heeft uitgeoefend in de samenstelling van de nieuwe nummerplaten waarin de kleur oranje dominant aanwezig is, wordt overwogen als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of hierdoor de hiervoor bedoelde grenzen zijn overschreden dienen dezelfde – uit het EVRM voortvoeiende - maatstaven te worden toegepast.

Deze uitlating van [gedaagde] treft [eiser] in zijn hoedanigheid van politiek leider van FOL. Deze politieke groepering heeft de kleur oranje gekozen als herkenningskleur.

De kleur oranje is verwerkt in de kentekenplaten waarvan de invoering is beoogd in 2008. Deze kentekenplaten zijn voorwerp van openbaar debat geworden omdat na invoering bleek dat de oranje cijfers en letters tegen de blauwe achtergrond nagenoeg onleesbaar zijn, zodat deze kentekenplaten voor identificatie ongeschikt zijn.

[Gedaagde] heeft zijn uitlating gedaan ter staving van zijn standpunt dat de samenleving nadeel ondervindt van het beleid dat [eiser] voert.

De uitlating waar [eiser] bezwaar tegen heeft (“Alles oranje wat de klok slaat”(…) [eiser] heeft natuurlijk een grote vinger gehad in de samenstelling van de nummerplaten”) betreft een veronderstelde gedraging van [eiser]. Die gedraging komt er op neer dat [eiser] zijn invloed zou hebben uitgeoefend om de kentekenplaten te doen voorzien van de kleur oranje. Van de in de meningsuiting vervatte veronderstelling van betrokkenheid bij een mislukt ontwerp voor kentekenplaten kan bezwaarlijk worden gezegd dat deze uiting hem in een kwaad daglicht plaatst zodanig dat er schade is te duchten. [eiser] moet, gelet op zijn positie en de hem uit hoofde van zijn functie ten dienste staande adviseurs en persvoorlichting, in staat worden geacht zich publiekelijk te verdedigen tegen deze uitlating van [gedaagde] en deze zakelijk te weerleggen.

Voorts kan van de uitlating van [gedaagde] niet worden gezegd dat deze wat inhoud of formulering betreft, zo excessief of buitensporig is, dat daarmee, in aanmerking genomen de belangen van [eiser] bij bescherming van zijn eer, goede naam en integriteit als gedeputeerde, de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden. Of de meningsuiting objectief gezien gerechtvaardigd is (met de, betwiste, stelling “FOL=[eiser]”), behoeft door het gerecht niet te worden beslist.

Nu de onrechtmatigheid van de uitlatingen van [gedaagde] dienaangaande mitsdien niet kan worden vastgesteld, dient de gevorderde rectificatie, voor zover deze betrekking heeft op de uitlating van [gedaagde] aangaande de kentekenplaten, te worden geweigerd.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.

4. De kosten

Aangezien beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld dienen de kosten van deze procedure te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

Het gerecht:

rechtdoende in kort geding:

beveelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan hem, op zijn eigen kosten, de hierna volgende tekst te publiceren in het dagblad Amigoe in een lettertype en grootte dat tenminste gelijk is aan de bij de litigieuze publicatie gebruikte lettertype en grootte, zulks op straffe van een onmiddellijk aan [eiser] te verbeuren dwangsom van NAf 1.000,- (tot een maximum van NAf 50.000,-) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis niet (volledig) aan dit bevel voldoet;

De tekst:

“Rectificatie:

In mijn ingezonden brief in het dagblad Amigoe van 8 januari 2008 heb ik opgemerkt dat [eiser] voor de verkoop van een terrein te Fontein aan FKP natuurlijk weer geld krijgt toegeschoven van een groep boeven. Ik kan dat niet bewijzen. Op grond daarvan heeft de rechter bij vonnis van 13 februari 2008 geoordeeld dat deze uitlating onrechtmatig is jegens [eiser] en mij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie op straffe van een dwangsom.

[gedaagde].”

(einde tekst).

compenseert de kosten van deze procedure in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008.