Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2008:BD9078

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
04-08-2008
Zaaknummer
KG 2008/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing rectificatievordering interviewuitspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2008/393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG nummer: 2008/13

Vonnisdatum: 1 februari 2008

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN, ZITTINGSPLAATS CURAÇAO

VONNIS in het kort geding van:

[Eiser]

wonende op Curaçao,

eiser,

verder ook te noemen: [Eiser],

gemachtigden: mrs. A.C. Small en J.G.J. Schelling,

tegen:

[Gedaagde]

wonende op Curaçao,

gedaagde,

verder ook te noemen: [Gedaagde],

gemachtigden: mrs. J.R. en R.R. Engels.

1. Het verloop van de procedure.

[Eiser] heeft op 11 januari 2008 een verzoekschrift met producties ingediend dat op 15 januari 2008 aan [Gedaagde] is betekend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008, bij welke gelegenheid [Eiser] werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden en [Gedaagde] met zijn gemachtigden is verschenen. Partijen hebben aan de hand van een pleitnota hun standpunten toegelicht. Na re- en dupliek is de uitspraak bepaald op heden.

2. De vordering.

[Eiser] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [Gedaagde] te veroordelen om

- binnen 24 uur na de uitspraak van het door het gerecht in dezen te wijzen vonnis, op eigen kosten de hierna volgende tekst in de Nederlandse taal te publiceren op een pagina in de dagbladen Amigoe, Extra, Bala, Nobo, La Prensa en Vigilante:

“Rectificatie

Tijdens een door mij gehouden interview door radio MAS 99,7 op 20 december 2007 heb ik ten onrechte beweerd dat de heer [Eiser] (Minister van Verkeer & Vervoer van de Nederlandse Antillen) werkt om slechts één bedrijf , en wel het telecommunicatiebedrijf MIO N.V., te bevoordelen.

De rechter heeft geoordeeld dat ik niet aannemelijk heb kunnen maken dat deze door mij geuite beweringen op waarheid berusten en dat daarom deze door mij tegen de heer [Eiser] geuite beweringen onrechtmatig zijn. Ik zet die door mij ten onrechte gedane uitingen recht door deze rectificatie te publiceren. Ik doe dat op last van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, dat mij hiertoe bij vonnis van ?..? januari 2008 heeft veroordeeld.

Emilio B. [Gedaagde]”

- althans aan (Gedaagde] de rectificatie te bevelen in een vorm en op de wijze als door het Gerecht in goede justitie vast te stellen,

- het geheel op straffe van een onmiddellijk door [Gedaagde] aan [Eiser] te verbeuren dwangsom van NAF. 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde] na betekening van het vonnis althans op enkel vertoon van de minuut, niet, althans niet volledig aan zulk bevel voldoet,

en met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van de onderhavige procedure.

[Eiser] weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling.

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

a. [Eiser] is minister van verkeer en vervoer van de Nederlandse Antillen en in die hoedanigheid mede belast met de portefeuille telecommunicatie.

b. [Gedaagde] is voorzitter van de vakbond Sitcom en vertegenwoordigd in die hoedanigheid de bij de vakbond aangesloten werknemers van het Curaçaose telecombedrijf UTS.

c. Op 20 december 2007 heeft [Gedaagde] in hoedanigheid van vakbondsvoorzitter een radio-interview gegeven voor Radio MAS 99.7. Tijdens dit interview is hem gevraagd naar zijn mening over een aantal actuele onderwerpen, UTS betreffende. Daarbij is het optreden van [Eiser] ter sprake gekomen.

d. [Gedaagde] heeft bij die gelegenheid de volgende opmerking gemaakt:

“(..) si e minister aki ta un minister ku MIO a pone na Korsou aki, anto, lagé traha pa MIO e ora ei, no, anto, no laga e kosnan aki pa yunan di Korsou, no, paso nos no por sigi asina (..) ”

Toen de interviewer vervolgens aan [Gedaagde] vroeg:

“Bo ta bisando ku tin chèns ku minister, senor [Gedaagde], ta trahando pa benificia un compania? ”

antwoordde [Gedaagde] met:

“Sigur sigur.”

e. Bij brief van 24 december 2007 heeft de gemachtigde van [Eiser] [Gedaagde] gesommeerd zijn uitlatingen uiterlijk 27 december 2007 om 12.00 uur te rectificeren door middel van een perscommuniqué, bij gebreke waarvan hem een kort geding in het vooruitzicht is gesteld.

f. [Gedaagde] heeft geweigerd aan die sommatie te voldoen.

3.2 [Eiser] valt over de in 3.1 onder d weergegeven uitlatingen. [Gedaagde] beschuldigt hem ervan alleen de belangen van MIO te behartigen en insinueert daarmee (ook) dat hij daar persoonlijk beter van wordt. Deze beschuldiging ontbeert echter iedere feitelijke juistheid en onderbouwing, aldus [Eiser]. Anders dan [Gedaagde] het met zijn uitspraken doet voorkomen, behartigt hij de belangen van de Nederlandse Antillen en niet die van één bedrijf. Het feit dat sommige van zijn beslissingen – die nota bene gedekt worden door besluiten van de ministerraad en/of door de rechter in stand zijn gelaten – mogelijk voor UTS niet gunstig uitpakken, rechtvaardigt het optreden van [Gedaagde] niet. Deze heeft met zijn uitlatingen op onaanvaardbare wijze publiekelijk zijn integriteit als minister in twijfel getrokken en daarmee zijn eer en goede naam aangetast. Dit levert volgens [Eiser] een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW op. Hij stelt een spoedeisend belang te hebben bij de gevorderde rectificatie, omdat anders de beschuldigingen van [Gedaagde] bij het grote publiek een eigen leven zullen gaan leiden.

3.3 Het verweer van [Gedaagde] zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden besproken.

3.4 In het geding is de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De vrijheid van meningsuiting, die een ieder toekomt, kan op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts worden beperkt als daarin bij de wet is voorzien en de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) komt dat er op neer dat de beperking ingegeven moet zijn door een “pressing social need”, deze “relevant and sufficient” en voorts “proportionate to the legitimate aims pursued” moet zijn. Met betrekking tot de vraag of een beperking noodzakelijk is heeft de staat een zekere beleidsvrijheid. Het door [Gedaagde] ingeroepen artikel 6:162 BW, welke bepaling mede strekt ter bescherming van de eer en goede naam of de integriteit van anderen, is een wettelijke beperking in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.

3.5 De vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen de inhoud van meningen, maar ook de vorm waarin zij worden geuit en strekt zich in beginsel ook uit tot uitingen die kwetsend, schokkend of verontrustend (kunnen) zijn (“information” or “ideas” “that offend, shock or disturb”; zie onder meer EHRM 8 juli 1999, Baskaya, NJ 2001, 62).

3.6 Het EHRM heeft verder geoordeeld dat ten aanzien van politici niet snel kan worden aangenomen dat een beperking op het recht van vrije meningsuiting is toegestaan. In het geval van een politieke discussie of een publiek debat over openbare aangelegenheden moeten de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting zowel ten aanzien van vorm als ten aanzien van inhoud ruim worden gesteld:

“There is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate on questions of public interest. (…) Moreover, the limits of acceptable criticism are wider as regards to a politician as such than as regards to a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his words and deeds by a journalist and the public at large, and must consequently display a greater degree of tolerance.” (EHRM, 6 april 2006, Malisiewicz-Gasior)

Zie in dit verband ook Gerechtshof Arnhem, 28 december 2006, LJN-nummer AZ5504, smaad Rita Verdonk.

Niet valt in te zien waarom deze norm niet evenzeer zou gelden voor politici in de Nederlandse Antillen. In zoverre wordt het pleidooi van [Eiser] voor een strengere benadering op Curaçao dan in Nederland – hij verwijst naar een uitspraak van het Gerecht van 21 december 2001 (Stichting Monumentenfonds e.a./ Gelt Dekker) en beroept zich op de kleine gemeenschap en de ‘broeierige sfeer’ die hier leeft – als onvoldoende gemotiveerd verworpen.

3.7 In de rechtspraak wordt verder, zoals [Gedaagde] terecht opmerkt, onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen (facts) en waardeoordelen (value judgements). In zijn uitspraak van 11 april 2006 in de zaak Brasilier overweegt het EHRM:

“Si la matérialité des premières peut se prouver, les seconds ne se prêtent pas à une démonstration de leur exactitude. Pour les jugements de valeur, l’obligation de preuve est donc impossible à remplir et porte atteinte à la liberté d’opinion elle-même, élément fondamental du droit garanti par l’article 10 (…)”

Wel moet er een voldoende feitelijke basis zijn voor de waardeoordelen, anders kan het waardeoordeel excessief worden bevonden (zie onder meer EHRM, 2 november 2006, Standard Verlag GmbH).

3.8 In de jurisprudentie is tenslotte relevant geacht in hoeverre de persoon tot wie de uitlatingen zich richten, in staat is daarop te reageren.

3.9 Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval de hiervoor bedoelde grenzen zijn overschreden staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van [Eiser] om niet door uitlatingen in de media te worden aangetast in zijn eer, goede naam en persoonlijke integriteit en aan de andere kant het belang van [Gedaagde] om zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend te kunnen uitlaten over een persoon die een openbaar ambt bekleedt ter signalering van misstanden die de samenleving raken.

3.10 Welk belang de doorslag behoort te geven wordt in dit geval bepaald door de volgende, in onderling verband beschouwde, feiten, omstandigheden en beoordelingen.

a) [Eiser] is een politicus en bekleedt als minister een openbaar ambt.

b) De uitlatingen van [Gedaagde] betreffen [Eiser] in zijn hoedanigheid van minister met de portefeuille telecommunicatie.

c) [Gedaagde] heeft zijn uitlatingen gedaan als voorzitter van Sitcom. In een democratie moet een vakbondsvoorzitter bij uitstek – meer nog dan een ‘gewone’ burger – zijn mening kunnen geven over publieke aangelegenheden en de daarbij betrokken bewindslieden, voor zover daarbij de belangen van de bij de vakbond aangesloten werknemers in het geding zijn.

d) UTS heeft direct te maken met (de effecten van) het door [Eiser] en zijn voorgangers gevoerde beleid.

e) De uitlatingen hebben plaatsgevonden in de context van een interview, waarin [Gedaagde] werd gevraagd naar zijn visie op twee actuele – in die periode in de media breed uitgemeten – onderwerpen, waarbij het optreden van [Eiser] als verantwoordelijke minister onvermijdelijk aan de orde kwam. Deze kwesties betroffen de winstdelingsregeling en de benoeming van Martis tot nieuwe directeur van UTS.

f) [Gedaagde] heeft de gelegenheid van het interview aangegrepen om uit te leggen waarom hij vindt dat [Eiser] de positie van UTS stelselmatig benadeelt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een aantal voorbeelden en argumenten genoemd, waaronder recente en in een verder verleden gemaakte beleidskeuzes en besluiten. In dat kader heeft hij de in zijn visie opvallende betrokkenheid van [Eiser] bij de concurrent van UTS, MIO, ook aan de orde gesteld.

g) De uitlatingen waarover [Eiser] valt, betreffen een waardeoordeel en geen ‘feiten’ in de door het EHRM bedoelde zin. Vanwege de hoedanigheid van de persoon die de uitlatingen heeft gedaan (een vakbondsvoorzitter], de letterlijke tekst (si e minister .., anto; tin un chens ..?) én de context waarbinnen deze woorden zijn uitgesproken (een radio-interview betreffende onderwerpen waarover een debat in de media gaande was), kan daarover bij het grote publiek redelijkerwijs geen twijfel hebben bestaan.

h) [Eiser] moet, gelet op zijn positie en de hem uit hoofde van zijn functie ten dienste staande adviseurs en persvoorlichting, in staat worden geacht zich publiekelijk te verdedigen tegen de uitlatingen van [Gedaagde] en deze zakelijk te weerleggen.

3.11 Van de uitlatingen van [Gedaagde] kan in het licht van het vorenstaande niet worden gezegd dat deze zonder feitelijke basis zijn of, wat inhoud of formulering betreft, zo excessief of buitensporig, dat daarmee, in aanmerking genomen de belangen van [Eiser] bij bescherming van zijn eer, goede naam en integriteit als minister, de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zijn overschreden. Of het waardeoordeel van [Gedaagde] objectief gezien gerechtvaardigd is op grond van de door hem genoemde (maar door [Eiser] vanuit zijn perspectief anders belichte) voorbeelden, behoeft door het Gerecht niet te worden beslist.

3.12 Nu de onrechtmatigheid van de uitlatingen van [Gedaagde] niet kan worden vastgesteld, zal de vordering tot rectificatie worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [Eiser] de proceskosten van [Gedaagde] te vergoeden.

4. De beslissing.

Het gerecht:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de proceskosten, gevallen aan de zijde van gedaagde en tot op heden begroot op NAF. 1.500,- wegens salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Gratama en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2008.