Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2007:BK1794

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
14-05-2007
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
AR 1092/2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht oordeelt dat Setel onrechtmatig jegens CT heeft gehandeld door middel van de doorvoering van de tariefsdifferentiatie. Het Gerecht veroordeelt Setel tot betaling van schadevergoeding en begroot de schade op Naf 3.000.000,-.AVR stelt gerechtigd te zijn tot de vordering op grond van cessie. Volgens Setel is de vordering niet voldoende bepaald maar dit verweer wordt verworpen. UTS is aandeelhouder van Setel, maar dat betekent niet dat zij uit hoofde van onrechtmatige daad mede kan worden aangesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: AR 1092/2005

Vonnisdatum: 14 mei 2007

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zittingsplaats Curaçao

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap A.V.R. HOLDING N.V.,

gevestigd op Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,

tegen

de naamloze vennootschap UNITED TELECOMMUNICATION SERVICES N.V.,

gevestigd op Curaçao,

en

de naamloze vennootschap SETEL N.V.,

gevestigd op Curaçao,

gedaagden,

gemachtigden: mr. E.R. de Vries en mr. T. Voortman.

Partijen worden in dit vonnis respectievelijk AVR, UTS en Setel genoemd.

1. Het verloop van de procedure

AVR heeft op 26 augustus 2005 ter griffie een verzoekschrift ingediend. Nadat tot en met dupliek was geconcludeerd, hebben partijen de zaak ter zitting van 7 februari 2007 doen bepleiten door hun gemachtigden, die daarbij hebben verwezen naar op voorhand overgelegde producties. De pleitnotities zijn overgelegd. Vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 AVR vordert dat het het Gerecht behage om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: UTS en Setel hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan AVR van een bedrag van Naf. 5.130.556,00, althans een bedrag van Naf. 3.897.066,60, te vermeerderen met een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van Naf. 8.846,06 en de wettelijke rente vanaf 28 december 2000, althans de dag van indiening van het verzoekschrift, tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd;

subsidiair: te verklaren voor recht dat UTS en Setel onrechtmatig jegens AVR hebben gehandeld en deswege, alsmede op grond van de cessieovereenkomst van 3 maart 2005 tussen CT en AVR, jegens AVR hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van dit onrechtmatig handelen geleden schade, op te maken bij staat;

met veroordeling van UTS en Setel in de kosten van het geding, de beslagkosten daaronder begrepen.

2.2 Ter verzekering van haar vordering heeft AVR conservatoir derdenbeslag doen leggen.

2.3 AVR stelt gerechtigd te zijn tot de onderhavige vordering op grond van een tussen haar en Curaçao Telecom N.V., hierna aan te duiden als CT, overeengekomen cessie, neergelegd in een <i>deed of assignment</i> van 3 maart 2005. UTS en Setel betwisten dat sprake is van een rechtsgeldige cessie. Ook overigens bestrijden zij de vordering van AVR. Op hetgeen AVR aan haar vordering ten grondslag legt, alsmede op het door UTS en Setel gevoerde verweer, zal hierna bij de beoordeling nader worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Het volgende zal als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist als vaststaand worden aangenomen:

a) In de hier relevante periode waren Setel en CT concessiehouders als bedoeld in de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen. Setel exploiteerde een telecommunicatienet voor vaste telefonie en een telecommunicatienet voor mobiele telefonie. CT exploiteerde alleen een net voor mobiele telefonie. Setel was een dochter van UTS, CT een dochter van AVR.

b) Krachtens de hun verleende concessies waren Setel en CT verplicht interconnectie (koppeling) tussen hun netten te verlenen teneinde communicatie tussen die netten mogelijk te maken.

c) De Minister van Verkeer en Vervoer, hierna de Minister, heeft op 13 december 1999 naar aanleiding van een tussen Setel en CT gerezen geschil een beslissing genomen over de over en weer te betalen interconnectievergoedingen. Daarbij is bepaald dat - samengevat - Setel aan CT een interconnectievergoeding van 36 cent per minuut dient te betalen voor gesprekken die op haar vaste of haar mobiele netwerk beginnen en op het netwerk van CT eindigen, terwijl CT andersom een vergoeding van 15 cent per minuut aan Setel dient te betalen.

d) Partijen hebben eind 2001 gesproken over een nieuwe interconnectie-overeenkomst.

e) UTS heeft bij brief van 5 november 2001 aan de Minister meegedeeld dat het tarief dat de eindgebruikers in rekening zal worden gebracht voor een gesprek vanuit een van de netwerken van Setel naar het mobiele netwerk van CT zal worden verhoogd met 21 cent per minuut. CT heeft eind december 2001 via publicaties in de media kennis genomen van dit voornemen van UTS en Setel. Zij heeft zij UTS bij brief van 28 december 2001 gesommeerd af te zien van de voorgenomen - door haar onrechtmatig geachte - tariefsdifferentiatie. Voorts heeft CT de Minister bij brief van 31 december 2001 gevraagd de met ingang van 1 januari 2002 aangekondigde tariefsdifferentiatie tegen te houden.

f) Setel heeft vervolgens, niettegenstaande een op 31 december 2001 mondeling en op 11 februari 2002 schriftelijk gedaan verzoek van de Minister de oude tarifering te handhaven en niettegenstaande de aansprakelijkstelling door CT voor de door CT als gevolg van de tariefsdifferentiatie te lijden schade, de aangekondigde tariefsverhoging voor bellen naar CT doorgevoerd en gehandhaafd. Dit ook nog nadat de Minister bij beschikking van 28 maart 2002 had besloten dat Setel gehouden was “de tariefsituatie zoals die bestond voor 1 januari 2002 te herstellen”. Nadat door CT een kort geding tegen haar aanhangig was gemaakt, heeft Setel de tariefsverhoging voor bellen naar CT per 30 juli 2002 ongedaan gemaakt. Bij vonnis van 2 augustus 2002 heeft de kort geding-rechter Setel veroordeeld de beschikking van de Minister na te leven, op straffe van een dwangsom.

g) Setel heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de Minister van 28 maart 2002, welk beroep bij vonnis van dit Gerecht van 1 oktober 2002 ongegrond is verklaard. Na door Setel ingesteld hoger beroep, heeft het Hof bij vonnis van 29 november 2004 de uitspraak van het Gerecht, voor zover hier relevant, bevestigd. CT nam als derde-belanghebbende aan de beroepsprocedures deel.

h) In juni 2004 is tussen Setel en CT een interconnectieovereenkomst gesloten waarbij het interconnectietarief voor beide partijen op 36 cent per minuut is gesteld.

i) Bij akte van cessie van 3 maart 2005 heeft CT aan AVR gecedeerd haar “(potential) claim for damages, including all rights of action (...) and accessory rights” op UTS en/of Setel “resulting from or related to” het vonnis van het Hof van 29 november 2004. Deze cessie is bij brief van 21 maart 2005 door AVR aan UTS en Setel medegedeeld. Bij diezelfde brief heeft AVR UTS en Setel gesommeerd binnen tien dagen over te gaan tot betaling van een bedrag van Naf. 3.897.066,60, zijnde de door CT op basis van artikel 6:104 BW begrote schade als gevolg van de tariefsdifferentiatie. Haar aandelen in CT heeft AVR in diezelfde periode overgedragen aan een derde.

3.2 AVR legt aan haar vordering ten grondslag dat zowel UTS als Setel onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Het is het Gerecht niet duidelijk geworden welke gedragingen AVR UTS nu precies verwijt. Vaststaat dat het Setel is geweest die, als concurrent en medeconcessiehouder van CT, de door CT gewraakte tariefsdifferentiatie heeft doorgevoerd. Dat het besluit hiertoe is genomen op initiatief, op aanwijzing of met goedkeuring van Setels aandeelhoudster UTS, betekent nog niet dat ook UTS uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden aangesproken. De doorvoering van de tariefsdifferentiatie betreft in het verkeer een handeling van Setel, waarvoor in beginsel slechts zij kan worden aangesproken. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat ook haar aandeelhoudster onrechtmatig heeft gehandeld, zijn gesteld noch gebleken. Het Gerecht ziet derhalve geen grond voor aansprakelijkheid van UTS, zodat de vordering tegen haar zal worden afgewezen.

3.3 Setel heeft zich in de eerste plaats verweerd met de stelling dat AVR niet vorderingsgerechtigd is omdat de akte van cessie waarop AVR zich beroept niet aan de wettelijke eisen voldoet, in het bijzonder niet aan het vereiste dat de vordering voldoende bepaald is. Dit verweer wordt verworpen. Voldoende is dat de tot levering bestemde akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. De door CT en AVR opgemaakte <i>deed of assignment</i> bevat deze gegeven onmiskenbaar. Uit die akte blijkt dat het gaat om de vordering tot schadevergoeding op UTS en Setel, voortvloeiend uit of samenhangend met het vonnis van het Hof in de administratieve procedure. In die procedure stond de vraag centraal of de door Setel doorgevoerde tariefsdiffentiatie ongedaan moest worden gemaakt, zoals door CT was verzocht en de Minister had besloten. Het beroep van Setel is op dit punt zowel door het Gerecht als het Hof ongegrond bevonden. Duidelijk is daarmee dat CT en AVR het oog hadden op de schadevergoedingsvordering die CT stelde te hebben op UTS en Setel terzake de - door CT onrechtmatig geachte - tariefsdifferentiatie, voor welke schade CT hen overigens reeds bij brief van 28 december 2001 aansprakelijk had gesteld. Nu niet bestreden is dat aan de overige voorwaarden voor een rechtsgeldige cessie is voldaan, is AVR rechthebbende met betrekking tot de onderhavige vordering. Daarmee is haar belang bij de onderhavige rechtsvordering gegeven.

3.4 De vraag of Setel door middel van de doorvoering van de tariefsdifferentiatie onrechtmatig jegens CT heeft gehandeld wordt door het Gerecht bevestigend beantwoord. In de hiervoor bedoelde administratieve procedures is komen vast te staan dat de door Setel doorgevoerde tariefsdifferentiatie in strijd was met de aan Setel verleende concessies voor vaste en mobiele telefonie, aangezien tariefsdifferentiatie voor overeenkomstige vormen van dienstverlening (hier: het bellen naar een mobiel nummer) niet was toegestaan. De omstandigheid dat de betreffende door Setel geschonden concessievoorwaarden beogen het belang van de eindgebruikers te beschermen, zoals Setel stelt, betekent nog niet dat een dergelijke schending onder omstandigheden niet onrechtmatig kan zijn jegens derden (niet-eindgebruikers). In de eerste plaats was CT weliswaar niet aan te merken als eindgebruiker, maar was zij in ieder geval wel aan te merken als gebruiker van het net van Setel, zoals Setel ook gebruiker was van het net van CT. Van belang is ook dat, naar genoegzaam is gebleken, de Antilliaanse telecommunicatiemarkt nog maar zeer onlangs uit de monopolistische sfeer (met Setel als monopolist) was gekomen en CT een relatieve nieuwkomer op die markt betrof, alsmede dat in de zich ontwikkelende mobiele markt nog geen systeem van kostenallocatie beschikbaar was. Voor de interconnectie waren CT en Setel op elkaar aangewezen, tegen welke achtergrond zij vanaf de toetreding van CT overleg hebben gevoerd, onder meer over de interconnectietarieven, en geschillen daarover ingevolge het Landsbesluit geschillenbeslechting concessiehouders aan de Minister dienden te worden voorgelegd. Zoals ook hierna nog aan de orde zal komen, was op voorhand evident voor Setel dat de door haar aan haar eindgebruikers in rekening te brengen extra kosten voor het bellen naar CT, CT de naam zou geven het duurdere netwerk te zijn en CT klanten en omzet zou kosten. Het eenzijdig publiekelijk bekendmaken, doorvoeren en handhaven van de tariefsdifferentiatie, zonder overeenstemming met of zelf maar vooraankondiging aan CT en in weerwil van de verzoeken en de beslissing van de Minister, moet onder deze omstandigheden worden beschouwd - in elk geval mede - als een ongeoorloofd middel om ten koste van CT concurrentievoordeel te behalen. Zulks geldt ook indien Setel van mening zou zijn geweest dat de geldende interconnectietarieven niet langer kostengeoriënteerd waren. Setel is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door CT geleden schade.

3.5 De omstandigheid dat de Minister in de beschikking van 28 maart 2002 heeft bepaald dat Setel de tariefsverhoging niet met terugwerkende kracht per 1 januari 2001 ongedaan hoefde te maken, doet niet af aan het feit dat Setel vanaf die datum in strijd heeft gehandeld met de aan haar verleende concessies en onrechtmatig jegens CT. De beschikking van de Minister noch de vonnissen van het Gerecht en het Hof bieden enige steun voor de gedachte dat de tariefsverhoging vóór 14 april 2002 wel geoorloofd en rechtmatig was. Het niet-toekennen van terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de tariefsverhoging laat de aanspraak van CT op schadevergoeding vanaf die datum onverlet.

3.6 Van een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van Setel is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Setel stelt dat haar kosten voor het bellen naar CT 36 cent per minuut bedroegen en dat zij bij het tarief van 15 cent dat zij bij haar eindgebruikers in rekening bracht op elke minuut 21 cent moest bijleggen. Voorts stelt zij dat de door haar aan CT te betalen interconnectievergoeding van 36 cent per minuut niet “kostengeoriënteerd” en veel te hoog was. Daargelaten dat AVR deze stellingen gemotiveerd heeft betwist en daargelaten dat Setel niet heeft verklaard hoe het komt dat in de in 2004 tussen CT en Setel gesloten interconnectieovereenkomst de aan CT te betalen interconnectievergoeding is gehandhaafd op 36 cent, is het Gerecht van oordeel dat Setel ook onder deze omstandigheden de weg van overleg met CT en, zonodig, beslissing door de Minister had dienen te bewandelen.

3.7 In de op basis van AVR’s gegevens door CT’s accountant CAS in haar brief van 23 mei 2005 neergelegde “inschatting geleden schade”, wordt in het eerste halfjaar van 2002 - de periode van de gewraakte tariefsverhoging - een daling van het aantal nieuwe CT-abonnees genoemd van 1000 naar 250 per maand ten opzichte van 2001, welk aantal vervolgens in het tweede halfjaar van 2002 - nadat de tariefsverhoging ongedaan was gemaakt - weer opliep tot gemiddeld 800 per maand. Setel heeft weliswaar de nodige vraagtekens geplaatst bij de uitgangspunten, aannames en conclusies van CAS, maar het Gerecht acht voldoende aannemelijk geworden dat CT door de onrechtmatige tariefsverhoging schade heeft geleden. Het voorzienbare gevolg van de tariefsverhoging was dat CT bij het publiek de naam kreeg het duurdere netwerk te zijn. De tariefsverhoging zal CT ongetwijfeld (nieuwe) klanten hebben gekost. Het ligt immers voor de hand dat consumenten die de keuze hebben tussen een CT-toestel dat hun via Setel bellende relaties (daaronder begrepen hun gezinsleden die vanuit huis via de vaste Setel-aansluiting bellen) op extra kosten jaagt enerzijds en een Setel-toestel waarbij dat niet het geval is anderzijds, veelal voor dat laatste zullen kiezen, met voor CT een gemis aan abonnees (daaronder begrepen pre-paid bellers) en dus omzet tot gevolg. De redenering van Setel dat zich eerder een omgekeerd beeld zou hebben kunnen voordoen - Setel-abonnees werden geconfronteerd met een prijsverhoging voor bellen naar CT en zouden die ontlopen als zij zelf overstapten naar CT - miskent dat dit slechts zou kunnen opgaan voor louter mobiel bellende Setel-abonnees. Dat een relevant aantal (per definitie Setel-)abonnees met een vaste aansluiting een dergelijke overstap naar een mobiele CT-aansluiting heeft gemaakt, komt het Gerecht onwaarschijnlijk voor. Aanwijzingen daarvoor ontbreken. Setel heeft een aantal andere mogelijke oorzaken geopperd van de terugval bij CT in de aantallen nieuwe abonnees. Dat uitsluitend de door haar genoemde factoren de terugval hebben veroorzaakt - en niet Setels tariefsverhoging - is niet aannemelijk geworden.

Het Gerecht acht voorts aannemelijk dat de tariefsverhoging heeft geleid tot een voor CT lager saldo aan door Setel te betalen interconnectievergoedingen. Setel-bellers zullen na de tariefsverhoging terughoudender zijn geweest om CT-nummers te bellen (of, zoals door de ter pleitzitting aanwezige adviseur van Setel uitgedrukt: “die kijken wel uit”) . Ook hierbij betrekt het Gerecht het feit van algemene bekendheid dat consumenten hun consumptie mede laten afhangen van de door hen te betalen prijs en dat een hogere prijs een drukkend effect heeft op de consumptie. Bewijslevering of deskundigenonderzoek is daarvoor niet nodig.

3.8 AVR vordert primair een schadevergoeding conform de schatting door CAS, althans begroot op basis van artikel 6:104 BW. Zoals Setel terecht stelt en ook AVR en CAS zelf onderkennen, is op de schatting van CAS, die komt tot een bedrag van Naf. 5.130.556, wel wat aan te merken. In elk geval hoort de post van Naf. 1.780.000 terzake lagere verkoopopbrengst aandelen op de door Setel genoemde gronden niet thuis in de schadeopstelling en zou deze leiden tot een dubbeltelling. Van het geschatte schadebedrag dat resteert heeft het overgrote deel betrekking op “omzetderving door gemis subscribers” en “doorwerking gemis subscribers”. Een belangrijke moeilijkheid bij deze schadeposten is dat onzeker en niet vast te stellen is wat consumenten zouden hebben gedaan indien Setel de tariefsverhoging achterwege zou hebben gelaten, waarbij geldt dat ook andere factoren een rol kunnen hebben gespeeld bij de tijdelijke daling van het aantal nieuwe abonnees van CT. Geen van partijen heeft gesteld dat de impact voor CT van de tariefsverhoging - al dan niet na inschakeling van een deskundige - kan worden vastgesteld. Dát schade is veroorzaakt door de tariefsverhoging acht het Gerecht, zoals hiervoor reeds overwogen, echter gegeven. Naar het oordeel van het Gerecht leent deze zaak zich er dan ook voor om voor de begroting van de schade te kijken naar de door Setel met haar onrechtmatig handelen gemaakte winst als bedoeld in artikel 6:104 BW.

3.9 Setel heeft benadrukt dat de tariefsverhoging voor haar niet in extra winst heeft geresulteerd. Volgens Setel moest zij voorafgaand aan de tariefsverhoging toeleggen op het verkeer naar CT en was dat na de tariefsverhoging nog steeds het geval. Indien er hier veronderstellenderwijze van zou worden uitgegaan dat deze stelling van Setel juist is, zou in elk geval kunnen worden vastgesteld dat Setel door middel van de tariefsverhoging haar verlies heeft weten te beperken. Ook dat zou een voordeel voor Setel betekenen en ook dat zou naar het oordeel van het Gerecht tot toepassing van artikel 6:104 BW aanleiding geven. Setels stelling dat CT nooit zelf de veronderstelde winst had kunnen maken omdat die ten laste van Setel-abonnees is gemaakt, is daarbij niet relevant.

3.10 AVR heeft de door Setel met de tariefsverhoging behaalde winst gesteld op het aantal belminuten van Setels eindgebruikers naar het mobiele netwerk van CT in de periode 1 januari 2002 tot en met 29 juli 2002, vermenigvuldigd met Naf. 0,21. Het aantal belminuten was volgens AVR 18.557.460, hetgeen resulteert in een bedrag van Naf. 3.897.066,60. Setel heeft het door AVR gestelde aantal belminuten weliswaar betwist, maar heeft niet aangegeven om hoeveel minuten het dan wel ging. Evenmin heeft zij aangegeven dat zij niet over deze gegevens beschikt of dat deze voor haar niet te achterhalen zijn. Aan deze betwisting zal het Gerecht dan ook voorbijgaan. Genoemd bedrag van Naf. 3.897.066,60 zal het Gerecht aanmerken als het door Setel met de jegens CT onrechtmatig geoordeelde tariefsverhoging behaalde voordeel. Dat aan het behalen van dit voordeel (of het nu winst is, zoals AVR stelt, of verliesbeperking, zoals Setel stelt) nog (extra) kosten waren verbonden, is gesteld noch gebleken. Evenmin gesteld of gebleken is dat Setel is overgegaan of gehouden is over te gaan tot restitutie van de met de tariefsverhoging aan haar eindgebruikers in rekening gebrachte bedragen. Het Gerecht zal de schade van CT niettemin niet begroten op het gehele bedrag van Naf. 3.897.066,60. In de schatting door AVR van de daadwerkelijke schade en in hetgeen hiervoor onder 3.8 is opgemerkt over de (vermoedelijke) omvang daarvan, ziet het Gerecht aanleiding de (totale) schade te begroten op een deel van het door Setel behaalde voordeel, en wel op Naf. 3.000.000,-. Dat bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal het Gerecht daarbij toewijzen met ingang van de datum waarop AVR haar verzoekschrift heeft ingediend. Voordien verschuldigd geworden wettelijke rente moet worden geacht te zijn begrepen in het schadebedrag.

3.11 Setel heeft nog aangevoerd dat CT zelf ook in strijd heeft gehandeld met haar concessie en met geldende wet- en regelgeving. Tot concrete verwijten is Setel hierbij echter niet gekomen, behoudens de stelling onder 19 CvD dat CT, wanneer is onduidelijk, heeft geadverteerd met een lager tarief voor bellen naar CT dan voor bellen naar Setel. Voor het aannemen van schadeplichtigheid van CT jegens Setel is een en ander echter onvoldoende. Dat geldt ook voor de stelling, wat daar verder van zij, dat CT door het niet door de kosten gerechtvaardigde verschil in interconnectievergoedingen jarenlang door Setel is “gesubsidieerd” en daarmee ten laste van Setel miljoenen extra winst heeft gemaakt. Het Gerecht zal dan ook aan het hiermee samenhangende beroep van Setel op verrekening en op eigen schuld voorbijgaan.

3.12 Setel heeft zich (eerst bij dupliek) verzet tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Zij is hierbij echter niet veel verder gekomen dan de stelling dat sprake is van een restitutierisico omdat AVR een lege vennootschap zou zijn. Een nadere onderbouwing, al dan niet met jaarstukken, ontbreekt. Het Gerecht acht dit onvoldoende grond om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te weigeren, of om daaraan de voor AVR (in de kostensfeer) belastende voorwaarde van het stellen van zekerheid te verbinden. Anderzijds heeft AVR niet veel werk gemaakt van haar weerspreking van het gestelde restitutierisico, zodat ook allerminst kan worden gezegd dat aannemelijk is geworden dat een dergelijk risico te verwaarlozen is. Het Gerecht ziet hierin en in de omstandigheid dat het een “oude”, gecedeerde, vordering betreft, aanleiding het vonnis wel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar slechts in het geval geen zekerheid wordt gesteld door Setel als in het dictum omschreven.

3.13 Voor een additionele schadevergoeding terzake buitengerechtelijke incassokosten ziet het Gerecht geen grond. Afgezien van de sommatiebrief van 21 maart 2005 is niet gebleken van verrichtingen om tot buitengerechtelijke incasso te komen. De werkzaamheden genoemd op de door AVR overgelegde declaraties van haar advocaat zijn voor het leeuwendeel te scharen onder instructie van de zaak, waarvoor de regeling van de proceskosten geldt. Dat laatste geldt ook voor de met de beslaglegging gemoeide werkzaamheden.

3.14 In de zaak van AVR tegen Setel zal Setel als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Het salaris voor de gemachtigde zal daarbij worden geliquideerd op basis van tarief 11, 4 punten (beslag, verzoekschrift, repliek, pleidooi, elk 1 punt). In de zaak tegen UTS zal AVR de proceskosten hebben te dragen. Gelet evenwel op de omstandigheid dat UTS en Setel met dezelfde gemachtigden hebben geprocedeerd en een identiek verweer hebben gevoerd, zullen de aan de zijde van UTS gerezen kosten worden begroot op nihil.

4. Beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt Setel om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan AVR te betalen het bedrag van Naf. 3.000.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2005 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Setel in de kosten van het geding aan de zijde van AVR gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op Naf. 7.500,- aan griffierecht, Naf. 225,85 aan oproepingskosten, Naf. 1.325,65 aan beslagkosten en Naf. 24.400,- voor salaris gemachtigde;

veroordeelt AVR in de kosten van het geding aan de zijde van UTS gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, doch slechts indien door Setel niet binnen zes weken nadat hoger beroep is ingesteld - of binnen de door partijen eventueel nader schriftelijk overeen te komen termijn - ten behoeve van AVR voor het bedrag van Naf. 3.500.000,- zekerheid is gesteld in de vorm van een bankgarantie, onder de gebruikelijke voorwaarden en afgegeven door een te goeder naam en faam bekend staande bankinstelling in de Nederlandse Antillen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2007.