Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEANA:2007:BG9133

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
2006/36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert veroordeling tot betaling wegens het behartigen van de zakelijke belangen van erflater en wil dat de kosten die hij heeft gemaakt worden vergoed. Het Gerecht stelt dat uit de verklaring van het erfrecht van de notaris nog niet duidelijk is welk recht de nalatenschap van erflater(s) beheerst. Daarom lijkt inlichtingcomparitie bij de notaris nodig. Afgezien daarvan wijst de rechter op voet van art 118 Rv dat de erven van de lastgever, onder andere het verweer kunnen voeren dat de overeenkomst was geëindigd door de dood van hun erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 13 maart 2007 nr. ...

Behorend bij A.R. nr. 36 van 2006

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

ZITTINGSPLAATS SINT MAARTEN

VONNIS

in de zaak van:

[naam eiser]

te Sint Maarten, Nederlandse Antillen,

EISER,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Hofman-Ruigrok,

tegen:

[gedaagde 1],

[gedaagde 2] (erven wijlen [naam erven])

en

ERVEN [naam erven]

in de Verenigde Staten van Amerika, woonplaats gekozen hebbend te Sint Maarten, Nederlandse Antillen,

GEDAAGDEN,

hierna ook te noemen: [gedaagden] c.s. respektievelijk [gedaagden 1en 2] en de Erven,

gemachtigde: de advocaat mr. R.F. Gibson jr.

DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 10 februari 2006 ingediende verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord van 15 augustus 2006;

- de conclusie van repliek van 7 november 2006;

- de conclusie van dupliek van 30 januari 2007.

Het vonnis werd bepaald op vandaag.

1. DE FEITEN

1.1. Voor zover voor de beslissing van belang wordt in deze zaak van de volgende vaststaande of niet voldoende tegengesproken feiten uitgegaan.

1.2. Op 5 juli 2003 is de heer [naam erflater 1] te Sint Maarten overleden met, afgezien van enige legaten, achterlating van zijn broer [naam overleden broer van erflater 1] als enig testamentair erfgenaam<SUP>1</SUP>. Deze is overleden op 25 november 2003 in de staat New York, Verenigde Staten van Amerika. Erflaters worden verder gemakshalve alleen met de voornaam aangeduid als [erflater 1] respectievelijk [erflater 2].

1.3. [erflater 2] heeft over zijn nalatenschap<SUP>2</SUP> beschikt bij testament opgemaakt naar het recht van de staat New York.

2. DE VORDERING EN HET VERWEER

2.1. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagden 1 en 2 en de Erven], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van US$ 165.371,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2006 met veroordeling van [gedaagden 1 en 2 en de Erven] tot betaling van de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

2.2. [eiser] grondt de vordering erop dat hij de zakelijke belangen van [erflater 1] heeft behartigd en daarvoor kosten heeft gemaakt die moeten worden vergoed.

2.3. [gedaagden 1 en 2 en de Erven] voeren gemotiveerd verweer dat voor zover voor de beslissing van belang hieronder zal worden besproken.

3. DE BEOORDELING

3.1. Zoals uit de feitenopsomming volgt zijn er geen gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] meer. Er was slechts een testamentaire erfgenaam, zijn broer [erflater 2]. Tot diens vermogen behoren dus ook de activa en passiva waaruit de nalatenschap van [erflater 1] bestaat nu [erflater 2] diens rechtsopvolger onder algemene titel is. [erflater 2] is inmiddels overleden. De hierboven genoemde activa en passiva vormen dus onderdeel van die nalatenschap.

3.2. De vraag die door [gedaagden 1 en 2 en de Erven] als eerste aan de orde wordt gesteld is of zij naar het recht van de staat New York wel opvolger onder algemene titel zijn van [erflater 2] en daarmee uit dien hoofde gehouden zijn eventuele vorderingen van [eiser] op de nalatenschap van [erflater 1] en nadien [erflater 2] moeten voldoen.

3.3. Uit de verklaring van erfrecht van notaris Steeman lijkt te volgen dat [gedaagde 1] enig testamentair erfgenaam is van [erflater 2]<SUP>3</SUP>. Uit de verklaring van de heer Groman, advocaat te New York, kan mogelijk eveneens te volgen dat [gedaagde 1] enig testamentair erfgenaam van [erflater 2] is. Maar evengoed kan zij zijn aangewezen als legataris<SUP>4</SUP>. Hieruit kan dus nog niet volgen dat naar het recht van de staat New York - welk recht de nalatenschap van [erflater 2] beheerst - [gedaagde 1], laat staan Weinstock die alleen als executeur testamentair wordt genoemd, persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de nalatenschap(pen).

3.4. Ten einde daarover meer duidelijkheid te krijgen dienen eerst de testamenten van [erflater 1] en [erflater 2] in kopie overgelegd te worden. Daarna ligt het voor de hand dat een inlichtingencomparitie wordt gelast waarbij notaris Steeman zal worden uitgenodigd.

3.5. Afgezien van het bovenstaande wil het gerecht op voet van art. 118 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering echter het volgende aan partijen voorleggen. [eiser] baseert zijn vordering - onder andere - op een overeenkomst van opdracht met [erflater 1]. Naar het gerecht van oordeel is zou die opdracht dan mede het verrichten van rechtshandelingen hebben moeten omvatten omdat [eiser] ook betaling van nutsvoorzieningen en ten behoeve van de onroerende zaken verstrekte opdrachten zoals voor bewaking en tuinonderhoud behelst. Een dergelijke overeenkomst van opdracht kwalificeert echter als lastgeving<SUP>5</SUP> en die eindigt bij de dood van de lastgever<SUP>6</SUP>. Overigens is de vraag of wel sprake kan van een opdracht in de zin van art. 7:400 BWNA. Het lijkt er eerder op dat sprake kan zijn van bewaarneming<SUP>7</SUP> of een overeenkomst sui generis of zaakwaarneming<SUP>8</SUP>, dat laatste in zoverre [eiser] zijn bevoegdheid niet aan enige rechtsverhouding tot [erflater 1] heeft ontleend; een standpunt dat [eiser] gezien zijn primaire stellingen alleen subsidiair kan innemen.

3.6. Verder heeft [gedaagde 1] aangegeven dat haar raadsman in maart 2003 heeft meegedeeld dat hij niet bevoegd was zich met de nalatenschap te bemoeien. Mocht dat het geval zijn dan valt niet onmiddellijk in te zien op welke grond [eiser] zich nadien met het ‘beheer’ van de nalatenschap heeft beziggehouden.

3.7. Ook hierover zal te zijner tijd met partijen van gedachten worden gewisseld.

3.8. Het gerecht zal de zaak naar de rol verwijzen voor overlegging stukken en iedere verdere beslissing aanhouden.

DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 april 2007 om 8.30 voor akte houdende overlegging van schriftelijke stukken zijdens [gedaagden 1 en 2 en de Erven];

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 13 maart 2007 in aanwezigheid van de griffier.

<SUP>1</SUP> <SMALL>Een kopie van het testament bevindt zich niet het dossier; afgegaan wordt op de verklaring van erfrecht van notaris L.M. Steeman van 15 september 2005.</SMALL>

<SUP>2</SUP> <SMALL>Voor zover voor Sint Maarten van belang bestaat de nalatenschap wat haar activa betreft alleen uit twee woningen met zich daarin bevindende roerende zaken/inboedelgoederen.</SMALL>

<SUP>3</SUP> <SMALL>Sole heir at law; aangenomen moet waarschijnlijk worden dat [erflater 2] zowel testamentair als ab intestaat enig erfgenaam was. </SMALL>

<SUP>4</SUP> <SMALL>In de verklaring van erfrecht van mr. Steeman wordt zij aangeduid als “sole beneficiary”, in de brief van Groman als “sole residuary legatee” en executeur testamentair. </SMALL>

<SUP>5</SUP> <SMALL>Art. 7:414 BWNA.</SMALL>

<SUP>6</SUP> <SMALL>Art. 7:422 BWNA. Ook een volmacht eindigt overigens door de door van de volmachtgever, art. 3:72 onder a BWNA.</SMALL>

<SUP>7</SUP> <SMALL>Art. 7:600 BWNA.</SMALL>

<SUP>8</SUP> <SMALL>Art. 6:198 BWNA.</SMALL>