Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:77

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
SXM201700776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

tussenvonnis in een verdeling van een nalatenschap

formele relatie: ECLI:NL:OGEAM:2021:70

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201700776

Vonnis d.d. 17 augustus 2021

inzake

1 [Appellant 1],

wonende in Sint Maarten,

2. [Appellant 2],

wonende in Sint Maarten,

3. [Appellant 3],

wonende in Sint Maarten,

4. [Appellant 4],

wonende in Sint Maarten,

eisers in conventie in de hoofdzaak,

gedaagden in reconventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [Appellant c.s.],

voorheen de heer E.I. MADURO als gemachtigde, thans procederende in persoon met als woordvoerder [Appellant 3],


tegen

De gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 1],

De gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 2],

De gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 3],

bestaande uit:

1 De gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 4],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

laatst gewoond hebbende in Sint Maarten,

gemachtigde: mr. V.D.A. BELL,

2 De gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 5],

laatst gewoond hebbende in Sint Maarten,

gedaagden in conventie,

gemachtigde: voorheen mr. J.G. SNOW, thans mr. V.D.A. BELL,

3 De gezamenlijke erfgenamen van [erflater 6],

laatst gewoond hebbende in Sint Maarten,

gedaagden in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. V.D.A. BELL,

4 De gezamenlijke erfgenamen van [erflater 7],

laatst gewoond hebbende in de Verenigde Staten van Amerika,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. V.D.A BELL,

5 De gezamenlijke erfgenamen van [erflater 8],

laatst gewoond hebbende in de Verenigde Staten van Amerika,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. M.B. BIJKERK, en

6 De gezamenlijke erfgenamen van [erflaatster 9],

laatst gewoond hebbende in de Verenigde Staten van Amerika,

gemachtigde: voorheen mr. C.H.J. MERX, vervolgens de heer E.I. MADURO, thans in persoon,

7 [Erfgenaam 1],

wonende in Sint Maarten,

8. ]Erfgenaam 2],

wonende in Sint Maarten,

9. [Erfgenaam 3],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

10. [Erfgenaam 4],

wonende in Sint Maarten,

11. [Erfgenaam 5],

wonende in Sint Maarten,

12. [Erfgenaam 6],

wonende in Sint Maarten,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie.

gemachtigde: mr. M.N. HOEVE,

en

13 eventuele nog onbekende deelgenoten.

1 Nader verloop

1.1.

Het Gerecht verwijst naar haar vonnissen van 19 maart 2019 (waarbij een comparitie is bepaald), 10 december 2019 (incidenteel tussenvonnis) en 21 juli 2020 (incidenteel eindvonnis) alsmede haar rolbeschikking van 15 juni 2021 (weigering van de heer E.I. Maduro als gemachtigde). Deze uitspraken zijn, samen met het onderhavige tussenvonnis, gepubliceerd op de website van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: http://www.gemhofvanjustitie.org/ onder Uitspraken – Oude boedels – Onverdeelde boedels – Oude boedels (Sint Maarten) – Nalatenschap [Erflater 1]. Ook de verslagleggingen betreffende de gehouden comparities zijn op deze website gepubliceerd.

1.2.

Het procesverloop tot dan toe is weergegeven in de vonnissen van 10 december 2019 en 21 juli 2020.

1.3.

Door een groot aantal partijen is een schriftelijk ‘Voorstel ter presentie bij de comparitie in de zaak erfgenamen [Erflater 1]’ d.d. 1 oktober 2020 gedaan. Een groot aantal machtigingen zijn overgelegd.

1.4.

Een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

De comparitie is voortgezet op 17 december 2020. Hiervan zijn Aantekeningen gemaakt.

1.6.

Door [Appellant c.s.] is een ‘Request to revise the petition/pleading notes’ d.d. 11 februari 2021 ingediend, met producties, waaronder testamenten van [Erflater 1] sr. (productie 1) en [Erflater 3] (productie 2).

1.7.

Op 18 februari 2021 is de comparitie voortgezet. Hiervan zijn Aantekeningen gemaakt.

1.8.

Door de erfgenamen van [Erflater 8] (gemachtigde: mr. M. Bijkerk) is een Antwoord op tweede eiswijziging in de zaak AR 99 van 2017’ d.d. 4 april 2021 ingediend.

1.9.

Op 6 april 2021 zijn antwoordaktes genomen door [Naam 1], [Naam 2], en [Naam 3] (gemachtigde E.I. Maduro), de erfgename van [Erflaatster 9], te weten [Naam 4] (gemachtigde E.I. Maduro), gedaagden sub 7-12 in conventie (gemachtigde mr. Hoeve) en een conclusie van antwoord, met producties, door gedaagden sub 1-4 in conventie (gemachtigde mr. V.D. Bell), gedaagde sub 5 (gemachtigde mr. Bijkerk) en gedaagde sub 6 (mr. Merkx).

1.10. [

[Appellant], kennelijk namens eisers [Appellant cs.], heeft een ‘breakdown of the properties and the ownership’ d.d. 16 april 2021, met producties, ingediend.

1.11.

Op 22 april 2021 is de comparitie voortgezet. Hiervan zijn Aantekeningen gemaakt.

1.12.

Op 1 juni 2021 is een antwoordakte genomen door gedaagden sub 7-12 (gemachtigde mr. Hoeve) en een akte uitlating door de gezamenlijke erfgenamen van [Erflater 4], van [Erflater 6], van [Erflater 7] en van [Erflater 5] (gemachtigde mr. V.D. Bell).

1.13.

Op 15 juni 2021 volgde de onder 1.1 genoemde rolbeschikking waarin de heer E.I. Maduro als gemachtigde is geweigerd.

1.14.

Vonnis in de hoofdzaak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

Feiten

2.1.

Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten:

a. [Erflater 1], geboren op [datum] 1873, was gehuwd met [Erflater 2], uit welk huwelijk tien kinderen zijn geboren (de [Naam erflater 2] kinderen).

b. Het huwelijk is ontbonden door de dood van [Erflater 2] op [datum] 1934.

c. [Erflater 1] is hertrouwd met [Erflater 3], uit welk huwelijk zeven kinderen zijn geboren (de [Naam erflater 3]-kinderen).

d. De eisers [Appellant cs.] zijn de erfgenamen van wijlen [Naam 5], een van deze zeven [Naam erflater 3]-kinderen.

e. [Erflater 1] heeft op [datum] 1950 een testament gemaakt, uitsluitend met legaten ten behoeve van de [Naam erflater 3]-kinderen en zijn echtgenote [Erflater 3].

f. [Erflater 1] is op [datum] 1962 overleden.

g. Het Gerecht heeft op 12 december 1978, AR 290/1977 de titels die ten grondslag lagen aan een aantal leveringen van grond door [Erflater 1] nietig verklaard. Dit vonnis is niet ingeschreven in de openbare registers.

h. [Erflater 3] heeft op [datum] 1979 een testament gemaakt, uitsluitend met legaten ten behoeve van haar ‘adopted daughter [Naam 6] … whom I raised from a young child’ en haar zoon [Naam 7].

i. [Erflater 3] is op [datum] 1981 overleden.

j. Het Gerecht heeft op 9 april 2013, AR 60/2012 de verdeling gelast met benoeming van een boedelnotaris en onzijdig persoon. Hiervan is niets gekomen.

k. [Appellant c.s.] vorderen in de onderhavige procedure dat het Gerecht zelf de verdeling vaststelt.

Openbare oproeping

2.2.

Ter zake van een verdelingszaak als de onderhavige is in HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, het volgende overwogen:

3.4

(…) Een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing over die boedelbeschrijving en verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (vgl. o.m. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0405, NJ 1992/34).

3.5.1

Met het oog op een doelmatige rechtspleging moet voor een geding over een processueel ondeelbare rechtsverhouding in de dagvaardingsprocedure worden aanvaard hetgeen hierna in 3.5.2-3.5.5 wordt overwogen en dat overeenstemt met hetgeen in de verzoekschriftprocedure reeds geldt.

3.5.2

Iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft in eerste aanleg het recht jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen, ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de bij dagvaarding ingestelde vordering zich richt. Voorts heeft ieder van hen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ongeacht door en tegen wie deze is ingesteld.

(…)

3.6.1

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om, overeenkomstig het hiervoor in 3.4 overwogene, alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Ook dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. (Vgl. HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, rov. 3.4.3.)

3.6.2

Is overeenkomstig het hiervoor in 3.6.1 overwogene een partij de gelegenheid gegeven om de niet opgeroepen personen op de voet van art. 118 Rv in het geding te betrekken, maar maakt deze niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruik, dan dient zij op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering respectievelijk het door haar aangewende rechtsmiddel.

(…)

2.3.

Het Gerecht draagt ambtshalve de eisers [Appellant c.s.] op binnen zes weken in The Daily Herald een advertentie te zetten waarin iedereen die meent deelgenoot te zijn in de nalatenschappen van [Erflater 1], overleden op [datum] 1962, zijn eerste echtgenote [Erflater 2], overleden op [datum] 1934, en zijn tweede echtgenote [Erflater 3], overleden op [datum] 1981, en die nog niet is verschenen in de procedure voor het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten onder nummer SXM201700776, dit alsnog kan doen door een akte te nemen op de rolzitting van dinsdag 12 oktober 2021. In de advertentie moet verwezen worden naar de website van het Gemeenschappelijk Hof: http://www.gemhofvanjustitie.org/ onder: Uitspraken – Oude boedels – Onverdeelde boedels – Oude boedels (Sint Maarten) – Nalatenschap [Erflater 1].

2.4.

De kosten van de advertentie gelden als boedelkosten, maar aangezien er vooralsnog geen boedelkas is, dienen de eisers [Appellant c.s.] de kosten voor te schieten.

Commissie

2.5.

Door meerdere partijen is aangedrongen op de benoeming van een commissie, mede bestaande uit specialisten. Er is, zoals overwogen, geen boedelkas. Het Gerecht zal daarom [Appellant 3] en de advocaten die als gemachtigde optreden (mrs. V.D. Bell, Hoeve, Bijkerk, Merx en eventuele nog toetredende advocaten) opdragen gezamenlijk één akte te nemen, met ruimte voor eventuele ‘dissenting opinions’.

Openbare registers bepalend

2.6.

Deze zaak is al ingewikkeld genoeg. Het Gerecht wil zich daarom vooralsnog beperken tot goederen waarop blijkens de openbare registers [Erflater 1] (of een van zijn echtgenoten) recht had.

Geleverde goederen

2.7.

Hiertoe behoren niet de goederen die [Erflater 1], blijkens de openbare registers, heeft geleverd. Bij vonnis van het Gerecht van 12 december 1978, AR 290/1978 (productie 7 bij inleidend verzoekschrift) zijn de aan de leveringen ten grondslag liggende titels nietig verklaard. Dit vonnis is echter niet ingeschreven in de openbare registers. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dit vonnis is inmiddels verjaard (artikel 3:324 lid 1 BW).

Verkrijgende verjaring

2.8.

Naar vaste rechtspraak geldt dat wie welbewust (een deel van) een langdurig onverdeelde boedel in gebruik neemt, in beginsel naar verkeersopvattingen (artikel 3:108 BW) geldt als houder voor de boedel. Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van de eigenaar, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW). Gelet hierop is het louter bouwen op een onroerende zaak geen bezitsdaad of tegenspraak van het recht van de eigenaar. Voor het enkel doen opmaken van een meetbrief geldt hetzelfde. Men blijft houder voor de boedel. Inschrijving in de openbare registers van een verjaring of levering kan echter wel gelden als bezitsdaad. Zie onder meer het Hofvonnis van 30 januari 2018 in de Curaçaose zaak Rancho, ECLI:NL:OGHACMB:2018:46, rov. 3.40-3.42.

2.9.

Zie ook, naar aanleiding van een cassatieberoep tegen dit Rancho-vonnis, HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, NJ 2021/186:

5.3.3

Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BWC), waarbij die machtsuitoefening zodanig moet zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BWC). [noot 2: Vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, rov. 3.4.2.] De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. [noot 3: Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, rov. 3.3.2.] Voorts geldt dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BWC).

5.3.4

Het hof heeft in rov. 3.40 van de eindbeschikking geoordeeld dat wie welbewust (een deel van) een langdurig onverdeelde boedel in gebruik neemt, in beginsel naar verkeersopvattingen geldt als houder voor de boedel. Dit oordeel is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard betreffende de verkeersopvattingen in Curaçao, en kan als zodanig in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het oordeel geeft, mede gelet op de algemene bekendheid in Curaçao met het verschijnsel van langdurig onverdeelde boedels en op het feit dat indien een bepaald stuk grond tot een langdurig onverdeelde boedel behoort dit in Curaçao in de regel algemeen bekend is, [noot 4: Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, ed. Murray, 2016, p. 895.] geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

In rov. 3.42 van de eindbeschikking heeft het hof voorts geoordeeld dat het louter bouwen op Rancho en het enkel opmaken van een meetbrief geen bezitsdaad of tegenspraak van het recht van de eigenaar is. Gelet op de bijzondere kenmerken van langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.43), mag niet snel worden aangenomen dat een handeling van de houder geldt als een bezitsdaad dan wel een daad van tegenspraak van het recht van de eigenaar. Het oordeel van het hof geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. De klachten falen.

2.10.

Degenen aan wie [Erflater 1], blijkens de openbare registers, de goederen heeft geleverd zijn inmiddels als bezitter door verjaring eigenaar geworden, ook al was [Erflater 1] (ten dele) beschikkingsonbevoegd. Zie artikel 3:314 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:105 lid 1 BW. Dat hun bezit niet te goeder trouw was staat, blijkens het slot van artikel 3:105 lid 1 BW, daaraan niet in de weg.

Aandeel van [Erflater 1] in de goederen

2.11.

Het Gerecht zal er vooralsnog vanuit gaan dat de thans volgens de openbare registers op naam van [Erflater 1] staande goederen voor het geheel aan hem toebehoorden voor of tijdens zijn eerste huwelijk in gemeenschap van goederen met [Erflater 2]. Het Gerecht zal abstraheren van het overlijden van kinderen. Uit dit huwelijk met [Erflater 2] zijn tien kinderen geboren.

2.12.

Na het overlijden van echtgenote [Erflater 2] had [Erflater 1] voor de helft recht op de goederen krachtens huwelijksvermogensrecht en voor een elfde deel van de andere helft krachtens erfrecht: (0,5) + (1/11 x 0,5 = afgerond 0,05), i.e. totaal 0,55.

2.13.

Deze 0,55 viel bij zijn hertrouwen in gemeenschap van goederen met [Erflater 3] in de huwelijksgemeenschap. Uit dit huwelijk met [Erflater 3] zijn zeven kinderen geboren.

2.14.

De tien [Naam erflater 2]-kinderen erfden bij versterf van hun moeder [Erflater 2] 10/11e deel van haar nalatenschap, zijnde de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap: 10/11 x 0,5 = afgerond 0,45.

2.15.

Na het overlijden van [Erflater 1] viel krachtens huwelijksvermogensrecht de helft van 0,55, i.e. afgerond 0,27 in zijn nalatenschap. Erfgenamen waren zijn tien [Naam erflater 2]-kinderen, zijn zeven [Naam erflater 3]-kinderen en zijn tweede echtgenote [Erflater 3].

2.16.

De tien [Naam erflater 2]-kinderen erfden bij versterf van hun vader [Erflater 1]: 10/18 x 0,27 (nalatenschap) = afgerond 0,15.

2.17.

De zeven [Naam erflater 3]-kinderen erfden bij versterf van hun vader [Erflater 1]: 7/18 x 0,27 (nalatenschap), i.e. afgerond 0,10.

2.18.

Tweede echtgenote [Erflater 3] erfde van [Erflater 1]: 1/18 x 0,27 (nalatenschap), i.e. 0,02

2.19.

Na het overlijden van de tweede echtgenote [Erflater 3] erfden de zeven [Naam erflater 3]-kinderen bij versterf van hun moeder haar gehele nalatenschap, te weten 0,27 als helft van de huwelijksgemeenschap, en haar erfdeel uit de nalatenschap van [Erflater 1], te weten 0,02, i.e. totaal afgerond 0.29.

2.20.

Kortom, na het overlijden van alle ouders (eerste echtgenote [Erflater 2], [Erflater 1] en tweede echtgenote [Erflater 3]) hadden de tien [Naam erflater 2]-kinderen recht op: 0,45 (nalatenschap moeder-[Erflater 2]) + 0,15 (nalatenschap vader-[Erflater 1]), i.e. totaal 0,6.

2.21.

De zeven [Naam erflater 3]-kinderen hadden recht op: 0,10 (erfenis vader-[Erflater 1]) + 0.29 (erfenis moeder-Gumbs), i.e. totaal afgerond 0,4.

De opgedoken testamenten

2.22.

In hun ‘Request to revise the petition/pleading notes’ van 11 februari 2021 hebben [Appellant c.s.] recentelijk door hen ontdekte testamenten van [Erflater 1] en zijn tweede echtgenote [Erflater 3], in het geding gebracht.

2.23.

De ontdekking der testamenten gaf hun reden voor een eiswijziging. Dit is, anders dan door gedaagden sub 1-4 in conventie (gemachtigde mr. V.D. Bell) in hun conclusie van antwoord van 6 april 2021, onder 9 betoogd, niet in strijd met een goede procesorde (artikel 109 Rv).

Legaten

2.24.

In het testament van [Erflater 1], verleden op [datum] 1950, zijn vier goederen gelegateerd aan zijn zeven kinderen uit zijn tweede huwelijk en zijn tweede echtgenote.

2.25.

In het testament van [Erflater 3], verleden op [datum] 1979 worden twee appartementen achter haar woonhuis gelegateerd: één aan haar ‘adopted daughter [Naam 6] … whom I raised from a young child’ en één aan haar zoon [Naam 7].

Legateringsbevoegdheid

2.26.

Volgens de erfgenamen van [Erflater 8] (gemachtigde mr. Bijkerk), bij akte van 4 april 2021, onder 1, mist het testament van [Erflater 1] rechtskracht, omdat de kinderen-[Naam erflater 2] na het overlijden van hun moeder niet de facto kunnen worden onterfd en [Erflater 1] niet kan beschikken over specifieke delen van zijn aandeel in de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap na het overlijden van hun moeder.

2.27.

Deze stellingen raken aan de ten tijde van overlijden van [Erflater 1] geldende artikelen 930 en 992-993 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen (BWNA-oud), luidende:

Artikel 930 BWNA-oud

Echtgenoten kunnen, ten opzichte van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over het aandeel, dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indien echter enig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien dat goed niet aan de erfgenamen van de erflater is aanbedeeld. In dat geval wordt de legataris schadeloosgesteld uit het aandeel in de gemeenschap, aan de erfgenamen van de erflater aangekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die erfgenamen persoonlijk toebehorende.

Artikel 992 BWNA-oud

Wanneer de erflater enig bepaald goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, hetzij de erflater al dan niet geweten hebbe, dat dit goed hem niet toebehoorde.

Artikel 993 BWNA-oud

De bepaling van het vorige artikel belet echter niet, dat aan de erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de verplichting kan worden opgelegd, om aan derden zekere uitkeringen uit zijn eigen goederen te doen, of schulden kwijt te schelden.

2.28.

Het Gerecht hoeft niet op deze kwestie in te gaan aangezien, zoals hierna zal blijken, het beroep op verjaring van de rechtsvorderingen van de legatarissen slaagt.

Legaat geeft legatarissen vordering

2.29.

Ook naar oud recht (per 1 april 2014 is in Sint Maarten een nieuw Boek 4 BW Erfrecht, in werking getreden; zie artikel 4:117 BW-nieuw) vormt een legaat de titel voor de levering. Men zie HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4808, NJ 1985/375:

3.1

Middel II onder 1 treft doel. Het Hof is ten onrechte ervan uitgegaan dat bij legatering van een bepaalde zaak de eigendom daarvan van rechtswege op de legataris overgaat. In overeenstemming met een reeds lang algemeen aanvaarde opvatting moet immers worden aangenomen dat een zodanig legaat slechts een verbintenis tot levering van de zaak in het leven roept. Daaraan kan niet afdoen dat de HR in de vorige eeuw anders heeft geoordeeld en dat dit van belang kan zijn voor de gevolgen die moeten worden toegekend aan legaten die zo lang geleden zijn opengevallen dat zij onder invloed van die rechtspraak niet tot een leveringshandeling hebben geleid.

Bevrijdende verjaring van rechtsvorderingen van legatarissen

2.30.

De gezamenlijke erfgenamen zijn verplicht de gelegateerde goederen aan de legatarissen te leveren. Volgens gedaagden sub 1-4 in conventie (gemachtigde mr. V.D. Bell) in hun conclusie van antwoord van 6 april 2021, onder 16, zijn de vorderingen van de legatarissen verjaard. [Erflater 1] is overleden in 1962 en [Erflater 3] in 1981.

2.31.

Over de verjaringskwestie heeft de Hoge Raad zich recentelijk uitgesproken. In HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649, NJ 2021/165 is overwogen:

3.1.2

De rechtsvorderingen tot uitkering van een legaat die [verweersters] tegen [eisers] hebben ingesteld, verjaren ingevolge art. 3:306 BW in verbinding met art. 3:313 BW door verloop van twintig jaren na de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. [met noot 2: Vgl. met betrekking tot art. 3:310 lid 2 BW onder meer HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635 (NJ 2000/430, m.nt. A.R. Bloembergen; red.) (erven [naam 1]/[naam 2]), rov. 3.3.1 en HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138 (NJ 2006/228, m.nt. H.J. Snijders; red.) (mesothelioom), rov. 3.2.1.].

3.1.3

Met betrekking tot een rechtsvordering tot vergoeding van schade — een andersoortige rechtsvordering dan in de onderhavige zaak aan de orde — heeft de Hoge Raad overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. Of in een dergelijk geval toepassing van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. In dit verband heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken. [met noot 3: HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138 (NJ 2006/228, m.nt. H.J. Snijders; red.) (mesothelioom), rov. 3.2.1.].

3.1.4

Het bestreden arrest moet kennelijk aldus worden begrepen dat het oordeel van het hof in rov. 5.18 dat het beroep van [eisers] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, mede berust op hetgeen het hof in rov. 5.19 heeft overwogen. Die overwegingen komen op het volgende neer:

- het moet ervoor worden gehouden dat [verweersters] pas in 2014 bekend waren met de legaten;

- [verweersters] hebben binnen een redelijke termijn daarna de onderhavige vorderingen ingesteld;

- er is geen uitvoering gegeven aan de legaten;

- niet is gebleken van feiten en omstandigheden die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat [verweersters] alsnog betaling van de aan hen gelegateerde bedragen vorderen; en

- uit de successieaangifte blijkt dat [de zoon] de aan hem gelegateerde bedragen al had verkregen.

Door aldus te overwegen en te oordelen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar kan een beroep op het verstrijken van de verjaringstermijn van art. 3:306 BW in een uitzonderlijk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (zie hiervoor in 3.1.2), maar de hiervoor weergegeven overwegingen kunnen niet de conclusie dragen dat hier sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval. Niet gezegd kan worden dat de aanspraken van [verweersters] uit hoofde van de aan hen toegekende legaten naar hun aard verborgen zijn gebleven en pas konden worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken, zoals hiervoor in 3.1.3 bedoeld. Zo hadden [verweersters], toen zij in 1986 bekend werden met het overlijden van oma, het bestaan en de inhoud van haar testament kunnen vaststellen door raadpleging van het Centraal Testamentenregister.

Evenmin blijkt uit de hiervoor weergegeven overwegingen dat zich hier anderszins een zodanig uitzonderlijk geval voordoet dat het beroep van [eisers] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.32.

Het Gerecht acht in het onderhavige geval het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De legatarissen hadden (telkens binnen twintig jaren na overlijden) het Centraal Testamentenregister kunnen raadplegen. Curieus is dat tussen de producties bij inleidend verzoekschrift uittreksels d.d. 15 mei 2015 uit dit register bevinden (producties 4-5), gepaard gaand met de stelling dat er géén testamenten waren, hetgeen slechts ten dele klopt (inleidend verzoekschrift onder 1, laatste zin).

2.33.

Kortom, als niet eerder dan bij ‘Request to revise the petition/pleading notes’ d.d. 11 februari 2021 nakoming van de verplichtingen uit legaat is gevorderd, dan is die rechtsvordering in beginsel verjaard.

2.34.

Er kunnen wellicht bijzondere omstandigheden zijn die nog moeten blijken, bijvoorbeeld dat de legaten feitelijk zijn uitgevoerd. Zo stelt [Erflater 1] in zijn testament ten aanzien van het gelegateerde stuk grond van 2 hectare, 52 are, 87,5 centiare met ‘a seven room concrete house with cistern’: ‘said concrete building and cistern abovementioned is being built with the assistance of my aforenamed wife, [Erflater 3] and my aforenamed seven minor children for the assistance given by them in the construction of said seven room concrete house with cistern …’. Aannemelijk is dat na zijn overlijden zijn weduwe [Erflater 3] in het huis is blijven wonen. Wat is met het huis gebeurd na haar overlijden? En wat betreft het legaat van de twee appartementen in het testament van [Erflater 3], hebben haar ‘adopted daughter [Naam 6]’ en haar jongste zoon [Naam 7] in het desbetreffende gelegateerde appartement gewoond? Hierover kunnen partijen zich uitlaten.

Gebruik van grond door deelgenoten

2.35.

De rechter stelt de verdeling vast, ‘rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang’ (artikel 3:185 lid 1 slot BW).

2.36.

Eerste echtgenote [Erflater 2] overleed in 1934, dus 87 jaar geleden. [Erflater 1] zelf overleed in 1962, dus 59 jaar geleden. En tweede echtgenote [Erflater 3] overleed in 1981, dus 40 jaar geleden. Intussen zullen wellicht delen van de nalatenschapsgoederen door deelgenoten of verwanten van deelgenoten in gebruik zijn genomen om ter plaatse te wonen of een onderneming uit te oefenen.

2.37.

Het Gerecht is voorlopig voornemens om, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang, indien de door een deelgenoot in gebruik genomen grond geen ter plaatse ongebruikelijk grote oppervlakte heeft, deze grond toe te delen aan de deelgenoot, in beginsel zonder verplichting tot vergoeding van de overwaarde. Geen beletsel is dus dat het erfrechtelijke aandeel van de desbetreffende deelgenoot te klein is. Wel moet de desbetreffende deelgenoot na de toedeling de kosten van de benodigde levering (artikel 3:186 BW) dragen (zoals ten aanzien van meetbrief, notaris, openbare registers).

2.38.

Is de gebruiker zelf geen deelgenoot, maar verwant aan een deelgenoot, dan zou het goed kunnen worden toebedeeld aan die deelgenoot.

Voorlopig doorgehakte knopen

2.39.

Het Gerecht heeft voorlopig oordelend een aantal knopen doorgehakt:

a. [Appellant c.s.] moeten een advertentie zetten in The Daily Herald tot oproeping van eventueel nog niet verschenen deelgenoten en verwijzen naar de website van het Hof.

b. [Appellant 2] en de advocaten die als gemachtigde optreden (mrs. V.D. Bell, Hoeve, Bijkerk, Merx en eventuele nog toetredende advocaten) worden benoemd in de commissie.

c. Het Gerecht beperkt zich vooralsnog tot goederen waarop blijkens de openbare registers [Erflater 1] (of een van zijn echtgenoten) recht had.

d. De door [Erflater 1] geleverde goederen horen niet tot de nalatenschappen. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het rechterlijk vonnis tot nietigverklaring is verjaard. De verkrijgers zijn eigenaar geworden door verjaring.

e. De tien [Naam erflater 2]-kinderen zijn erfrechtelijk voor 60% en de zeven [Naam erflater 3]-kinderen voor 40% gerechtigd tot de nalatenschappen.

f. De rechtsvorderingen uit de in de testamenten opgenomen legaten zijn in beginsel verjaard. De testamenten (waarin alleen legaten zijn opgenomen) spelen dus in beginsel geen rol meer.

g. Indien de door een deelgenoot of diens familielid in gebruik genomen grond geen ter plaatse ongebruikelijk grote oppervlakte heeft, wordt deze grond in beginsel toebedeeld aan de deelgenoot, in beginsel zonder verplichting tot vergoeding van de overwaarde.

Opdracht aan de commissie

2.40.

Het Gerecht wil dat de commissie één akte neemt, met ruimte voor ‘dissenting opinions’, met de hierna volgende inhoud.

I. Een inventarisatie van alle goederen waarop blijkens de openbare registers [Erflater 1] (of een van zijn echtgenoten) recht had, met duidelijke kaarten en arceringen en met bijvoeging van eventuele meetbrieven.

II. Een inventarisatie van tot die goederen behorende grond die in gebruik is bij een deelgenoot of familielid van een deelgenoot, met opgave van oppervlakte in m2, met duidelijke kaarten en arceringen en met bijvoeging van eventuele meetbrieven.

III. Een verslag wat er na het overlijden van [Erflater 1] in 1962 en zijn echtgenote [Erflater 3] in 1981 gebeurd is met de in de twee testamenten gelegateerde goederen, in het bijzonder het woonhuis met grond en de twee appartementen achter het woonhuis.

IV. Een inventarisatie van grond die eventueel kan worden verkocht ter dekking van boedelkosten en ter verdeling van de netto-opbrengst onder deelgenoten die geen of te weinig grond krijgen toebedeeld.

V. Zo mogelijk een voorstel tot verdeling.

2.41.

De kosten die de commissie maakt zijn boedelkosten, maar moeten, zolang er geen boedelkas is, worden voorgeschoten door eisers [Appellant c.s.] die al veel voorwerk hebben gedaan.

2.42.

Nadat de commissie haar akte heeft genomen, wordt deze gepubliceerd op de website van het Hof.

2.43.

Alle partijen krijgen vervolgens de gelegenheid voor een antwoordakte (P3).

2.44.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

- draagt de commissie, bestaande uit [Appellant 3] en de advocaten die in deze zaak als gemachtigde optreden, op de in rov. 2.40 bedoelde akte te nemen;

- verwijst de zaak daartoe naar de rol van dinsdag 12 oktober 2021;

- bepaalt dat de door de commissie genomen akte wordt gepubliceerd op de website van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: http://www.gemhofvanjustitie.org/ onder Uitspraken – Oude boedels – Onverdeelde boedels – Oude boedels (Sint Maarten) – Nalatenschap [Erflater 1];

- bepaalt dat vervolgens alle partijen gelegenheid krijgen voor antwoordaktes;

- bepaalt dat dit tussenvonnis ook wordt gepubliceerd op de website van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Boer, rechter, en op 17 augustus 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.