Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:60

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
24-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
SXM202100149
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering betaling (achterstallig) loon toegewezen ter hoogte van basissalaris plus loonsubsidie waarop werkgeefster i.v.m. coronacrisis recht heeft; beroep op “geen werk, geen loon” faalt; werkneemster niet-ontvankelijk in vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202100149

Beschikking d.d. 24 mei 2021

inzake

[de werkneemster],
wonende in Sint Maarten,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J.G. SNOW,


tegen

1 de besloten vennootschap

WORLD GIFTS IMPORTS B.V. h.o.d.n. LITTLE SWITZERLAND,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,

hierna: de werkgeefster,
2. [bestuurder 1],
wonende in Sint Maarten,
verweerder,

hierna: [bestuurder 1],
3. [bestuurder 2],
wonende in Sint Maarten,
verweerster,

hierna: [bestuurder 2],

gemachtigde voor alle verweerders: mr. C.D. ENGELHARDT.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties, ontvangen op 21 januari 2021,

  2. verweerschrift met producties,

  3. extra producties van de werkgeefster,

  4. extra producties van de werkneemster,

  5. twee pleitnota’s van de werkgeefster,

  6. twee pleitnota’s van de werkneemster,

  7. e-mail van 21 april 2021 namens de werkgeefster.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2021 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. Mr. Engelhardt en de vertegenwoordigers van de werkgeefster namen aan de zitting deel door middel van video-conference vanwege de reisbeperkingen als gevolg van de COVID-19-pandemie. Tegelijkertijd vond de behandeling plaats van vier andere soortgelijke verzoeken van werknemers.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

De werkneemster (geboren op [geboortedatum]) is sinds 20 november 1997 in loondienst werkzaam voor de werkgeefster. Zij heeft de functie van sales consultant met een basissalaris van NAf. 706,40 bruto per 2 weken. Daarnaast ontvangt zij loon uit commissies, berekend op basis van de verkopen die zij doet in de juwelierswinkel die de werkgeefster exploiteerde.

2.2.

De werkgeefster exploiteerde op Sint Maarten twee juwelierswinkels, te weten in Front Street en in de cruisehaven. Als gevolg van de COVID-19-pandemie kwamen er geen cruiseschepen meer naar Sint Maarten en hadden de winkels van de werkgeefster geen klandizie meer. Zij zijn beide omstreeks maart/april 2020 gesloten. Van de winkel in Front Street is de huurovereenkomst inmiddels opgezegd. Met de meeste werknemers (in totaal circa 33) heeft de werkgeefster inmiddels beëindigingsovereenkomsten gesloten. Met de werkneemster en vier van haar collega’s is geen akkoord over minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomsten bereikt.

2.3.

Bij kortgedingvonnis van 27 november 2020 van dit Gerecht (SXM202001038) is de werkgeefster veroordeeld om aan de werkneemster te betalen het achterstallig loon over de periode vanaf 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020.

2.4.

Artikel 3.1. van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“The Employee’s pay shall consist of a fixed component of 8,56 ANG GROSS per hour. Employee may also receive a bonus or commission. The Bonus/commission-structure and regulations will change from time to time to the discretion of Employer and may be based on personal eligible units sold, eligible sales (gross or net) or on store sales (gross or net) and will very based on the position the employee is paced in and/or the merchandise employee will be designated to sell. (…).”

3 Het geschil

3.1.

De werkneemster verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen:

  1. gratis admissie te verlenen,

  2. [bestuurders 1 en 2] allereerst hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de werkneemster te betalen haar achterstallige loon over de periode vanaf 1 juli 2020 tot en met het heden, tot een bedrag van NAf. 7.249,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover van 50% ex artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid,

  3. voorts alle verweerders hoofdelijk te veroordelen tot het doorbetalen van het loon aan de werkneemster, inclusief commissies en bonussen, vanaf heden tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd,

  4. alle verweerders hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Verweerders verzoeken het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen:

  1. primair: zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de verzoeken gericht tegen [bestuurders 1 en 2],

  2. subsidiair: de verzoeken tegen [bestuurders 1 en 2] af te wijzen,

  3. de werkneemster in de proceskosten te veroordelen, inclusief de wettelijke rente daarover, wat betreft de procedure voor zover gevoerd tegen [bestuurders 1 en 2],

  4. het verzoek gericht tegen de werkgeefster af te wijzen,

  5. de werkneemster in de proceskosten te veroordelen, inclusief de wettelijke rente daarover, wat betreft de procedure voor zover gevoerd tegen de werkgeefster.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant blijken voor de beoordeling van dit geschil.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Deze zaak ziet op het achterstallig loon over de periode van 1 juli 2020 tot en met heden alsmede de verplichting tot loondoorbetaling vanaf heden totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Met betrekking tot dat laatste geldt dat bij beschikking van heden van dit Gerecht de arbeidsovereenkomst is ontbonden met ingang van 29 mei 2021. Omdat aan de werkgeefster een intrekkingstermijn is gegeven, kan er nog niet van uit worden gegaan dat op 29 mei 2021 de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk eindigt.

[bestuurders 1 en 2]

4.2. [

bestuurders 1 en 2] zijn de directeuren van de werkgeefster die door de werkneemster persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor de loonbetaling. Ter zitting heeft de werkneemster zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht wat betreft de bevoegdheid van de arbeidsrechter om hierover te kunnen oordelen.

4.3.

Het Gerecht overweegt dat het oordeel of sprake is van persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid niet in de onderhavige EJ-procedure kan worden gegeven. Dat moet gebeuren op de AR-rol in een bodemprocedure als bedoeld in artikel 110 e.v. Rv. Het Gerecht is wel relatief bevoegd (beide directeuren wonen immers op Sint Maarten, zie artikel 95 Rv), maar de werkneemster moet in deze arbeidszaak in haar vorderingen tegen [bestuurders 1 en 2] niet-ontvankelijk worden verklaard. De werkneemster wordt veroordeeld in de proceskosten, zoals in de beslissing is vermeld.

De werkneemster versus de werkgeefster

4.4.

Kort en zakelijk weergegeven voert de werkneemster het volgende aan. Bij brief van 4 december 2020 heeft de werkgeefster laten weten dat zij insolvent is en de verschuldigde lonen niet meer zal betalen. Het gerucht ging dat zij haar eigen faillissement zou aanvragen. Kort na het uitbreken van de COVID-19-pandemie heeft de werkgeefster heimelijk een groot aantal zeer kostbare horloges, met een waarde van minimaal USD 8 miljoen, verscheept naar het buitenland. Er zijn meer frauduleuze handelingen gepleegd door de werkgeefster en haar directeuren om te verhullen dat zij niet insolvent is en dus genoeg geld heeft om de uitstaande loonvorderingen van haar medewerkers, waaronder de werkneemster, gewoon uit te betalen. Bij pleidooi voert de werkneemster aan dat, behoudens enkele loondoorbetalingen vanwege door de werkgeefster ontvangen loonsubsidie van de overheid van Sint Maarten, zij al geruime tijd het loon niet meer ontvangt. Uitgaande van het gemiddelde salaris, dus basisloon plus commissies, heeft zij nog te vorderen een bedrag van NAf. 13.402,10 (januari 2021 = NAf. 3.829,17 + februari 2021 = NAf. 3.829,17 + maart 2021 = NAf. 3.829,17 + ½ april 2021 = NAf. 1.914,58). Anders dan de werkgeefster stelt, is de werkneemster niet in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om online verkopen te realiseren. Na de cursus hierover te hebben gevolgd, werd korte tijd later de winkel gesloten waardoor de werkneemster geen toegang meer had tot computer en netwerk. Bovendien heeft de werkgeefster omzetoverzichten vervalst zodat daaruit blijkt dat de werkneemster niets heeft omgezet, terwijl zij wel verkopen heeft gerealiseerd.

4.5.

Kort en zakelijk weergegeven verweert de werkgeefster zich als volgt. De pandemie zorgde voor een gigantisch omzetverlies omdat er geen cruiseschepen meer aanmeerden. De werkgeefster heeft de werkneemster in staat gesteld om online verkopen te realiseren. Zij liet het echter volstrekt afweten en heeft 0 omzet behaald. De werkgeefster is dan ook niet gehouden om commissies of bonussen uit te betalen en de werkneemster heeft recht op niet meer dan het basisloon. Tot

15 november 2020 heeft de werkgeefster telkens het basisloon uitbetaald en over de periode van juli tot en met september 2020, op grond van het kortgedingvonnis, 100% van het gemiddelde loon, berekend over 2019. Over de periode van

15 november 2020 tot en met 31 december 2020 is ook de loonsubsidie aan de werknemers uitbetaald bovenop hun basissalaris, zodat zij uiteindelijk 60% van het gemiddelde loon hebben ontvangen. Meer kan over 2020 redelijkerwijs niet van haar worden verwacht. Wat betreft 2021 meent de werkgeefster dat zij het basisloon niet vooruit hoeft te betalen omdat er geen omzet is en haar financiële positie zeer precair is; pas als de loonsubsidie is ontvangen, zal zij betalingen aan de werkneemster doen. De loonsubsidie over januari en februari 2021 is inmiddels aangevraagd, maar nog niet ontvangen. Haar benarde financiële positie wordt gedocumenteerd met de nodige interne stukken en een brief van haar externe accountant. De werkgeefster bevestigt dat de juwelenvoorraad is verscheept van Sint Maarten naar Saint Thomas, maar stelt dat dit niet heimelijk is gebeurd en bovendien noodzakelijk was: met die verscheping naar Amerikaans grondgebied kon de werkgeefster meer zekerheden verschaffen aan haar huisbankier en daardoor hogere financiering verkrijgen. Wat betreft de onderhavige loonvordering neemt de werkgeefster de volgende standpunten in:

  1. primair: zij is slechts behouden tot betaling conform de arbeidsarbeidsovereenkomst, oftewel het basisloon zonder commissies en bonussen omdat er geen omzet wordt behaald (en, zo begrijpt het Gerecht: pas uitbetaling aan de werkneemster nadat de loonsubsidie is ontvangen),

  2. subsidiair: zij was gerechtigd tot eenzijdige wijziging van het (gemiddeld) loon, dan wel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden,

  3. meer subsidiair: de redelijkheid en billijkheid staat als beperkingsgrond in de weg aan toewijzing van de volledige loonvordering van de werkneemster.

4.6.

Het Gerecht stelt het volgende voorop. Duidelijk is dat de werkgeefster niet het arrest Mammoet/Stoof uit 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847) ter harte heeft genomen. Daarin wordt de mogelijkheid gecreëerd dat werkgevers aan werknemers redelijke voorstellen doen die strekken (bijvoorbeeld) tot loonmatiging als de omstandigheden zodanig zijn dat de werkgever niet meer volledig aan haar loonbetalingsverplichting kan voldoen. Als een dergelijk redelijk voorstel wordt gedaan, mag de werknemer dat niet weigeren. Een en ander kan door de rechter achteraf worden getoetst. Gedurende de gehele COVID-19-crisis heeft de werkgeefster geen aanleiding gezien zich te richten naar deze jurisprudentie, terwijl deze crisis bij uitstek een omstandigheid vormt voor toepassing daarvan. In plaats daarvan heeft zij zonder toestemming van haar werknemers eenzijdig besloten minder salaris uit te betalen en uitbetaling afhankelijk te maken van de ontvangst van loonsubsidie van de overheid.

4.7.

De werkgeefster stelt als redengeving daarvoor, primair, dat de arbeidsovereenkomst met zich brengt dat zij alleen het basissalaris hoeft uit te betalen zolang er geen omzet wordt behaald. Het Gerecht begrijpt dat het basissalaris, zoals omschreven in de arbeidsovereenkomst (zie onder 2.4.) heeft te gelden als minimumsalaris. De werkneemster verdient dankzij de “bonus/commission” structuur echter een stuk meer dan dat en zij verdient dat al vele jaren vanaf haar indiensttreding in 1997. Zo bedraagt haar gemiddelde reguliere salaris NAf. 3.398,43 bruto per maand. Als zij enkel het basissalaris zou ontvangen (dat ligt op ongeveer de hoogte van het wettelijk minimumloon van NAf. 8,83 per uur), komt dat bij een 40-urige werkweek uit op NAf. 1.589,40 per maand. Dat is een daling van ongeveer 53%. Een dergelijke daling zou juist reden moeten zijn voor de werkgeefster om tot redelijk overleg met de werkneemster te willen komen.

4.8.

De werkgeefster voert aan dat de werkneemster niet tot nauwelijks online verkopen heeft gedaan, zodat het adagium “geen werk, geen loon” heeft te gelden. Dat wordt door de werkneemster betwist.

4.9.

Het Gerecht overweegt het volgende. Het “geen werk, geen loon”-verweer is een bevrijdend verweer. Dat betekent dat de stelplicht en de bewijslast in principe aan de zijde van de werkgeefster liggen. Zij brengt de nodige stukken in het geding waaruit volgt dat de werknemers op Sint Maarten niet dan wel nauwelijks online omzet hebben gemaakt, maar de werkneemster betwist de juistheid daarvan. Verder geldt dat door de werkgeefster niet is gesteld dat de werknemers een computer ter beschikking hebben gekregen om thuis de online verkopen te verrichten, zodat niet kan worden vastgesteld dat de werkneemster daartoe werkelijk in de gelegenheid is gesteld. Bovendien rijst daardoor de vraag hoe serieus de instructie tot het realiseren van online verkopen is geweest. Tot slot geldt dat niet wordt uitgelegd door de werkgeefster dat haar Sint Maartense werknemers qua online verkopen heel ongunstig afsteken vergeleken met haar werknemers op de andere Caribische eilanden. Het Gerecht is, alles bij elkaar genomen, dan ook van oordeel dat de werkgeefster niet heeft voldaan aan haar stelplicht zodat het “geen werk, geen loon”-verweer niet op gaat.

4.10.

Van belang is dat de loonsubsidie een fors gedeelte dekt van de loonkosten, berekend op grond van het gemiddeld verdiende salaris. Het Gerecht is van oordeel dat aan de werkneemster het basisloon plus de loonsubsidie waarop de werkgeefster recht heeft moet worden uitbetaald. Op het meerdere heeft de werkneemster geen recht, omdat wel voldoende is aangetoond dat de werkgeefster haar door de pandemie niet in staat kon stellen de gebruikelijke omzetten te behalen. Voor dat meerdere (het gedeelte van het gemiddeld loon dat dus niet wordt gedekt door basisloon plus loongarantie) mag de werkgeefster inderdaad terugvallen op artikel 3.1. van de arbeidsovereenkomst. Daarmee treft het primaire verweer doel en komt het Gerecht niet toe aan de subsidiaire verweren.

4.11.

Het Gerecht noteert dat het gaat om de loonsubsidie waarop de werkgeefster recht heeft. Dat betekent dat de werkgeefster deze subsidie moet aanvragen en, mocht deze worden geweigerd, dat zij daartegen in bezwaar en beroep zal moeten gaan. De subsidieregeling houdt immers in dat veel meer dan het basissalaris wordt gedekt, namelijk het gemiddeld verdiende loon over de afgelopen jaren. Dit betekent dan ook dat het basissalaris plus de loonsubsidie moet worden uitbetaald, ongeacht of de loonsubsidie reeds is ontvangen door de werkgeefster. Als de loonsubsidieregeling door de overheid echter wordt beëindigd, dan heeft de werkneemster enkel nog recht op het basissalaris. Dan is namelijk duidelijk dat naar het inzicht van de overheid deze subsidie niet meer is op te brengen vanwege de economische malaise, zodat het ook niet redelijk zou zijn dat de werkgeefster deze last weer op zich neemt. Het Gerecht kan in deze uitspraak niet inschatten wat de situatie is als de overheid de subsidie zou beëindigen vanwege verbetering van de economische omstandigheden, zodat geldt dat de beslissing in deze zaak daarop niet ziet. Tot slot geldt dat het Gerecht niet zal uitrekenen om welke bedragen het precies gaat; dat is te bewerkelijk. Daarom zal het Gerecht volstaan met de veroordeling zoals in de beslissing is vermeld.

4.12.

Over de niet-uitbetaalde loonbedragen zijn de wettelijke rente en de wettelijke verhogingen verschuldigd omdat de werkgeefster niet tijdig de verschuldigde bedragen aan de werkneemster heeft betaald. Het Gerecht ziet geen reden om af te wijken van de vuistregel om de wettelijke verhogingen te maximeren tot 10%.

4.13.

Omdat de werkgeefster is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij wordt zij in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissingHet Gerecht:

verleent aan de werkneemster gratis admissie,

inzake de werkneemster tegen [bestuurders 1 en 2]:

verklaart de werkneemster in haar vorderingen niet-ontvankelijk,

veroordeelt de werkneemster in de proceskosten, aan de zijde van [bestuurders 1 en 2] begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 500,00 aan salaris gemachtigde met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

inzake de werkneemster tegen de werkgeefster:

veroordeelt de werkgeefster om aan de werkneemster te betalen het basissalaris en de loonsubsidie waarop de werkgeefster ten aanzien van de werkneemster recht heeft, berekend op basis van het gemiddeld loon van NAf. 3.398,43 bruto per maand, vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van algehele betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente en de tot 10% gemaximeerde wettelijke verhogingen, een en ander tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,

veroordeelt de werkgeefster in de proceskosten, aan de zijde van de werkneemster begroot op NAf. 240,50 aan verschotten en op NAf. 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en op 24 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting.