Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:56

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
100.00342/18
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht in Eerste Aanleg vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich gedurende een langere periode schuldig heeft gemaakt aan verduistering van bedragen van aanzienlijke omvang. Zij had die bedragen onder zich als griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en het Constitutioneel Hof van Sint Maarten. Ook is bewezen verklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, het witwassen van gelden en knevelarij. In deze zaak bestond die knevelarij hierin dat de verdachte het ten onrechte had doen voorkomen dat de door haar van het Land Sint Maarten gevorderde bijdrage in kosten van de organisatie van het Constitutioneel Hof ook daadwerkelijk door het Land verschuldigd was. De verdachte is ontslagen van rechtsvervolging ter zake van het witwassen omdat dat betrekking had op de uit de verduistering afkomstige gelden. Het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van die gelden kan in dat geval niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd omdat er dan sprake zou zijn van een dubbele bestraffing. Ook is ontslag van rechtsvervolging uitgesproken ten aanzien van de bewezenverklaarde knevelarij.

Het Gerecht legt een gevangenisstraf op van 27 maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij is rekening gehouden met de lange duur van de procedure tegen de verdachte die tot een schending van de zogenaamde redelijke termijn heeft geleid. Ook dient de verdachte een bedrag van NAf 50.000, - aan het Constitutioneel Hof te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 100.00342/18

Uitspraak: 7 mei 2021 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019, 5 juli 2019, 22 oktober 2019, 13 november 2020 en 16 april 2021. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. Z.J. Bary, advocaat in Sint Maarten.

De benadeelde partij [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) heeft zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. M. Boerlage, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Haar vordering behelst voorts:

  • -

    de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij het [benadeelde 1] tot een bedrag van NAf 50.000,- en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in verband met de in een onherroepelijk vonnis toegekende schadevergoedingsvordering van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]).

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31

december 2017 te Sint Maarten, alleen, althans tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar van [organisatie 1], in de functie van [functie 1 organisatie 1], opzettelijk geld en/of geldswaardig papier ter waarde van ongeveer USD 1.153.770,00, althans een geldbedrag dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een of meer anderen, te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer anderen weggenomen of verduisterd is;

2.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 7

september 2018 te Sint Maarten, alleen, althans tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar van [organisatie 2], in de functie van [functie 1 organisatie 2], opzettelijk geld en/of geldswaardig papier ter waarde van ongeveer NAF 153.679,00, althans een geldbedrag dat zij in haar bediening onder zich had

heeft verduisterd, en/ of heeft toegelaten dat het door een of meer anderen, te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer anderen

weggenomen of verduisterd is;

3.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 september 2018 te Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededaders van een of meer voorwerpen, te weten:

-een geldbedrag van ongeveer USD 1.153.770,00 en/of

-een geldbedrag van ongeveer NAF 153.679,00,

althans een of meer geldbedragen,

de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, of wie dat voorwerp voorhanden had, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormelde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en/ of

voornoemde geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van die voormelde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

zij op of omstreeks 21 september 2016, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 30 september 2016, te Sint Maarten, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk drie, althans een of meer overboekingsformulieren van de [naam bank 1] (registratienummer 5466114), elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, telkens met het oogmerk om het/ze als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte, nadat [getuige 3], voornoemde overboekingsformulieren had gesigneerd, valselijk de bankrekeningnummers en/of bedragen op die overboekingsformulieren gewijzigd en/of aangepast;

5.

zij op of omstreeks 15 juni 2018, althans in of omstreeks de periode van 1 juni

2018 tot en met 30 juni 2018, te Sint Maarten, als ambtenaar, namelijk als [functie 1 organisatie 2] van [organisatie 2], in de uitoefening van haar bediening, opzettelijk als verschuldigd aan haarzelf, aan een andere ambtenaar of aan enige openbare kas, een geldbedrag van NAF 50.000,00, heeft gevorderd van het [naam organisatie 3], terwijl dit bedrag niet verschuldigd was.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bepleit dat het Gerecht het openbaar ministerie ten aanzien van alle op de inleidende dagvaarding opgenomen feiten niet-ontvankelijk in de vervolging zal verklaren omdat het openbaar ministerie bij haar vervolgingsbeslissing heeft gehandeld in strijd met de wet, verdragen en meerdere beginselen van een goede procesorde.

Voorts dient het Gerecht rekening te houden met het gegeven dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding van de verdachte, met normschendingen bij het horen van de aangever door de rechter-commissaris en bij de behandeling van een wrakingsverzoek en het door het openbaar ministerie niet tijdig overleggen van stukken. Ook heeft het openbaar ministerie in strijd met het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak door een onafhankelijke en onpartijdige instantie gehandeld door onderhavige strafzaak aanhangig te maken bij het [organisatie 4] van [organisatie 1].

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft -kort samengevat- gesteld dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging verworpen dient te worden.

De beoordeling

In de kern genomen berust het merendeel van het verweer van de raadsvrouw op twee pijlers: het opsporingsonderzoek en het vervolgen van (alleen) de verdachte en het voortzetten van die vervolging.

Het Gerecht zal deze twee pijlers hierna puntsgewijs bespreken, waarbij het voorop stelt dat voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de buiten de wet geregelde gevallen slechts plaats is in uitzonderlijke situaties, Zo’n uitzonderlijk geval kan zich voordoen indien door met opsporing of vervolging belaste ambtenaren in de loop van het vooronderzoek een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan dier recht op een eerlijke behandeling van haar zaak.

Het opsporingsonderzoek

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor omschreven omdat geen onafhankelijk en onpartijdig onderzoek door het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden. Het openbaar ministerie heeft slechts het intern onderzoek van [organisatie 1] voortgezet, zelf geen onderzoekshandelingen verricht en zich laten leiden en misbruiken door de aangever, zich daarbij opstellend als diens bediende. Voorts zou er sprake zijn van schending van de onschuldpresumptie in het opsporingsonderzoek. Aldus de raadsvrouw. Zij heeft hieraan de conclusie verbonden dat er sprake is van schending van artikel 6 lid 1 en lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het Gerecht stelt eerstens vast dat de stelling van de raadsvrouw dat er geen onderzoekshandelingen zijn verricht weerlegging vindt in de inhoud van het eindproces-verbaal. Uit het relaasproces-verbaal d.d. 25 april 2019, opgenomen in zaaksdossier 1 ([organisatie 1]) en het relaasproces-verbaal, opgenomen in zaaksdossier 2 ([organisatie 2]) van gelijke datum, blijkt welk nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Zo zijn er processen-verbaal van bevindingen opgesteld, hebben een tweetal huiszoekingen plaatsgevonden, zijn bij financiële instellingen gegevens van bankrekeningen, spaarrekeningen en creditcardrekeningen opgevraagd alsmede gegevens betreffende leningen, hebben getuigenverhoren plaatsgevonden en zijn de verdachte en haar echtgenoot gehoord. Tijdens dat opsporingsonderzoek zijn, naast de verdenking van verduistering van gelden, de overige verdenkingen jegens de verdachte ontstaan, die hun weg naar de inleidende dagvaarding hebben gevonden. Het verweer faalt in zoverre.

Voorts is naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk geworden dat er geen sprake was van een onafhankelijk en onpartijdig opsporingsonderzoek, waarbij de opsporingsambtenaren de onschuldpresumptie niet in acht hebben genomen. Het door de raadsvrouw ter onderbouwing daarvoor gestelde omtrent het door opsporingsambtenaren niet onderzoeken van “de werkelijke situatie bij het [organisatie 4]”, het niet tonen van bankafschriften aan de verdachte en haar medeverdachte, de inhoud van de gestelde vragen aan de verdachte, haar medeverdachte en de getuigen en/of het juist niet stellen van bepaalde vragen aan die personen en het door een verbalisant trekken van conclusies in bepaalde processen-verbaal van bevindingen biedt - zo al juist - onvoldoende basis voor die conclusie.

Dat het voor de opsporingsambtenaren op voorhand evident moet zijn geweest dat het interne onderzoek van het [organisatie 1] en de verklaringen van de aangever en diverse getuigen onbetrouwbaar waren, zoals door de raadsvrouw gesteld is evenmin aannemelijk geworden. Ook hiervoor geldt dat het door de raadsvrouw ter onderbouwing daarvan gestelde, waaronder de inhoud van die verklaringen en de “staat” van het Gerecht, waaronder het ontbreken van interne richtlijnen met betrekking tot derdengelden, personeelstekorten, het niet functioneren van het hoofd van de administratie, de slechte werkverhouding tussen laatstgenoemde en de verdachte en de onoverzichtelijkheid van de administratie en het archief - zo al juist - onvoldoende basis voor die conclusie biedt.

Het verweer faalt derhalve ook voor het overige.

Het vervolgen van (alleen) de verdachte en het voortzetten van die vervolging

De raadsvrouw heeft bepleit dat er een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde, te weten het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, het beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir), het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Voorts is er sprake van schending van het non-discriminatiebeginsel. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat het openbaar ministerie ten onrechte de verdachte heeft vervolgd (en die vervolging heeft voortgezet) omdat ook anderen als verdachten dienden te worden aangemerkt, in een vergelijkbaar geval niet tot vervolging is overgegaan en de verdachte reeds in andere procedures was betrokken.

Het Gerecht stelt voorop dat het aan het openbaar ministerie is om te beslissen of, en zo ja, wie vervolgd wordt en dat het daarbij de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Die beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval kan zich voordoen indien geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het enkele feit dat (wellicht) ook anderen als verdachten dienen te worden aangemerkt - zo al juist - biedt onvoldoende basis om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen. Het Gerecht ziet voorts niet in dat het openbaar ministerie niet tot (verdere) vervolging zou mogen overgaan vanwege het enkele feit dat de verdachte ter zake van onderhavig feitencomplex verwikkeld was in andere gerechtelijke procedures.

Het Gerecht is derhalve niet gebleken dat het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en/of het beginsel van zuiverheid van oogmerk (détournement de pouvoir) en/of het verbod van willekeur en/of het non-discriminatiebeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Voor wat betreft dat laatste merkt het Gerecht nog op dat schending van dat laatste beginsel eerst aan de orde kan zijn bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal zaken. De raadsvrouw heeft evenwel ter onderbouwing van haar verweer slechts verwezen naar 1 andere zaak.

Het verweer faalt.

Overige verweren

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat het [organisatie 4] als onderdeel van [organisatie 1] niet als een onafhankelijk en onpartijdig [organisatie] als bedoeld in artikel 6 EVRM kan worden aangemerkt en zij desondanks deze strafzaak bij dat [organisatie 4] heeft aangebracht. Het Gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie heeft gehandeld op grond van het in het Wetboek van Strafvordering bepaalde, zodat het verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat de verdachte werkneemster was van [organisatie 1] leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen.

Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, valt tot slot niet in te zien om welke reden de gestelde normschendingen bij het horen van de aangever door de rechter-commissaris en bij de behandeling van een wrakingsverzoek, het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie zou aantasten, zodat ook dat verweer wordt verworpen.

Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent het door het openbaar ministerie niet tijdig overleggen van stukken behoeft geen bespreking, nu het Gerecht op dat punt reeds ter terechtzitting van 13 november 2020 heeft beslist.

Ten aanzien van de aanhouding van de verdachte

De raadsvrouw heeft betoogd dat zowel de aanhouding op heterdaad als de aanhouding buiten heterdaad van de verdachte op 7 september 2018 onrechtmatig zijn geweest. Daartoe heeft zij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat toen de verdachte op 7 september 2018 bij de [logo bank 1) op heterdaad werd aangehouden er geen sprake was van een poging tot oplichting omdat de verdachte bevoegd was om namens het [organisatie 2] zaken, inclusief banktransacties, te doen. Er bestond op dat moment derhalve geen redelijk vermoeden van schuld.

Ook de aanhouding buiten heterdaad is die dag onrechtmatig geweest, omdat er op dat moment al zes maanden waren verstreken sinds de aangifte door [organisatie 1] en niet is gebleken waarom de verdachte op 7 september 2018 opeens moest worden aangehouden.

Het voorgaande levert volgens de raadsvrouw een normschending op die primair dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair tot strafvermindering.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Op 13 maart 2018 heeft de toenmalige [functie 2 organisatie 1] aangifte van verduistering in dienstbetrekking gedaan. Uit intern onderzoek bleek volgens aangever dat de verdachte in de periode van 2002 tot en met 2017 meer dan één miljoen dollar in dienstbetrekking zou hebben verduisterd van de derdengeldenrekeningen van het [organisatie 1]. Naar aanleiding daarvan werd door de Landsrecherche een onderzoek opgestart.

De verdachte is sinds juni 2018 uit dienst bij [organisatie 1] en niet meer bevoegd om [organisatie 1] te vertegenwoordigen. Zij had in ieder geval vanaf dat moment geen toegang meer tot de bankrekeningen van [organisatie 1]. Op 4 september 2018 vernam de [functie 2 organisatie 5] van een medewerker van de [logo bank 1) dat de verdachte zich op 3 september 2018 bij de [logo bank 1) als vertegenwoordiger van [organisatie 1] had voorgedaan. Zij probeerde aldaar een bankrekening te heropenen. Aangever heeft deze informatie per e-mail doorgegeven aan de Landsrecherche. Op 7 september 2018 heeft een medewerker van de [logo bank 1) nagenoeg dezelfde informatie aan de Landsrecherche verstrekt. De medewerker werd door de Landsrecherche verzocht om contact op te nemen met de Landsrecherche als de verdachte zich opnieuw bij de bank zou melden en zich als vertegenwoordiger van [organisatie 1] zou voordoen. Dat heeft de verdachte op 7 september 2018 gedaan. Het onderzoeksteam is daarvan – volgens afspraak – in kennis gesteld. Vervolgens is de verdachte op heterdaad ter zake van oplichting en buiten heterdaad ter zake van verduistering, poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en (gewoonte) witwassen aangehouden.

Het Gerecht is van oordeel dat uit deze objectieve en concrete feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende verdenking voor betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit voortvloeide waardoor haar aanhouding gerechtvaardigd en derhalve niet onrechtmatig was. De omstandigheid dat later is gebleken dat de verdachte zich bij de [logo bank 1) had gemeld als vertegenwoordigster van [organisatie 2] (en dus niet van [organisatie 1] waar toen ten onrechte vanuit werd gegaan), maakt dat niet anders.

Er is derhalve geen sprake van een normschending in de zin van artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

Conclusie

Nu het Gerecht ook overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die tot andere oordelen dan hiervoor gegeven zouden moeten leiden, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Nu geen handelen in strijd met de wet, verdragen dan wel beginselen van een goede procesorde is vastgesteld, komt het Gerecht evenmin tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering, zoals door de raadvrouw bepleit.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Als ambtenaar verduisteren van gelden van [organisatie 1]

Verwijt

De officier van justitie is in de inleidende dagvaarding uitgegaan van de verdenking dat de verdachte als ambtenaar van [organisatie 1] een bedrag van ongeveer USD 1.153.770,- heeft verduisterd in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017. Dit bedrag is gebaseerd op de in die periode van de dollar-derdengeldenrekening middels cheques aan toonder opgenomen contante bedragen, waarbij alleen cheques betrekking hebbende op gelijke bedragen in de berekening zijn meegenomen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie - naar aanleiding van de inhoud van een proces-verbaal van nader onderzoek - gevorderd dat de verduistering van een bedrag van USD 921.475,- bewezen wordt verklaard.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft met klem ontkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

De beoordeling

1. Inleiding

Het Gerecht stelt bij de beoordeling het navolgende voorop.

De raadsvrouw heeft (onder overlegging van producties) omstandig betoogd - kort

samengevat - dat de organisatie van [organisatie 1]in het algemeen en de [organisatie 5] in het bijzonder dermate gemankeerd was, dat het niet terecht is om onder die omstandigheden de verdachte aansprakelijk te houden voor onregelmatigheden met betrekking tot de derdengeldenrekeningen. Zo heeft zij erop gewezen dat er geen richtlijnen bestonden ten aanzien van de derdengeldenrekeningen, [organisatie 1]nalatig is geweest met betrekking tot de controle van die rekeningen, de verdachte na haar benoeming tot [functie 1 organisatie 5] in 2010 nimmer een bij die positie passende opleiding aangeboden heeft gekregen, de administratie van de [organisatie 5] (te) zwaar belast was en dat het hoofd van de administratie (met wie de verdachte een verstoorde werkrelatie had) ongeschikt was voor haar functie en daarin faalde. Wat daar ook van zij, het Gerecht acht vorenstaande bij de beoordeling in deze niet relevant en laat de daarop betrekking hebbende verweren dan ook onbesproken.

Immers de vraag die ter beantwoording voorligt ziet niet op voornoemde organisatie maar op de vraag of de verdachte zich binnen die organisatie heeft schuldig gemaakt aan verduistering van gelden.

2. Vaststaande feiten en/of omstandigheden

Het Gerecht stelt de navolgende feiten en/of omstandigheden vast.

a.

De verdachte was sinds 1 januari 1994 in dienst van het land de Nederlandse Antillen en werkzaam bij het toenmalige [organisatie 5], sinds 1 januari 1994 als (waarnemend) [functie 3 organisatie 5] en [functie 4 organisatie 5]. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de [Rijkswet] (hierna: Rijkswet) is zij per [datum] van rechtswege aangesteld bij ([filiaal organisatie 1] van [organisatie 1]. Zij vervulde de functie van [functie 1 organisatie 5] en was de [functie 5 organisatie 5], bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Rijkswet. Als (waarnemend) [functie 3 organisatie 5] en [functie 1 organisatie 5] was zij verantwoordelijk voor het financiële beheer van de [organisatie 5] en het budgetbeheer1.

b.

Een toenmalig [functie 2 organisatie 1] heeft aangifte tegen de verdachte van verdenking van verduistering gedaan naar aanleiding van onregelmatigheden met betrekking tot de derdengeldenrekeningen van de [organisatie 5]. Die onregelmatigheden waren naar voren gekomen in een intern onderzoek van het [organisatie 1] naar die derdengeldenrekeningen. Uit bankafschriften bleek onder meer sprake te zijn van een groot aantal onverklaarbare opnames. De opnames werden als verdacht aangemerkt vanwege het terugkerende patroon. Periodieke opnames vanaf een derdengeldenrekening zijn ondenkbaar, aldus aangever, omdat de stortingen of opnames altijd een eenmalig karakter hebben. Alleen bij de [organisatie 5] kwamen die repeterende opnames voor, niet bij de andere vestigingen van [organisatie 1]. De aan de opnames ten grondslag liggende cheques zijn ondertekend door de verdachte en een senior juridisch medewerker2.

Naar aanleiding van de door [organisatie 1] verstrekte gegevens heeft [verbalisant 3] een overzicht gemaakt van in de periode van 3 juni 2014 tot en met 21 december 2017 middels cheques aan toonder opgenomen contante bedragen, waarbij alleen cheques die verzilverd waren voor gelijke bedragen in de berekening zijn meegenomen3. Het Gerecht stelt vast dat die bedragen tezamen -afgerond - het in de inleidende dagvaarding genoemde bedrag vormen.

De cheques in kwestie (ten laste van de dollar-derdengeldenrekening en met als rekeninghouder de [organisatie 5])4 werden door de schoonmaakster van [organisatie 5] en een bode van een advocatenkantoor op verzoek van de verdachte bij de bank geïnd, waarna de contanten aan de verdachte werden overhandigd en bij haar afwezigheid op haar kamer in [kantoor organisatie 5] werden achtergelaten5.

Hiermee staat vast dat de verdachte het bedrag van USD 1.153.770,- als ambtenaar van [organisatie 1], in de functie van [functie 1 organisatie 2] in haar bediening, in contanten onder zich had.

Heeft de verdachte zich die gelden ook wederrechtelijk toegeëindigd, zoals ten laste gelegd?

3. De cheques en de aard van een derdengeldenrekening

Het Gerecht stelt vast dat er telkens terugkerende bedragen zijn waarvoor de cheques zijn uitgeschreven6. In de tenlastegelegde periode gaat het dan om in totaal 177 cheques. Omdat een derdengeldenrekening een bankrekening is die -eenvoudig gezegd - wordt gebruikt om gelden te beheren die toekomen aan derden is het is zeer onwaarschijnlijk dat met grote regelmaat betalingen van dezelfde bedragen plaatsvinden. Het gaat immers steeds om individuele zaken.

Opvallend zijn met name de cheques van USD 5.500,- nu deze in de ten laste gelegde periode 38 keer zijn uitgeschreven en geïnd (voorafgegaan door 43 cheques van NAf 5.500,- van de gulden-derdengeldenrekening in de periode 2002 tot 2011 en 23 cheques van USD 5.500,- van de dollar-geldenrekening in de periode 2002 tot 2014)7.

De verdachte heeft dienaangaande ter terechtzitting van 26 juni 2019 verklaard dat de bedragen van USD 5.500,- en NAf 5.500,- door haar in opdracht van [naam persoon 2] betaald moesten worden aan een derde in verband met een inbraak [kantoor organisatie 5] in 2007, waarbij onder andere geldbedragen en sieraden waren weggenomen. [Naam persoon 2] zou een overeenkomst ter zake gesloten hebben dan wel een vonnis hebben gewezen. De gelden zouden door haar aanvankelijk aan een deurwaarder zijn overhandigd en na diens overlijden aan een andere persoon, waarvan zij slechts weet dat zijn achternaam leek op “[naam persoon 3]” en hij leek op een Indiër. Op de vraag wie haar verzocht heeft om de gelden aan laatstgenoemde persoon te overhandigen, heeft de verdachte geantwoord dat zij dat niet weet.

Het Gerecht stelt vast dat een deel van bedoelde bedragen al jarenlang voorafgaand aan de bewuste inbraak middels cheques zijn geïnd. Derhalve kunnen die daar dus niet mee in verband staan. Ook is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat er een vonnis dan wel een overeenkomst als door de verdachte beschreven zou bestaan. Slecht tot niet voorstelbaar is voorts dat de verdachte als verantwoordelijke voor het beheer van de derdengeldenrekeningen, zonder onderliggende stukken (en evenmin zonder kwitanties) in de loop der jaren een bedrag van in totaal NAf 236.500,- en USD 335.500,- van die rekeningen heeft opgenomen/doen opnemen en heeft uitbetaald aan een deurwaarder en na diens overlijden aan een haar volstrekt onbekende (en dan tevens niet weet op verzoek van wie ze dat dan deed).

Op grond van vorenstaande acht het Gerecht de verklaring van de verdachte dat zij bedoelde bedragen in opdracht van [naam persoon 2] aan een derde heeft betaald ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij. Hierbij heeft het Gerecht er acht op geslagen dat de verdachte in een gesprek met de [functie 3 organisatie 1] en het [functie 4 organisatie 1] een andere reden voor de betaling van de bedragen heeft gegeven8.

Voor het gegeven dat er ook andere telkens terugkerende bedragen zijn waarvoor de cheques zijn uitgeschreven heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven, anders dan dat daar onderliggende stukken tegenover moeten staan en dat zij soms cheques uitschreef die betrekking hadden op de betaling aan 2 personen. Dat laatste is evenwel op geen enkele wijze aannemelijk geworden en zou bovendien niet het telkens terugkerend patroon van de bedragen waarvoor de cheques zijn uitgeschreven verklaren. Op de kwestie van de onderliggende stukken komt het Gerecht hierna onder rov. 4.b terug.

Tussenconclusie

Het Gerecht is van oordeel dat vorenstaande een zeer sterke aanwijzing oplevert dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.

4. Overige feiten en/of omstandigheden

a. Geen melding maken van ontoereikend saldo dollar-derdengeldenrekening
en het aanwenden van gelden [bankrekening 1]om dat te verhullen

Uit de aard van een derdengeldenrekening (zoals hiervoor al omschreven een bankrekening die - eenvoudig gezegd - wordt gebruikt om gelden te beheren die toekomen aan derden) volgt dat het saldo daarvan, bij rechtmatig gebruik van die rekening, niet ontoereikend kan zijn om rechthebbenden uit te keren. Dat was in september 2016 wel het geval.

In 2011 werd in het strafrechtelijk onderzoek [onderzoeksnaam 1] (onder meer) een bedrag van USD 1.133.660,15 in beslag genomen en ter bewaring op de dollar derdengelden- rekening eindigend op de cijfers #5106 gestort9. Bij brief van 2 september 2016 gericht aan de [functie 2 organisatie 1] en de verdachte verzocht de toenmalig [functie organisatie 7] onder meer voornoemd bedrag over te maken op de bankrekening van het [organisatie 7]10. Het saldo op de dollar derdengeldenrekening bedroeg evenwel slechts USD 671.240,7611. Ieder weldenkend mens, en zeker ook de verdachte die reeds jarenlang belast was met het beheer van de derdengeldenrekeningen, moet in bedoelde situatie de schrik om het hart geslagen zijn (er was immers een tekort van ruim USD 460.000,-) en hiervan melding hebben gemaakt bij haar leidinggevende. De verdachte heeft dat evenwel niet gedaan12.

De verdachte heeft niet alleen geen melding bij haar leidinggevende gemaakt van het grote tekort op de dollar-derdengeldenrekening, maar gebruik gemaakt van gelden van [bankrekening 1] om bedoeld bedrag naar de bankrekening van het [organisatie 7] over te kunnen maken13. Mede gelet op haar functie binnen het [organisatie 1] en haar jarenlange dienstverband kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat zij daartoe niet bestemde gelden over liet boeken naar het parket van de Procureur-Generaal.

Desgevraagd ter terechtzitting heeft de verdachte hierover verklaard dat het zou kunnen dat er geldbedragen afkomstig van de derdengeldenrekeningen waren weggenomen bij de inbraken. Het Gerecht gaat daaraan voorbij omdat bedoelde inbraken hebben plaatsgevonden in maart 2006 en september 200714 en de initiële storting eerst in 2011 is gedaan.

Uit vorenstaande volgt dat de verdachte wist dat er een groot tekort was op de dollar derdengeldenrekening, daar geen melding van maakte bij haar leidinggevende en dit tekort aanvulde door de aanwending van [andere gelden]. Dit gedrag past naadloos bij een persoon die zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van gelden en die andere gelden moet gebruiken om dat te verhullen. Enige andere aannemelijke uitleg voor het gedrag van de verdachte, zoals hiervoor omschreven is niet gegeven.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte geen gelden kan hebben verduisterd omdat het saldo van de dollar-derdengeldenrekening in dat geval al lang op nul zou hebben bestaan, snijdt dan ook geen hout: er was een groot tekort, maar de verdachte gebruikte andere gelden om dat aan te vullen. Voorts wordt een derdengeldenrekening steeds gevoed met stortingen, zodat het zogenaamde Ponzi- systeem, van toepassing kan zijn. Het verweer wordt verworpen.

b. Geen relatie stortingen/middels cheques geïnde gelden

De verdachte heeft ter terechtzitting van 26 juni 2019 de navolgende verklaring afgelegd:

“Voor elke betaling vanaf de derdengeldenrekeningen kon verantwoording worden afgelegd door middel van een onderliggend stuk. Er werd altijd eerst gecontroleerd of het uit te betalen bedrag was ontvangen. Dat werd bijgehouden in een boek. De uitbetaling had alleen betrekking op hetgeen waarvoor het was ontvangen, bijvoorbeeld in beslag genomen geld.

Dat vorenstaande de gang van zaken ten aanzien van betalingen van een derdengeldenrekening was, vindt bevestiging in de verklaringen van [getuige 4]15.

Het Gerecht heeft naar aanleiding van voornoemde verklaring van de verdachte een nader onderzoek gelast naar de op dollar-derdengeldenrekening gestorte bedragen om te bezien of de bedragen waarvoor de cheques zijn uitgeschreven te herleiden zijn tot een storting van datzelfde bedrag op de dollar-derdengelden- rekening (een storting die immers volgde op de ontvangst van dit bedrag en het in voornoemd boek inschrijven daarvan).

Dat nader onderzoek heeft geleid tot de conclusie:

- dat in de periode van 2010 tot en met 2013 blijkt van een 2-tal stortingen van

gelijke omvang als de cheques in kwestie, te weten een bedrag van
USD 5.000,- en USD 8.000,-16 , en

- dat in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 de omvang

van geen enkele storting gelijk is aan het bedrag waarvoor de cheques in

kwestie zijn uitgeschreven17.

Vorenstaande betekent dat er in de ten laste gelegde periode 175 cheques zijn verzilverd voor in totaal USD 1.140.770,- (USD 1.153.770,- minus USD 13.000,-) die betrekking hebben op telkens terugkerende bedragen, waar tegenover geen stortingen staan op de dollar- derdengeldenrekening in de periode 2012-2017. Die bedragen kunnen derhalve niet in het door de verdachte genoemde boek zijn ingeschreven.

De verklaring van de verdachte die erop neer komt dat bedoelde cheques door haar zijn uitgeschreven nadat een persoon zich had gewend tot de administratie met het verzoek tot uitbetaling met onderliggende stukken ter onderbouwing van dat verzoek, vervolgens in het boek werd nagegaan of de gelden in kwestie waren ontvangen, en indien dat het geval was, de verdachte een cheque uitschreef, kan dan ook niet op waarheid berusten. Dit leidt tot de conclusie dat de onderliggende stukken waarop de verdachte zich ten verweer beroept, simpelweg niet bestaan. De verweren van de verdachte dat die stukken op enigerlei wijze vermist zijn geraakt (door de orkanen Irma en Maria, dan wel zijn verbrand, dan wel - al dan niet opzettelijk - zijn weggemaakt) falen derhalve reeds op die grond.

Hoewel niet erg waarschijnlijk zou de mogelijkheid kunnen bestaan dat de cheques die in de ten laste gelegde periode zijn uitgeschreven zien op gelden die voor 2012 op de dollar-derdengeldenrekening zijn bijgeschreven. Het vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] door [organisatie 1] d.d. 5 juni 2018, bijlage 1718 noemt een niet nader gespecificeerd bedrag van USD 248.102,02. Maar ook dan resteert een bedrag van USD 892.667,98 (USD 1.140.770,- minus USD 248.102,02) waar tegenover geen stortingen van gelijke omvang staan.

5. Conclusie

Het Gerecht concludeert, gelet op het hiervoor overwogene en de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat de verdachte in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 december 2017, zonder daartoe gerechtigd te zijn, gelden van de dollar-derdengeldenrekening voor andere doeleinden heeft aangewend dan ten behoeve van derden-rechthebbenden en dat zij zich deze bedragen aldus opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het Gerecht zal daarbij in het voordeel van de verdachte uitgaan van een geldbedrag van in totaal USD 892.667,98. Het Gerecht acht gelet op het voorgaande eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit heeft gedaan als ambtenaar in de functie van [functie 1 organisatie 1] bij [organisatie 1].

6. Overige verweren

Zoals hiervoor onder het kopje “Inleiding” reeds is besproken zal het Gerecht al hetgeen door de raadsvrouw ten verweer is aangevoerd omtrent de [organisatie 1] als zodanig en/of de [organisatie 5] in het bijzonder onbesproken laten. Voor zover zij deze feiten en/of omstandigheden in het kader van de betrouwbaarheid van het interne onderzoek van [organisatie 1] en de aangifte door een [functie 5 organisatie 1] van dat [organisatie 1] heeft gesteld, overweegt het Gerecht nog als volgt.

Het Gerecht acht de tot het bewijs gebezigde bevindingen van het interne onderzoek van [organisatie 1] en de aangifte van bedoelde [functie 5 organisatie 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs nu zij ondersteuning vinden in de resultaten van het opsporingsonderzoek en de daaraan ten grondslag liggende schriftelijke (financiële) stukken. Daarbij merkt het Gerecht met nadruk op dat de verdachte en de raadsvrouw de inhoud van die stukken als zodanig niet betwisten. Dit geldt zowel ten aanzien van het overzicht van de cheques dat ten grondslag ligt aan het in de tenlastelegging genoemde bedrag als ten aanzien van de uitkomst van de onderzoeken naar de stortingen op de dollar- derdengeldenrekening als de bescheiden die betrekking hebben op - kort gezegd - de kwestie van het tekort op die rekening in 2016.

Dat sprake zou zijn van een “witch hunt” door [organisatie 1] (in de persoon van die [functie 5 organisatie 1]) omdat men van de verdachte af wilde maar haar niet kon uitbetalen, de reden om haar - zo begrijpt het Gerecht de stelling van de raadsvrouw - valselijk te beschuldigen en ten onrechte haar houding tijdens dat onderzoek als weigerachtig te omschrijven, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het verweer faalt ook in zoverre.

Nu het Gerecht de verklaringen van het hoofd van de administratie en processen-verbaal van een verbalisant, voor zover inhoudende conclusies als door de raadsvrouw omschreven, niet voor het bewijs gebruikt kunnen de daarop betrekking hebbende verweren onbesproken blijven. Datzelfde gelet voor de stelling dat aan het interne onderzoek en de aangifte ten onrechte de gedachtegang ten grondslag zou liggen dat aan elke cheque in kwestie een rechterlijke uitspraak ten grondslag zou moeten liggen. Dat berust immers op een foute lezing van zowel het onderzoek als de aangifte.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

Als ambtenaar verduisteren van gelden van [organisatie 2]

Verwijt

De verdenking is dat de verdachte als ambtenaar van het [organisatie 2] (hierna: [organisatie 2]) een bedrag van ongeveer NAf 153.679,- heeft verduisterd in de periode van 1 juni 2013 tot en met 7 september 2018. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de verduistering van een bedrag van NAf 96.200,- bewezen wordt verklaard.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft met klem ontkend dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering.

De beoordeling

1. Vaststaande feiten en/of omstandigheden

De verdachte was sinds de oprichting van [organisatie 2] de enige [functie 1 organisatie 2] daarvan. Zij regelde alles. Er waren geen regels of richtlijnen voor wat betreft de financiën van [organisatie 2]. Zij heeft voor het [organisatie 2] een bankrekening bij de [logo bank 1) geopend. Daarop werd door het departement van Financiën van het Land geld gestort. Van die rekening betaalde zij de kosten van [organisatie 2]. Zij was de enige persoon die toegang had tot de bankrekening en ook de enige die cheques kon uitschrijven. De verdachte betaalde de drie [functie 2 organisatie 2] van [organisatie 2] contant de hotelkosten en daggeldvergoeding uit, een enkele maal reiskosten en ook zorgde zij voor betaling van telefoonkosten van de [functie 3 organisatie 2], drukwerk- en representatiekosten en kosten voor het laten maken van een website. Het kan ook zijn dat er leden van de [de commissie] (hierna: de Commissie) door haar zijn betaald. Zij was in die tijd de enige [functie van de commissie] van die Commissie19.

De [functie 3 organisatie 2] heeft aangifte tegen de verdachte van verduistering gedaan. Hij heeft verklaard dat de verdachte bij Landsbesluit van [datum landsbesluit] is benoemd tot [functie 3 organisatie 2] van dat [organisatie 2]. Het [organisatie 2] beschikt over een bankrekening bij de RBC-Bank. De [functie 1 organisatie 2] van het [organisatie 2]is, voor zover hij weet, als enige tekeningsbevoegd. Zij beheerde de rekening. De landsoverheid stort om de zoveel tijd een bedrag op de rekening. Het is de bedoeling dat die gelden in het bijzonder, zo niet uitsluitend worden gebruikt voor de reis -en verblijfskosten van de leden van het [organisatie 2]20

Aan de hand van bankafschriften van voornoemde [logo bank 1] -Bankrekening heeft [verbalisant 2] [verbalisant 2] een overzicht gemaakt van de contante opnames en stortingen op die bankrekening. Er is in de jaren 2013 tot en met 2017 per saldo een bedrag van NAf 153.679,- in contanten opgenomen. Aan deze opnames lagen cheques ten grondslag die op verzoek van de verdachte werden geïnd door haarzelf, de schoonmaakster van [kantoor organisatie 5] en een bode van een advocatenkantoor. Laatstgenoemden overhandigden de contanten aan de verdachte en bij haar afwezigheid werden deze contanten op haar kamer achtergelaten.21

Hiermee staat vast dat de verdachte het bedrag van NAf 153.679,- als ambtenaar van [organisatie 2], in de functie van [functie 1 organisatie 2] in haar bediening, onder zich had.

Heeft de verdachte zich die gelden ook wederrechtelijk toegeëigend, zoals ten laste gelegd?

2. Vrijspraak

Het Gerecht stelt vast dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag van NAf 153.679,- is gebaseerd op alle in de periode van 1 juni 2013 tot en met 7 september 2018 van de bankrekening van [organisatie 2] middels cheques aan toonder opgenomen contante bedragen minus een tweetal stortingen. De aanvankelijke gedachtegang van het openbaar ministerie komt erop neer dat het, gelet op de met de verduistering van gelden van het [organisatie 1] overeenkomstige modus operandi en het ontbreken van stukken die ten grondslag liggen aan uitgaven ten behoeve van [organisatie 2], niet anders kan zijn dan dat alle opgenomen contante bedragen (met een kleine correctie ter zake van een eenmalige storting) door de verdachte zijn verduisterd. Zoals hiervoor reeds weergegeven is de omvang van het verduisterde bedrag door de officier van justitie naar beneden bijgesteld op basis van de inhoud van de aangifte en de verklaring van de [functie 3 organisatie 2] van het [organisatie 2]. Uit diens aangifte en verklaring volgt evenwel dat hij geen kennis heeft van de omvang van de uitgaven die de verdachte ten behoeve van [organisatie 2] deed. Hij heeft daarom een schatting gemaakt van de kosten van zijn bezoeken aan Sint Maarten en gewezen op opnames van de bankrekening die hem bevreemden. De bankafschriften van die rekening had hij overigens eerst tijdens het opsporingsonderzoek gezien.

Onder die omstandigheden alsmede het in het opsporingsonderzoek niet horen van de andere [functie 2 organisatie 2] van [organisatie 2] en het niet (tijdig) uitvoeren van het door het [organisatie 4] gelaste onderzoek naar de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat zij van de gelden van [organisatie 2] ook wel leden van de Commissie betaalde, tast het Gerecht grotendeels in het duister omtrent de -eenvoudig gezegd - financiële gang van zaken bij [organisatie 2] en de Commissie. Dat uit e-mailwisseling, zoals bij aanvullend proces-verbaal d.d. 19 september 2019 gevoegd, kan worden opgemaakt dat vanaf 2014 een aantal kosten van de Commissie voor rekening van [organisatie 6] kwamen maakt dat niet anders.

De omvang van het in de periode van 1 juni 2013 tot 26 juli 2017 van de bankrekening middels cheques opgenomen bedrag, te weten ruim NAf 100.000,- (dus NAf 25.000,--) per jaar is daarnaast ook niet zo opmerkelijk hoog dat reeds hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van die gelden.

Bij deze stand van zaken is het Gerecht van oordeel dat de verklaring van de verdachte, hoewel daar veel vraagtekens bij kunnen worden gesteld, niet als onaannemelijk terzijde kan worden gesteld, zodat het Gerecht komt tot een vrijspraak van de ten laste gelegde verduistering in voornoemde periode.

3. Periode juli en augustus 2017

Uit het hiervoor genoemde, door [verbalisant 2] opgemaakte, proces-verbaal volgt dat op 26 juli 2017 door het Land Sint Maarten een bedrag van NAf 50.000,- op de bankrekening van [organisatie 2] bij de [logo bank 1) is bijgeschreven. In de daaropvolgende periode van 27 juli 2017 tot en met 22 augustus 2017 is dit gehele bedrag middels 8 cheques door de al eerder genoemde bode van een advocatenkantoor van de bankrekening opgenomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 26 juni 2019 op de vraag waaraan het in voornoemde periode opgenomen geld is besteed geantwoord dat ze guldens van de bankrekening opnam en deze ruilde voor dollars van [kantoor organisatie 5]. Ze heeft daarvan tickets voor functie 3 organisatie 2] betaald alsook andere kosten. Wat overbleef lag in dollars in de kluis van [kantoor organisatie 5] Dat was dus een groot bedrag. De kluis stond in haar kast. Toen haar kantoor werd afgesloten lag het nog in die kluis.

Het Gerecht stelt eerst vast dat voor de verklaring van de verdachte dat ze de gelden van de bankrekening van [organisatie 2] in de orde van deze grootte opnam om die te ruilen voor dollars geen ondersteuning is te vinden. Van een bestendig gebruik dienaangaande is niet gebleken en vindt weerlegging in de omstandigheid dat bijvoorbeeld in de periode van 31 oktober 2016 tot 31 maart 2017 in het geheel geen cheques zijn verzilverd en evenmin in de periode 1 april 2017 tot 26 juli 2017. Voorts heeft de [functie 3 organisatie 2] van het [organisatie 2] verklaard dat hij in 2017 na april niet meer naar Sint Maarten is afgereisd22, zodat de verklaring van de verdachte dat zij van die gelden tickets voor de [functie 3 organisatie 2] heeft betaald, niet op waarheid kan berusten.

Gelet op al dit vorenstaande merkt het Gerecht de verklaring van de verdachte als niet geloofwaardig aan. Aan hetgeen de raadvrouw heeft opgemerkt over de door de [functie 2 organisatie 5] genoemde tweede kluis in [kantoor organisatie 5], gaat het Gerecht voorbij, nu het evident is dat de verdachte zelf het oog heeft gehad op de kluis op haar kamer en niet spreekt over een tweede kluis.

4. Conclusie

Vaststaat derhalve dat de verdachte als ambtenaar van [organisatie 2] een bedrag van NAf 50.000,- in contanten onder zich had dat zij heeft ontvangen in de periode van 26 juli 2017 tot en met 22 augustus 2017. Ook staat vast dat, in tegenstelling tot de verklaring van de verdachte die gelden niet zijn aangetroffen in de kluis op de kamer van de verdachte. Er is voorts geen enkele ondersteuning te vinden voor de door de verdachte gestelde uitgaven in de korte periode van ontvangst van de contanten tot 7 september 2017 (orkaan Irma), waarna de verdachte, volgens haar eigen verklaring niet meer op haar kamer, is geweest. Het Gerecht concludeert dan ook, gelet op het hiervoor overwogene en de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang gezien, dat de verdachte in de periode van 26 juli 2017 tot 7 september 2017 een aan het [organisatie 2] toebehorend geldbedrag van NAf 50.000,- zonder daartoe gerechtigd te zijn, voor andere doeleinden heeft aangewend dan waarvoor die bedoeld waren en dat zij zich dit bedrag aldus opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het Gerecht acht gelet op het voorgaande eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit heeft gedaan als ambtenaar in de functie van [functie 1 organisatie 2] bij het [organisatie 2]

Het bewijs ten aanzien van feit 3

(Gewoonte)witwassen

Verwijt

De verdenking is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte) witwassen van door haar bij het [organisatie 1] en van [organisatie 2] verduisterde gelden.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan (gewoonte)witwassen.

De beoordeling

1.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte zich in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 december 2017 schuldig heeft gemaakt aan verduistering van een bedrag van USD 892.667,98 van het [organisatie 1] en in de periode van 26 juli 2017 tot 7 september 2017 van een bedrag van NAf 50.000,- bij [organisatie 2]. Al hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 1 en 2 is overwogen en beslist dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Hieruit volgt dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte voornoemde gelden heeft verworven en voorhanden heeft gehad en wist dat de gelden afkomstig waren uit enig misdrijf.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet en het delict verduistering en het delict witwassen kunnen worden bewezenverklaard, omdat het delict verduistering inhoudt dat de verdachte de gelden anders dan afkomstig uit misdrijf onder zich had en het delict witwassen nu juist ziet op gelden die wel afkomstig zijn van misdrijf.

Het Gerecht verwerpt het verweer. De raadsvrouw miskent dat het delict verduistering eerst is voltooid op het moment dat de verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.

De vraag is vervolgens of de verdachte voornoemde gelden heeft overgedragen en/of omgezet.

2. Standpunt officier van justitie

Uit een onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte en/of haar echtgenoot volgt dat er in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 in totaal een bedrag van ruim USD 250.000,- in contanten is gestort op die bankrekeningen. Na onderzoek is gebleken dat de verklaring van de verdachte dat deze gelden afkomstig zijn uit de inning van huurgelden aantoonbaar (deels) onjuist is, zodat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte deels wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake is van een kwalificatie-uitsluitingsgrond.

3.

Het Gerecht stelt het navolgende vast.

Berekend is dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 in totaal ruim een bedrag van ruim USD 250.000,- in contanten op de bankrekeningen in kwestie is gestort.23 Het Gerecht ziet geen reden aan de juistheid van die berekening te twijfelen, nu deze is opgesteld aan de hand van de door banken verstrekte financiële gegevens, die zich eveneens in het dossier bevinden. Het andersluidende verweer wordt verworpen.

De echtgenoot van de verdachte heeft ter terechtzitting van 26 juni 2019 desgevraagd verklaard dat de stortingen enerzijds betrekking hadden op contanten die hij van zijn vrouw ontving, dat waren huurinkomsten, en anderzijds betrekking hadden op door hem zelf geïnde huren. De verdachte heeft zich bij deze verklaring aangesloten24. Het zou gaan om de huurinkomsten van:

  1. drie appartementen in [naam buurt], [naam wijk], huur USD 1.250,- per maand, waarvan twee huurders middels een cheque betaalden;

  2. hutjes van de familie in [naam wijk], huur in totaal ongeveer USD 1.400 tot 1.700 per maand;

  3. appartement in [naam straat] dat gehuurd werd voor USD 1250,- per maand.

Er is nader onderzoek gedaan ter verificatie van de verklaringen van de verdachte. Zij heeft ter onderbouwing van haar stellingen stukken overgelegd en nadere verklaringen afgelegd, waarna - zo veel mogelijk - nader onderzoek is ingesteld.

Het Gerecht komt tot het navolgende met betrekking tot de huurinkomsten.

Ad a) Uit de door de bank verstrekte gegeven volgt dat de bijschrijvingen van de op de huur van de twee appartementen betrekking hebbende cheques niet als contante stortingen op de bankrekeningen in kwestie zijn vermeld25. Deze zijn dan ook niet in de berekening van voornoemd bedrag van ruim USD 250.000,- meegenomen. Bescheiden ter onderbouwing van de ontvangst van huurinkomsten van het derde appartement (bijvoorbeeld in de vorm van een huurovereenkomst, kwitanties dan wel verklaringen van een huurder/huurders) zijn niet door de verdachte verstrekt. Dat er ter zake van dat appartement huur in contanten werd ontvangen is dan ook niet aannemelijk geworden.

Ad b) Aan de hand van overgelegde kwitanties kan worden vastgesteld dat er met de verhuur van de hutjes in de periode van januari 2014 tot en met augustus 2017 een bedrag van USD 70.710,- in contanten is ontvangen.26 Dat dat bedrag hoger is, is niet aannemelijk geworden.

Ad c) Het Gerecht kan niet vaststellen wat de huurinkomsten uit dit appartement zijn geweest. Uit een huurovereenkomst volgt dat in de maanden mei en juni 2016 een bedrag van USD 2.400,- per maand aan een huurder in rekening werd gebracht.27 Ook is er een stuk overgelegd waaruit zou volgen dat, bij korte verhuur, hogere bedragen in rekening werden gebracht. Dat dat stuk betrekking zou hebben op de verhuur van het appartement in [naam straat] is evenwel op geen enkele wijze aannemelijk geworden, nu het stuk slechts vermeld “[naam appartement]” en voornoemde dagelijkse huurprijzen. Het Gerecht zal ondanks vorenstaande, in het voordeel van de verdachte, uitgaan van een maandelijkse netto- huuropbrengst van USD 1.250,-. De inkomsten uit verhuur van het appartement bedroeg dan in de periode van januari 2014 tot en met augustus 2017 (44 maanden) USD 55.000,-. De huur is alstoen beëindigd.

Samengevat, bedroegen de huurinkomsten in de periode 1 juni 2014 tot 31 december 2017 in totaal USD 125.710,- . Daar staan tegenover stortingen van contant bedragen op de bankrekeningen van in totaal ruim USD 250.000,- in dezelfde periode. Dit leidt tot de conclusie dat er voor stortingen van in totaal een bedrag van om en nabij USD 125.000,- geen verklaring is vinden.

Dit bedrag (waarbij derhalve reeds in het voordeel van de verdachte inkomsten van de verhuur van het appartement in [naam straat] zijn berekend) behoeft correctie:

  • -

    enerzijds omdat de stortingen zien op de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017, terwijl in ieder geval de periode voor 1 juni 2014 (gelet op de bewezenverklaarde periode van de verduisteringen) daarin niet betrokken dient te worden;

  • -

    anderzijds omdat geen rekening is gehouden met enige uitgaven ten behoeve van het onroerend goed in kwestie, waarbij het Gerecht nog opmerkt dat de verdachte zelf ter terechtzitting ten aanzien van [naam straat] heeft verklaard dat zij voor wat betreft de huur/verhuur “quite speelden”.28

Gelet op al dit vorenstaande is het Gerecht van oordeel dat, hoewel het de omvang daarvan niet kan vaststellen, een aanzienlijk bedrag op de bankrekeningen van de verdachte en/of haar echtgenoot is gestort waarvoor de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft. Tegen de achtergrond van de door de verdachte gepleegde verduisteringen, is het Gerecht van oordeel dat het niet anders kan zijn, dan dat de verdachte een deel van de door haar verduisterde gelden aan haar echtgenoot heeft gegeven om deze te storten op de bankrekeningen. Daarmee is bewezenverklaard dat verdachte in de tenlastegelegde periode enig geldbedrag heeft witgewassen door dit aan haar echtgenoot over te dragen.

Het Gerecht kan aan het dossier onvoldoende aanwijzingen ontlenen dat dit geldbedrag ook is omgezet en gebruikt, zodat zij in zoverre van het haar ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Het bewijs ten aanzien van feit 4

Valsheid in geschrifte

Verwijt

De verdenking is dat de verdachte drie overboekingsformulieren van de [naam bank 1] (hierna: [logo bank 2) heeft vervalst op of omstreeks 21 september 2016.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft ontkend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.

De beoordeling

1. Vaststaande feiten en/of omstandigheden

In 2011 werden in het strafrechtelijk onderzoek [onderzoeksnaam 1] een drietal bedragen in beslag genomen, te weten NAf 49.571,-, USD 1.133.660,15 en EUR 21.491,-. Deze bedragen zijn op de derdengeldenrekeningen van het [organisatie 1] gestort. Bij brief van 2 september 2016 gericht aan de toenmalig [functie 2 organisatie 1] van het [organisatie 1] (hierna: de [functie 2 organisatie 1]) en de verdachte heeft de toenmalig [functie organisatie 7] verzocht die bedragen over te maken op de bankrekening van het [organisatie 7]29.

De [functie 2 organisatie 5] heeft verklaard:

  • -

    dat zij geen bemoeienis had met de derdengeldenrekeningen en nooit tekende voor overboekingen. Dat werd door de verdachte afgehandeld;

  • -

    dat de verdachte haar de brief van het openbaar ministerie in de [naam persoon 4] strafzaak voorlegde (het Gerecht begrijpt: voornoemde brief van 2 september 2016) en haar vertelde dat ze deze keer mee moest tekenen omdat de bank dat vanwege de hoogte van de bedragen had gevraagd. De verdachte heeft de overboekingsformulieren klaar gemaakt en aan haar voorgelegd. Die waren van de [logo bank 2) Bank. Zij heeft die formulieren getekend;

  • -

    dat op de formulieren rechtsonder is te zien dat zij beiden hebben getekend en dat haar handtekening naast die van de verdachte staat.30

Voornoemde overboekingsformulieren zijn gedateerd op 21 september 2016 en hebben als registratienummer 546611431.

Overboekingsformulier 1 ziet op een bedrag van NAf 49.571,-. De laatste drie cijfers van het bankrekeningnummer waarvan het geld overgeboekt diende te worden zijn gewijzigd. Naast dat gewijzigde bankrekeningnummer staat een paraaf. Laatstgenoemde bankrekening was een [bankrekeningnummer organisatie 5].

Overboekingsformulier 2 ziet op een bedrag van NAf 1.059.168,60. Vrijwel alle cijfers van het bankrekeningnummer waarvan het geld overgeboekt diende te worden zijn gewijzigd. Naast dat gewijzigde bankrekeningnummer staat een paraaf. Laatstgenoemde bankrekening was een [bankrekeningnummer organisatie 5].

Overboekingsformulier 3 ziet op een bedrag van USD 1.557.300,20. Hier lijkt een cijfer in het over te boeken bedrag gewijzigd te zijn. De bankrekening waarvan het geld diende te worden overgeboekt was de dollar-derdengeldenrekening. Daar moet later het cijfer 1 aan zijn toegevoegd, omdat er een bedrag van USD 557.302,45 (USD 2,25 kosten) daadwerkelijk van die rekening is afgeschreven.323334

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat zij voornoemde overboekingsformulieren heeft ingevuld, de bankrekeningnummers heeft gewijzigd en voornoemde parafen door haar zijn gezet.35

2. Standpunt officier van justitie

Het Gerecht begrijpt het standpunt van de officier van justitie als volgt. De verdachte heeft de overboekingsformulieren aanvankelijk zo ingevuld dat de betalingen ten laste van de derdengeldenrekeningen kwamen en waren gesteld in guldens (overboekingsformulier 1) en in dollars (overboekingsformulieren 2 en 3). Na ondertekening van die formulieren door de [functie 2 organisatie 5] heeft zij in overboekingsformulier 1 het bankrekeningnummer gewijzigd van een gulden- derdengeldenrekening in die van een [bankrekeningnummer organisatie 5] en de wijziging voorzien van een paraaf. Ook heeft zij toen in overboekingsformulier 2 het bankrekeningnummer gewijzigd van de dollar-derdengeldenrekening in die van een [bankrekeningnummer organisatie 5] en die voorzien van een paraaf en voorts de omvang van het over te boeken bedrag en de valutasoort aangepast.

3. Het oordeel van het Gerecht

De verdachte had zich schuldig gemaakt aan verduistering van gelden van de dollar-derdengeldenrekening. Op het moment dat zij voornoemde brief van het openbaar ministerie ontving was er als gevolg van die verduisteringen bij lange na niet voldoende saldo op de dollar-derdengeldenrekening om aan het verzoek om uitbetaling te voldoen. De verdachte heeft dat niet aan haar leidinggevende gemeld36. Zij heeft haar handelen verhuld door gelden van [bankrekeningnummer organisatie 5] aan te wenden teneinde te kunnen voldoen aan het betalingsverzoek van het openbaar ministerie.

Onder voornoemde omstandigheden is zeer aannemelijk dat de verdachte - om vragen te voorkomen - naast overboekingsformulier 3 (dat zag op de dollar-derdengeldenrekening) in overboekingsformulier 2 diezelfde bankrekening en valutasoort (dollar) heeft ingevuld. Een [functie 2 organisatie 5] is immers wel bekend met de aard van een derdengeldenrekening en er diende onder meer een bedrag van USD 1.133.660,15 dat bij het Gerecht in beheer was te worden geretourneerd. Overboekingsformulieren die zien op verschillende bankrekeningen en die in verschillende valuta zijn gesteld passen daar evident niet bij.

Dat de verdachte aldus heeft gehandeld vindt bevestiging in het navolgende:

- op overboekingsformulier 2 zijn vrijwel alle cijfers van het bankrekeningnummer gewijzigd. Ten aanzien van minstens 4 cijfers kan worden vastgesteld dat aanvankelijk cijfers zijn ingevuld die corresponderen met het nummer van de dollar-derdengeldenrekening;37

- het nummer van de dollar-derdengeldenrekening bestaat uit 10 cijfers, het nummer van de [bankrekeningnummer organisatie 5] uit 9 cijfers (080503608) terwijl op overboekingsformulier 2, na wijziging van de bankrekeningnummers een aantal van 10 cijfers is te zien, eindigend op cijfer 6. Dit is het laatste nummer van de dollar-derdengeldenrekening;

- anders dan bij overboekingsformulier 1 en 3, zijn op overboekingsformulier 2 beide voorgedrukte valutasoorten, te weten NAF/USD, doorgestreept en is er met de hand Naf voor geschreven. Dit past bij het aanvankelijk invullen van de valutasoort in dollars, waarbij de valutasoort NAF wordt doorgestreept en het vervolgens, na wijziging van het bankrekeningnummer in dat van een gulden-rekening, doorstrepen van de valutasoort USD en het handmatig toevoegen van de valutasoort “NAf” en het plaatsen van 2 cijfers voor het over te boeken bedrag.

Op grond van dit vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien ook met het gegeven dat alleen de verdachte de wijzigingen in de bankrekeningnummers heeft geparafeerd en niet ook de [functie 2 organisatie 5], acht het Gerecht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van overboekingsformulier 2 door daarop het bankrekeningnummer te wijzigen en het bedrag aan te passen door de cijfers 10 voor het aanvankelijk opgenomen bedrag te plaatsen. Ook komt het Gerecht tot een bewezenverklaring van de vervalsing van overboekingsformulier 1 door daarop het bankrekeningnummer te wijzigen.

Het Gerecht ziet onvoldoende wettig bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van vervalsing van overboekingsformulier 3, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4. Verweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat en waarom de processen-verbaal die [verbalisant 3] heeft opgesteld van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Dit verweer kan onbesproken blijven, nu het Gerecht die processen-verbaal niet tot het bewijs bezigt.

Ook laat het Gerecht het verweer van de raadsvrouw, inhoudende dat het vermoeden van het plegen van valsheid in geschrifte niet rechtmatig is ontstaan en de verklaring van de [functie 2 organisatie 5] bij de Rechter-Commissaris derhalve “fruit of the poisonous tree” is en om die reden van het bewijs dient te worden uitgesloten, als onbegrijpelijk onbesproken.

Het verweer betreffende, zo begrijpt het Gerecht, de betrouwbaarheid van de verklaring van de vicepresident wordt verworpen. Haar tot het bewijs gebezigde verklaring vindt immers vrijwel geheel steun in de verklaring van de verdachte zelf.

Het bewijs ten aanzien van feit 5

Knevelarij

Verwijt

De verdenking is dat de verdachte zich op of omstreeks 15 juni 2018 als ambtenaar schuldig heeft gemaakt aan knevelarij, door een bedrag van NAf 50.000,- te vorderen van het [organisatie 3], terwijl dat bedrag niet verschuldigd was.

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft erkend dat zij voornoemd bedrag van [organisatie 3] heeft gevorderd. Zij wist evenwel niet dat dat bedrag niet verschuldigd was.

De beoordeling

Bij schrijven van 15 juni 2018 gericht aan de minister van Justitie heeft de verdachte, in haar hoedanigheid van [functie 1 organisatie 2] laten weten dat in het begrotingsjaar 2017 geen storting heeft plaatsgevonden ter bekostiging van de uitgaven ten behoeve van [organisatie 2] Zij verzoekt dan ook de storting van een bedrag van NAf 50,000,- op de bankrekening van het [organisatie 2] teneinde continuïteit van de organisatie te garanderen38.

Dat in het begrotingsjaar 2017 geen storting zou hebben plaatsgevonden is evenwel onjuist. Op 26 juli 2017 heeft het Land een bedrag van NAf 50.000,- op de bankrekening van [organisatie 2] overgemaakt39.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij het verzoek tot betaling aan de minister van Justitie heeft gedaan in verband met een voorgenomen reis van de [functie 3 organisatie 2] van [organisatie 2]. Zij had deze in mei 2018 gesproken en hij drong erop aan dat zij die reis zou regelen. Omdat zij, de verdachte, inmiddels bij het [organisatie 1] was geschorst en geen toegang meer had tot haar kantoor en administratie, wist ze niet meer welke bedragen al dan niet door het Land waren gestort.

Het Gerecht gaat aan die verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig voorbij. De verdachte had immers de in juli 2017 gestorte bedragen verduisterd en wist dat het saldo van de bankrekening van [organisatie 2] minimaal was (Gerecht: op 1 januari 2018 NAf 76,9740) en de kosten van de [functie 3 organisatie 2] van het [organisatie 2] daarvan niet betaald konden worden. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte om die reden de brief van 15 juni 2018 heeft geschreven om alsnog aan gelden te komen en zodoende haar gedragingen te verhullen. Daarbij past het gegeven dat de verdachte niet meteen in mei 2018 (na haar gesprek met [functie 3 organisatie 2]) naar de [logo bank 1) is gegaan om naar het saldo te informeren maar eerst in september 201841.

Het Gerecht acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde.

Verweren

De raadsvrouw heeft ten verweer betoogd dat en waarom de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan oplichting van het Land. Nu dit niet ten laste is gelegd, zal het Gerecht dat verweer onbesproken laten.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31

december 2017 te Sint Maarten, alleen, althans tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar van [organisatie 1], in de [functie 1 organisatie 1], opzettelijk een geldbedrag en/of geldswaardig papier ter waarde van ongeveer USD 892.667,98, althans een geldbedrag dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een of meer anderen, te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer anderen weggenomen of verduisterd is;

2.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 26 juli 2017 tot en met 7 september 2017 te Sint Maarten, alleen, althans tezamen en in vereniging met anderen, als ambtenaar van het [organisatie 2], in de functie van [functie 1 organisatie 2], opzettelijk een geldbedrag en/of geldswaardig papier ter waarde van ongeveer NAF 50.000,-, althans een geldbedrag dat zij in haar bediening onder zich had heeft verduisterd, en/ of heeft toegelaten dat het door een of meer anderen, te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer anderen

weggenomen of verduisterd is;

3.

zij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 september 2018 te Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededaders van een of meer voorwerpen, te weten:

-een geldbedrag van ongeveer USD 1.153.770,00 en/of

-een geldbedrag van ongeveer NAF 153.679,00,

althans een of meer geldbedragen,

de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, of wie dat voorwerp voorhanden had, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormelde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en/ of

voornoemde geldbedragen, heeft verworven, voorhanden gehad, en overgedragen en/of omgezet, althans van die voormelde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

zij op of omstreeks 21 september 2016, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 30 september 2016, te Sint Maarten, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk drie twee, althans een of meer overboekingsformulieren van de [naam bank] (registratienummer 5466114), elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst, telkens met het oogmerk om het/ze als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte, nadat [getuige 3] voornoemde overboekingsformulieren had gesigneerd, valselijk de bankrekeningnummers en/of bedragen op die overboekingsformulieren gewijzigd en/of aangepast;

5.

zij op of omstreeks 15 juni 2018, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 30 juni 2018, te Sint Maarten, als ambtenaar, namelijk als [functie 1 organisatie 2] van het [organisatie 2], in de uitoefening van haar bediening, opzettelijk als verschuldigd aan haarzelf, aan een andere ambtenaar of aan enige openbare kas, een geldbedrag van NAF 50.000,00, heeft gevorderd van het [organisatie 3], terwijl dit bedrag niet verschuldigd was.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in de voetnoten van dit vonnis. In de voetnoten is telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in de verschillende van het eindproces-verbaal van de Landsrecherche Sint Maarten, geregistreerd onder zaaksnummer LRSXM/087/003/18 en de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam 2] ”.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Sint Maarten.

Strafbaarheid van het onder 3 bewezen verklaarde

Uit vaste jurisprudentie volgt dat het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf, als dit verwerven of voorhanden hebben op zichzelf niet heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Het Gerecht is van oordeel dat dat in onderhavige kwestie aan de orde is en zal de verdachte ter zake dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

De eis dat het handelen van de verdachte moet hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp wordt in beginsel niet gesteld indien is bewezen verklaard dat de verdachte het voorwerp heeft overgedragen, zoals in onderhavige kwestie. Dit is anders indien dat overdragen van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van dat voorwerp. Dat is het geval indien het overdragen van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp bestaat uit het ter hand stellen van contante gelden aan je echtgenoot teneinde die te storten op een eigen of gezamenlijke bankrekening. Dat laatste is in onderhavige kwestie aan de orde, zodat de verdachte ook ter zake van het gebruiken van een geldbedrag zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het onder 5 bewezen verklaarde

Het onder 5 bewezen verklaarde feit, te weten knevelarij, is een ambtsdelict. Het gaat daarbij om een vorm van bedrog of misleiding, waarbij de ambtenaar het heeft doen voorkomen alsof het gevorderde of ontvangene werkelijk verschuldigd was. Het te beschermen belang is het (financiële) belang van de burger. Nu het verzoek van de verdachte evenwel gericht was aan het Land (meer in het bijzonder aan de minister van Justitie) kan het onder 5 bewezenverklaarde niet als knevelarij worden gekwalificeerd en dient de verdachte ter zake van dat feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

als ambtenaar opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:


valsheid in geschrifte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedragingen aan de verdachte te verwijten zijn en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting, onder meer uit het de verdachte betreffende vroeghulprapport opgemaakt door de reclassering, naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich gedurende ruim 3,5 jaar schuldig gemaakt aan verduistering van grote geldbedragen die zij als ambtenaar in de functie van [functie 1 organisatie 1] onder zich had. In totaal ging het uiteindelijk om een bedrag van USD 892.667,98. In de periode dat zij die gelden bij het [organisatie 1] verduisterde, heeft zij ook nog een bedrag van NAf 50.000,- verduisterd dat zij als ambtenaar in de functie van [functie 1 organisatie 2] van het [organisatie 2] onder zich had. Haar handelen is zeer laakbaar. De verdachte heeft misbruik gemaakt van haar posities als [functie 1 organisatie 1 en organisatie 2 en zich niet bekommerd om de schade die zij hiermee heeft veroorzaakt. Zij heeft slechts oog gehad voor haar eigen financiële gewin.

Het wordt de verdachte door het Gerecht bijzonder kwalijk genomen dat zij het vertrouwen dat in haar was gesteld op grove wijze heeft beschaamd. Zij was als verantwoordelijke voor de derdengeldenrekening van [organisatie 1] en als gemachtigde van de betaalrekening [organisatie 2] bij uitstek de persoon op wie mocht worden vertrouwd. De gelden die door derden, zoals [beroepsgroep, [organisatie 8] en particulieren, op de derdengeldenrekening werden gestort werden juist aan die rekening toevertrouwd omdat de gelden op die manier veilig, bij een onafhankelijke derde, te weten [organisatie 1], in beheer waren. Nu dat niet het geval blijkt te zijn geweest, heeft de verdachte niet alleen het vertrouwen dat haar werkgever in haar mocht hebben ernstig beschaamd, maar is ook het vertrouwen dat de samenleving in de rechtspraak mag hebben aangetast. Dat laatste rekent het Gerecht de verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft de verdachte gelden die door het Land waren betaald ten behoeve van het [organisatie 2] verduisterd.

Om de verduistering bij [organisatie 2] te maskeren heeft de verdachte valsheid in geschrifte gepleegd. Op die manier heeft zij bewerkstelligd dat het tekort dat door haar toedoen op de derdengeldenrekening van het [organisatie 2] was ontstaan, werd aangevuld, zonder dat iemand dat tekort in de gaten kreeg Ze bewerkstelligde aldus dat zij ongestoord met haar verduisteringen door kon gaan.

De verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor haar strafbaar handelen. Zij heeft daarentegen zelfs anderen beschuldigd van de strafbare feiten die zij had gepleegd. Daarmee heeft zij die personen ernstig beschadigd. Het Gerecht zal ook dit in het nadeel van de verdachte laten meewegen.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In hetgeen de raadsvrouw in strafmatigende zin naar voren heeft gebracht ziet het Gerecht geen reden om tot een ander oordeel te komen. De gevolgen die onderhavige strafzaak voor de verdachte met zich brengt (onder meer het doorbrengen van detentie in Point Blanche) heeft zij uitsluitend te danken aan haar eigen handelen.

Het Gerecht heeft zich rekenschap gegeven van de vraag of verdachtes berechting heeft plaatsgehad binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 7 september 2018, toen de verdachte werd aangehouden en in verzekering werd gesteld. De behandeling van haar zaak in eerste aanleg is eerst heden, 7 mei 2021, dus niet binnen twee jaar met een eindvonnis afgerond. Die overschrijding is echter in overwegende mate veroorzaakt door de beperkte zittingsruimte van het Gerecht in verband met de getroffen maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van Covid-19. Dat is een omstandigheid die niet voor rekening van de verdachte dient te komen. Daarnaast heeft ook het optreden van het openbaar ministerie tot vertraging van de behandeling in de zaak geleid. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden met 8 maanden. Het Gerecht zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.

Het Gerecht acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van voorarrest. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 50.000,-, te vermeerderen met de proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Het Gerecht stelt de proceskosten op USD 1.000,-. Het Gerecht acht dat een redelijk en billijk bedrag.

Schadevergoedingsmaatregel [organisatie 1]

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het Gerecht de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen in verband met een door het Gemeenschappelijk Hof bij uitspraak van 21 januari 2020 toegekende schadevergoeding van USD 1.015.295,-, althans dat het Gerecht een schadevergoedingsmaatregel tot het wettelijke maximum van NAf 50.000,-, met vervangende hechtenis van 365 dagen zal opleggen.

Het Gerecht zal anders dan de officier van justitie heeft betoogd niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen nu [organisatie 1] gelet op voornoemde onherroepelijke uitspraak van 21 januari 2020 geacht wordt in staat te zijn de vordering zelf te incasseren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikel 375 van het Wetboek van de Nederlandse Antillen (voor wat betreft de onder 1 bewezenverklaarde periode tot 1 juni 2015) en de artikelen 1:78, 1:136, 2:184, 2:348 van het Wetboek van Strafrecht (laatstgenoemd artikel voor wat betreft de onder 1 bewezenverklaarde periode vanaf 1 juni 2015), zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het onder 3 en 5 bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

kwalificeert het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 27 (zevenentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 50.000,- (zegge: vijftigduizend gulden), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden begroot op USD 1.000,- (zegge: eenduizend dollar) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 50.000,- (zegge: vijftigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan het Land daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. A.J.M. van Gink bijgestaan door mr. A.F. van der Heide (zittingsgriffier), en op 7 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.

De zittingsgriffier en de uitspraakgriffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Uitspraak Gemeenschappelijk Hof krachtens artikel 37 van de Rijkswet van 21 januari 2020

2 De schriftelijke aangifte van 13 maart 2018 door [naam persoon 1], [functie 2 organisatie 5] (pagina’s 1-4 Zaakdossier 1 (hierna: ZD1)) en het proces-verbaal van aangifte verduistering in dienstbetrekking/ambtelijke verduistering van 13 maart 2018, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina’s 5-7 ZD1)

3 Proces-verbaal van bevindingen Onderzoek overzicht getraceerde cheques waarmee vermoedelijk fraude is gepleegd van 15 januari 2019, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 93-94 van ZD 1)

4 Dit blijkt uit de cheques opgenomen als document D-051 (documentenmap G1)

5 Proces-verbaal verhoor [getuige 2] van 28 maart 2019, opgemaakt door de rechter-commissaris (pagina’s 148-150 ZD 1) en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 28 maart 2019, opgemaakt door de rechter-commissaris (pagina’s 157-160 ZD1)

6 Onder meer (in USD) 38 x 5500, 19 x 8800, 18 x 4040, 11 x 8015, 6 x 8000, 5x 61015, 5x 6600, 5 x 7015, 5 x 7100, 5 x 8100, 4 x 5100 en 4 x 6100), opgenomen in het proces-verbaal genoemd in noot 3

7 De schriftelijke aangifte van 13 maart 2018 door [functie 2 organisatie 5] (pagina’s 1-4 ZD1)

8 Document D-042 (documentenmap G1)

9 Bijlagen 11 en 15 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] (D-014, documentenmap G1)

10 Bijlage 15 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] (D-014, documentenmap G1)

11 Bijlage 15 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] (D-014, documentenmap G1)

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 25 september 2019, opgemaakt door de rechter-commissaris (los stuk)

13 Proces-verbaal bevindingen Onderzoek overboekingsformulieren van derdengelden naar Criminaliteitsfonds van 21 november 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] [verbalisant 3] (pagina’s 230-234 ZD 1)

14 Proces-verbaal van bevindingen Ontvangst aangiften inbraak door [verdachte] namens het [organisatie 1] 3 december 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] [verbalisant 3] (bijlage 4 bij proces-verbaal van relaas aanvullend onderzoek van 24 september 2019)

15 proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] van 26 september 2018, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] (pagina’s 180-184 ZD1)

16 Vergelijking tussen het proces-verbaal bevindingen Onderzoek stortingen op de USD derdengeldenrekening periode 2010 tot en met 2013 vergeleken met contante opnames 2014 tot en met 2017 van 5 november 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] [verbalisant 3] (los stuk) (bijlage deposits vs opnames, p. 1) met de lijst van cheques op pagina 94 ZD1).

17 Vergelijking tussen het proces-verbaal bevindingen Onderzoek derdengeldenrekening USD acct#5106 [organisatie 1] van 14 augustus 2019, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] [verbalisant 3], onderste kolom pagina 3 (bijlage 2 bij proces-verbaal van relaas aanvullend onderzoek van 24 september 2019) met de lijst van cheques op pagina 94 ZD1.

18 Document D-14 (documentenmap G1)

19 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2019, pagina’s 2 en 4 van het proces-verbaal van die zitting

20 De schriftelijke aangifte van 26 september 2018 door [naam persoon 5], [functie 3 organisatie 2] van [organisatie 2] (pagina’s 10-12 Zaakdossier 2 (hierna: ZD2))

21 Proces-verbaal van bevinding [logo bank 1] bankrekeningen van 13 september 2018, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 2] (pagina’s 13-14 ZD2), proces-verbaal van bevindingen Nader financieel onderzoek transacties bankrekening [organisatie 2] van 6 december 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3][verbalisant 3] (pagina’s 15-19 ZD2), proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van 19 september 2018, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (pagina’s 20-22 ZD2) en proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 19 september 2018, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] (pagina’s 23-25 ZD2)

22 Zie noot 20

23 Proces-verbaal van bevindingen Nader onderzoek contante stortingen op bankrekeningen gehouden bij de banken van 28 februari 2019, opgesteld door [verbalisant 3] (pagina’s 101-105 ZD1) voor zover inhoudende bovenste en onderste kolom op pagina 103 en de middelste kolom op pagina 104

24 Proces-verbaal ter terechtzitting van 26 juni 2019

25 Documenten D-129 en D-130 (documentenmap G3)

26 Proces-verbaal van relaas aanvullend onderzoek van 24 september 2019, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3], pagina 12, met onderliggende bescheiden

27 Bijlage 2 bij document D-0148 (bijlage 18 bij proces-verbaal van relaas aanvullend onderzoek van 24 september 2019)

28 Proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juni 2019, pagina 8

29 Bijlage 15 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden vestiging Sint Maarten van het [organisatie 1] (D-014, documentenmap G1)

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 25 september 2019, opgemaakt door de rechter-commissaris met als bijlage onder meer drie overboekingsformulieren van de [logo bank 2]

31 Boekingsformulieren opgenomen in D-138, documentenmap G3

32 Bankafschrift van de bankrekening eindigend op #5106 opgenomen in bijlage 15 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] (D-014, documentenmap G1)

33 De wijzigingen berusten op eigen waarneming van het Gerecht

34 De bankrekeningnummers blijken uit noot 1 op pagina 8 van het Vervolgrapport onderzoek derdengelden [organisatie 5] (D-014, documentenmap G1)

35 Proces-verbaal ter terechtzitting van 26 juni 2019, pagina 12

36 Zie hiervoor onder het kopje “Het bewijs ten aanzien van feit 2”

37 De dollar-derdengeldenrekening heeft als nummers 0020685106, het gaat dan achtereenvolgens om de nummers 6510.

38 D-022 (documentenmap G1) en verklaring de verdachte ter terechtzitting van 26 juni 2019

39 Proces-verbaal van bevinding [logo bank 1] rekeningen van 13 september 2018, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 2] (pagina’s 13-14 ZD2) en proces-verbaal van bevindingen Nader financieel onderzoek transacties bankrekening [organisatie 2] van 6 december 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 15-19 ZD2), Proces-verbaal van bevinding [logo bank 1] bankrekeningen

40 proces-verbaal van bevindingen Nader financieel onderzoek transacties bankrekening [organisatie 2] van 6 december 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (pagina’s 15-19 ZD2, m.n. p. 18)

41 Proces-verbaal van relaas zaaksdossier, pagina 5 onder kopje “bevindingen handeling [verdachte] bij [logo bank])