Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:54

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
SXM202100563/ KG 2021/102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De AVA van de Sint Maartense luchthaven PJIA besluit tot beëindiging van het bestuurderschap van de CEO en beëindiging van de aan hem verleende opdracht. Verrassingsbesluit van de AVA -want de (voorgenomen) beëindiging was geen agendapunt- met voorbijgaan aan het fundamentele recht van de CEO om te worden gehoord op het voorgenomen beëindigingsbesluit en de aantijgingen en om zich hiertegen te verweren. Ook zijn bestuurders en leden van de RvC niet in de gelegenheid gesteld om hun adviserende stem uit te brengen. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal de bodemrechter op vordering van de CEO het besluit vernietigen. Ook schending van artikel 2:7 BW en onrechtmatige daad van werkmaatschappij en holding jegens CEO. Gerecht schorst de uitvoering van het ontslagbesluit. CEO dient door werkmaatschappij en holding in de gelegenheid te worden gesteld om zijn bestuurstaken te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202100563/ KG 2021/102

verkort vonnis in kort geding van 12 mei 2021 (aanvulling volgt uiterlijk twee weken na heden)

[eiser],

wonende in Sint Maarten,

-eiser-,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

gevestigd in Sint Maarten,

-gedaagde sub 1-,

gemachtigde: mr. P.A. Brandon,

2 [gedaagde sub 2],

gevestigd in Sint Maarten,

-gedaagde sub 2-

gemachtigde: mr. F.N. Jansen.

Eiser zal hierna ‘[eiser]’ worden genoemd, gedaagde sub 1 ‘de Holding’, en gedaagde sub 2 ‘de Werkmaatschappij’.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 29 april 2021 heeft [eiser] een kort geding verzoekschrift met producties ter griffie van het Gerecht ingediend. Bij brieven van 7 mei 2021 hebben de gemachtigden (aanvullende) producties ter griffie van het Gerecht doen bezorgen. Partijen zijn ter zitting van 10 mei 2021 verschenen bij hun gemachtigden en de gemachtigden hebben in overeenstemming met hun aantekeningen gepleit. Deze pleitaantekeningen hebben zij met elkaar gewisseld en ook aan het Gerecht overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden. Het vonnis is in verband met de spoedeisendheid van de vordering en de beoordeling van het geschil een zogenaamd ‘verkort’ vonnis dat uiterlijk binnen twee weken na heden schriftelijk met de rechtsoverwegingen zal worden aangevuld.1

2. De feiten

2.1.

De Holding is enig aandeelhouder van de Werkmaatschappij. Het Land Sint Maarten houdt alle aandelen in de Holding. [X] is de CEO van de Holding. Aan zowel de Holding als de Werkmaatschappij is een Raad van Commissarissen (‘RvC’) verbonden.

2.2.

Op 30 oktober 2017 is [eiser] tot voorzitter van het bestuur (‘CEO’) van de Werkmaatschappij benoemd. [eiser] en de Werkmaatschappij ondertekenen op 30 november 2018 een Service Agreement waarin de contractuele rechten en verplichtingen uit hoofde van de aan [eiser] verleende opdracht zijn vastgelegd.

2.3.

Bij brief van 3 december 2020 verzoekt de Holding aan [eiser] om zijn ontslag als CEO in te dienen. Deze brief is niet alleen aan de RvC van de Holding en de RvC van de Werkmaatschappij ter beschikking gesteld, maar ook aan de Council of Ministers en Parliament of St. Maarten.

2.4.

Bij brief van 8 december 2020 verweert [eiser] zich tegen dit verzoek. [eiser] dient zijn ontslag niet in. Bij email van 8 december 2020 verzoekt de voorzitter van de RvC, mevrouw [K], van de Werkmaatschappij aan [X] om tot de intrekking van dit verzoek over te gaan: ‘Considering the above, we urge you to withdraw the request to [eiser] to tender his resignation as soon as possible. It’s not in the interest of [gedaagde sub 2] and its stakeholders to lose its CEO at this point. In that respect we point out the risk you are exposing the company to by issuing such a letter, not only with respect to the WB/EIB funding, but with respect to the Note holders as well.’

2.5.

Blijkens een ‘performance evaluatie form’ van 28 december 2020 -dus als CEO van de Werkmaatschappij- is het professionele functioneren van [eiser] op 90 van de 100 punten gewaardeerd.

2.6.

Leden van de RvC van de Holding en de Werkmaatschappij alsmede de bestuurders van de Holding en de Werkmaatschappij alsmede ‘guest’, de heer [D], zijn bij brief van 23 maart 2021 van het bestuur van de Werkmaatschappij, opgeroepen voor een buitengewone aandeelhoudersvergadering (‘de AVA’) van de Werkmaatschappij op 7 april 2021 om 14:00 uur. Geagendeerd onder punt 4 is: ‘Hearing of [eiser]’.

2.7.

Voorafgaande aan deze AVA vraagt [eiser] schriftelijk om opheldering over dit agendapunt 4: ‘What topic does this hearing relate to and what does the shareholder wish/expect to discuss?’ Bij brief van 16 maart bericht [X] aan de bestuurders van de Werkmaatschappij:

‘(…)

No elucidation or clarification to you is required. You are instructed to issue the convocation with agenda as provided.

In the event this is not done by close of business tomorrow, your failure to do so will be qualified as insubordination and disciplinary measures will follow.2

(…)’

2.8.

Bij de opening van de AVA van 7 april 2021 vraagt de voorzitter van de RvC van de Werkmaatschappij om verduidelijking van de agendapunten en maakt duidelijk dat het bestuur van de Werkmaatschappij met de agenda niet instemt. [X], optredend als voorzitter van de AVA, antwoordt blijkens de notulen: ‘The Chairman thanks [K] for her point but says the meeting will continue anyway.’

2.9.

Blijkens de notulen vraagt zowel [eiser] als de voorzitter van de RvC bij de behandeling van punt 4 van de agenda (nogmaals) om verduidelijking van dit agendapunt. [X] stelt blijkens de notulen:

‘(…)

I believe you are prepared for this. You’ve known what the hearing is about. I have never indicated at any time that this agenda point has been dismissed or removed or cancelled at any point.

I’ve never communicated that. When you’ve had meetings, yes, you gave updates on the Airport. As it pertains, as part of your job. You weren’t suspended from you’re your job or asked to leave from your job at any point in time. But this was present at all times.

(…)

…we ‘ve always indicated that we’re not fully happy with your performance. And this is what this meeting has been about. You added other agenda points to it. And we’ve stated I mean, I don’t think, it’s not rocket science. I think you understand what this meeting is about, you’re fully aware of it. You telling us right now that you’re not prepared or have never been prepared, you even prepared your statement before…..

(…)

That’s your opinion, that you’re not prepared. I think you are prepared, I think you’ve been prepared. You’ve been given an opportunity to be heard here now. If you’re not prepared to make that now, I will go over to the Supervisory Board and we will discuss it. I will put everyone in a private room and the Supervisory Board itself will discuss this an come back to you within short.

(…)’

Tijdens de behandeling van agendapunt 4 stelt de voorzitter van de RvC van de Werkmaatschappij de volgende vraag aan [X]:

This is a question where we would like an answer to the question because we don’t know what we’re supposed to react to at this point in time. So, the question is, (for then in might be easy to formulate a reaction) What is the agenda item Exactly, and what decisions are you planning on making?

waarop [X] blijkens de notulen reageert:

Okay, I’ve taken note of your comments and everything, and I will communicate in … em.. we’re going to meet, [H] you have comment?

blijkens de notulen heeft [H], lid van de RvC van de Werkmaatschappij, opmerkingen:

‘[H]: Yes. I have a last question. We have heard that you would like to discuss the performance of [eiser]. It was not clear with the hearing, in essence, which subject you want to hear [eiser] about because I think there was also a letter about remuneration, so it could have been about any subject. Are you willing to the allow him at another day, at least present his performance and that since we know that it is not his performance evaluation, will you also take into account the formal performance evaluation the Supervisory Board made about the Management Board? Can you also take that into account? Those are my questions.

in de notulen is verder te lezen:

‘[X]: (Inaudible)…. I’m going to discuss this with the Holding Board again. We’re gonna continue this meeting, adjourn this until then.

The meeting is adjourned at 3:20 pm with attendees put into waiting rooms so that Members of the Holding Board can deliberate.

Upon reconvening the Shareholder’s meeting of April 07, 2021, (at 3:58 pm) Mr. [X] confirms that all are again present and that he has deliberated with the Board of the Holding Company.

de notulen vervolgen:

‘[X]: I see everyone present. All right. We’ll reconvene this meeting; Shareholders meeting of [gedaagde sub 2] on April 7th. We have collaborated with the Board of the Holding company. We, eh, adopted a resolution. We have voted on what transpires next. As everyone is aware, this meeting was called by us, myself, em, on the functioning of [eiser] as the CEO of [gedaagde sub 2]. This is where we’ve come to and we are going to continue with this meeting. As of now, the board has voted on the functioning of the CEO of [gedaagde sub 2]. In that vote, the resolution was carried that [eiser]’s services will be terminated effective immediately. A letter on this will be sent to you within short, describing our reasons and our decision, as well as the resolution that was voted on by the Supervisory Board of the Holding Company. Any questions or any comments should remain towards that letter, after, if need be. Services are basically effective termination be effective as of June 2021.The effective date of this will be April 7, end of the day, where all functions will be no longer, You will be no longer authorized to sign, commit or to represent [gedaagde sub 2] in any manner as of end of today. So effectively as of now, [eiser], services have been terminated from [gedaagde sub 2] by resolution of [gedaagde sub 1]. We will be sending out the letter shortly, as soon as I have signed and emailed everyone, all respective parties an email, with resolution as well. So, after this we will close this meeting and you shall receive everything in writing.

[K]: [X] , the Supervisory Body has a right to state something for the record. That’s our legal right, so we expect it to be honored. You cannot close the meeting until we have voices our opinion. So, we are going to do that now also for the Minutes. First of all, you have not heard [eiser]. (…) it was not an agenda item, it was not clear to everybody. Second, you have not heard [eiser]. Third, you have not allowed the Supervisory Board to exercise its advisory vote on the matter. Fourth, the Supervisory Board supervisor disagrees with the dismissal of [eiser] for various reasons, one being that there are no grounds that have been brought forward. Second, it is detrimental to the company to leave a company of this importance to the economy without a CEO effective immediately. Based on the law, based on the case law based on the code, the due governance procedures have not been applied and that you have violated the rules that apply by disregarding the law.

(…)’

2.10.

Bij brief van 7 april 2021 bevestigt de Holding met een goedkeurend besluit van de RvC van de Holding het voorgaande:

‘(…)

The relationship with you shall be terminated in line with the conditions set forth in Article 1.2.1. of the Service Agreement. The termination is therefore effective June 6, 2021 . You are, however, relieved of any further execution of your function and are no longer authorized to sign, commit and or represent [gedaagde sub 2] in any way, with immediate effect, as of today April 7, 2021 .

(…)’

2.11.

Een aan de functionarissen van de Holding verzonden email van 8 april 2021 van de voorzitter van de RvC van de Werkmaatschappij vermeldt:

‘(…)

We are very concerned that the resolution and letter of 7 April 2021 will cause considerable damage to [gedaagde sub 2]. Most notably, you have put the funding for the reconstruction project at risk. Should your actions cause delays or loss of the funding that could have various consequences, including but not limited to potential personal liability of you and (certain) supervisory board members. As such, we repeat our recommendation during the ESM to reconsider the decision and to withdraw the letter and resolution.

(…)’

2.12.

In de brief van 9 april 2021 bericht [Y], directeur van de Royal Schiphol Group aan Prime Minister Jacobs en Minister of TEATT, H.E. de Weever, het volgende:

‘(…)

On 8 April 2021 we have been informed about the immediate termination of the service contract with [eiser] as CEO of [gedaagde sub 2] 3 . Furthermore we have been informed by our staff supporting the Princess Julianna International Airport that they and other stakeholders have very serious concerns on the governance of the airport and the process that has resulted in the termination on the CEO.

As proper corporate governance of the airport is critical for the airport and the reconstruction project and our continued support for the reconstruction of the airport we kindly request the government of St. Maarten, as ultimate shareholder of the airport, to inform us:

. on their views and position concerning the governance of the airport, the process that has resulted in the termination of the CEO and the concerns raised by the various stakeholders regarding the governance of the airport.

. on actions that will be taken by the government of St. Maarten, as ultimate shareholder of the airport, to rectify any historic lapses in proper corporate governance and assure that proper corporate governance will be in place within a short time frame.

We would like to emphasize the importance and urgency of this matter given the potential impact on the airport and the reconstruction and our ability to continue our support to airport during this critical time.

(…)’

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis primair a. de uitvoering van het ontslagbesluit4, het schorsingsbesluit of het besluit van 7 april 2021 om [eiser] op non-actief te stellen met onmiddellijke ingang schorst; b. de Holding en de Werkmaatschappij hoofdelijk beveelt om [eiser] toe te staan zijn taken als bestuurder onder de opdracht te blijven vervullen totdat de opdracht rechtsgeldig is beëindigd en c. de Holding en de Werkmaatschappij in de proceskosten veroordeelt. [eiser] formuleert ook een subsidiaire en een meer subsidiaire vordering maar aan de beoordeling daarvan komt het Gerecht niet toe zodat deze vorderingen verder onvermeld kunnen blijven.

3.2. [

eiser] legt aan de (primaire) vordering ten grondslag dat de besluitvorming in de AVA van 7 april 2021 van de Werkmaatschappij nietig, vernietigbaar, en in elk geval, op verscheidene gronden gebrekkig is. In de notulen van de AVA van 7 april 2021 van de Werkmaatschappij is uit de mond van [X], de CEO van de Holding, opgetekend ‘(…) In that vote, the resolution was carried that [eiser] services will be terminated effective immediately. A letter on this will be sent to you within short, describing our reasons and our decision, as well as the resolution that was voted on by the Supervisory Board of the Holding Company. Any questions or any comments should remain directed toward that letter, after, if need be. Services are basically effective termination be effective as of June 2021. (…)’ terwijl de beëindiging van zijn bestuurderschap, als CEO, van de Werkmaatschappij niet op de agenda van de AVA is vermeld. Op deze aan alle betrokkenen, waaronder [eiser], verzonden agenda is voor zover van belang niet meer vermeld dan:

‘4. 2:30pm Hearing of [eiser]’

Ook de beëindiging van de opdracht aan [eiser], vastgelegd in de Service Agreement tussen [eiser] en de Werkmaatschappij, was niet geagendeerd. Hoewel [eiser] en de RvC van de Werkmaatschappij zowel voor als tijdens deze AVA om helderheid hebben verzocht wat de Holding met dit agendapunt voor ogen stond, heeft [X], ook als voorzitter van de AVA, deze duidelijkheid voorafgaande aan het nemen van het beëindigingsbesluit niet willen verstrekken. Hierdoor zijn het beëindigingsbesluit en het schorsingsbesluit gebrekkig en kunnen aan deze besluiten geen rechtsgevolgen worden verbonden. Dit lot treft ook (het besluit tot) de beëindiging van de Service Agreement tussen [eiser] en de Werkmaatschappij. Uit het voorgaande volgt dan ook dat [eiser] nog steeds CEO van de Werkmaatschappij is. Nu [eiser] een groot (persoonlijk) belang heeft om tot zijn opgedragen werk te worden toegelaten, dienen de Holding en de Werkmaatschappij hem toe te staan zijn bestuurstaken uit hoofde van zijn voorzitterschap van het bestuur van de Werkmaatschappij met onmiddellijke ingang te hervatten en de aan [eiser] verleende opdracht te continueren.

3.3.

De Werkmaatschappij refereert zich voor wat betreft het oordeel over de rechtmatigheid van het ontslag- en/of schorsingsbesluit aan het oordeel van het Gerecht. De Holding weerspreekt de vordering. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de vordering. Geen der gedaagden heeft overigens dit spoedeisend belang weersproken.

4.2.

Het Gerecht stelt voorop dat de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglement, besluit of overeenkomst geldende regel of beslissing is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (vergelijk artikel 2:7 BW). Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de hier te lande levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken (vergelijk artikel 3:12 BW). Schending van het voorschrift van artikel 2:7 BW zal veelal ook onrechtmatig zijn. In dit verband wijst het Gerecht erop dat hoewel een besluit van een orgaan van de rechtspersoon (nog) niet is vernietigd, dit rechtsgeldige besluit jegens een betrokkene onrechtmatig kan zijn en deze betrokkene op grond van onrechtmatige daad redres kan vorderen (vergelijk HR 3 juni 2016/ECLI:NL:HR:2016:1061). Voorts is mogelijk dat een rechtsgeldig besluit van de rechtspersoon als externe rechtshandeling wanprestatie van deze rechtspersoon oplevert jegens degene met wie deze rechtspersoon heeft gecontracteerd.

4.3.

Op grond van het voorgaande passeert het Gerecht het verweer van de Holding dat [eiser] geen actie toekomt omdat de nietigheid van het schorsingsbesluit en het beëindigingsbesluit van 7 april 2021 van de AVA van de Werkmaatschappij (nog) niet in rechte is vastgesteld of deze besluiten nog niet in rechte zijn vernietigd.

4.4.

Op 7 april 2021 vindt de AVA van de Werkmaatschappij plaats. De bij de oproepingsbrieven van 23 maart 2021 verzonden agenda vermeldt onder punt 4 ‘Hearing of [eiser]’. Dit agendapunt is bij brief van 12 maart 2021 van de Holding geagendeerd. Bij brief van 15 maart 2021 vraagt de Werkmaatschappij om verduidelijking van dit agendapunt:

‘(…)

We will gladly follow up with the convocation request for the extraordinary meeting. Most of the presented agenda items in your letter, however, are unclear to our office and we hereby kindly request [gedaagde sub 1] to clarify these agenda items so that a proper convocation can be sent out which will allow the persons attending to be properly prepared.

Can you kindly clarify the following agenda points:

(…)

. (4) Hearing of [eiser]. What topic does this hearing relate to and what does the shareholder wish/expect to discuss?

(…)’

4.5.

Uit de brief van 16 maart 2021 (vergelijk de feitenvaststelling onder sub 2.7.) volgt dat de Holding deze verduidelijking niet aan de Werkmaatschappij wil verstrekken en dat als de convocatie met de door de Holding geformuleerde agendapunten, waaronder dit punt 4, niet wordt verstuurd zulks zal worden beschouwd als ‘insubordinatie’ en dat alsdan ‘disciplinaire maatregelen’ zullen volgen. Het bestuur van de Werkmaatschap heeft vervolgens op 23 maart 2021 de oproepingsbrieven met de agenda, zoals in de brief van 12 maart 2021 door de Holding geformuleerd, aan de vergadergerechtigden van de AVA van de Werkmaatschappij verzonden.

4.6.

Tijdens de AVA van 7 april 2021 van de Werkmaatschappij wordt wederom verduidelijking van agendapunt 4 gevraagd. Nu vraagt de voorzitter van de RvC ten behoeve van het bestuur van de Werkmaatschappij om opheldering en zij deelt mee dat het bestuur van de Werkmaatschappij niet met de agenda instemt (vergelijk feitenvaststelling sub 2.8.).

4.7.

Het Gerecht stelt vast dat ook na dit gemaakte bezwaar over de agenda de CEO van de Holding, [X], geen verduidelijking verstrekt over dit door de Holding geagendeerde onderwerp. De inhoud, omvang en de strekking van het agendapunt blijft onopgehelderd tot en met de inhoudelijke behandeling van dit agendapunt.

4.8.

Ook [eiser], wanneer hem de gelegenheid wordt gegeven om over agendapunt 4 te spreken, tast in het duister waarover hij wordt gehoord. [eiser] zegt blijkens de notulen het volgende:

Yes. So, Mr. Chairman on the hearing of [CEO], I have requested some details on this. Right. Now that you made an introduction on my hearing you want me to summarize my 27 months of functioning at the Airport in a presentation, I’m not prepared for that at this moment. That’s the reason I asked for it too. I think I’m at a disadvantage here. Because I’m not prepared for this setting. I don’t know what the cause is for this. We’ve had a few letters back and forth. On the sixth of March, we sat down with the Prime Minister and the Minister of Finance, where the air was cleared, and now this agenda point, all of a sudden resurfaced. For me, this is a surprise. I’m not prepared for this.

(…)

I just…., if you’re having a hearing of me, let me know what you want to hear me about. I mean, we have so many topics we have discussed. So much dialogue we spoke about so I just want clarity, that’s all. And I’ am not prepared to do this, where you’re asking me to summarize twenty-seven months in a hearing. I am not prepared for that at this moment. You saw I was prepared in the presentation of the agenda points clarified, but on this point. I’m not. I’, sorry, Mr. Chairman.

4.9.

Uit al hetgeen [eiser] zegt, blijkt niet dat hij enig benul heeft dat de Holding met het agendapunt 4 het nemen van een schorsingsbesluit en een beëindigingsbesluit van [eiser] voor ogen heeft. Ook leden van de RvC van de Werkmaatschappij hebben bij de behandeling van agendapunt 4 om duidelijkheid gevraagd, maar niet verkregen. Zij gaan ervanuit dat het gaat om de prestaties van [eiser] gedurende zijn voorzitterschap van het bestuur van de Werkmaatschappij (vergelijk feitenvaststelling sub 2.9.).

4.10.

Op grond van het voorgaande is het Gerecht voorshands van oordeel dat [eiser] opzettelijk de gelegenheid is onthouden om (i) op zijn voorgenomen schorsing en de voorgenomen beëindiging van zijn bestuurderschap en de Service Agreement te worden gehoord en (ii) zich tegen aantijgingen van de Holding te verdedigen. Aan bestuurders en de leden van de RvC van de Werkmaatschappij is voorts opzettelijk de gelegenheid onthouden om over deze voorgenomen besluiten hun raadgevende stem in de AVA uit te brengen (vergelijk artikel 2:132 lid 3 BW).

4.11.

Voor wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak waar het betreft de professionele prestaties en het functioneren van [eiser] staat vast dat [eiser] bij zijn evaluatie een score heeft behaald van 90 uit een totaal te behalen score van 100. Als de Holding dan beweert dat [eiser] ontoereikend functioneert, vraagt het Gerecht zich af waarop dat oordeel van de Holding is gebaseerd. Concrete feiten en omstandigheden heeft de Holding hierover niet gesteld en die zijn het Gerecht evenmin gebleken. Daarbij is van belang dat de Holding door de RvC van de Werkmaatschappij in de gelegenheid is gesteld om in verband met deze evaluatie ‘input’ over het functioneren van [eiser] te leveren, maar dat heeft de Holding nagelaten. Om dan vervolgens in dit geding te beweren dat [eiser] disfunctioneerde, acht het Gerecht een tikkeltje te vrijblijvend. Aan deze gratuite bewering over het disfunctioneren van [eiser] gaat het Gerecht dan ook voorbij.

4.12.

Daar komt nog bij dat de aantijgingen -opgesomd in de na de AVA verzonden brief van 7 april 2021 van de Holding aan [eiser]- veel te algemeen zijn geformuleerd en de Holding niet inzichtelijk heeft kunnen maken dat [eiser] deze verwijten kunnen worden gemaakt. Bovendien is het Gerecht van oordeel dat deze aantijgingen in de AVA hadden moeten worden besproken, zodat [eiser] zich deugdelijk tegen deze aantijgingen in de AVA had kunnen verweren. De bestuurders en leden van de RvC van de Werkmaatschappij hadden dan op grond van de aantijgingen en het verweer van [eiser] hun raadgevende stem kunnen uitbrengen. De Holding heeft kennelijk deze discussie in de AVA willen voorkomen door eerst achteraf -na de AVA- in de brief van 7 april 2021 aantijgingen aan het adres van [eiser] te formuleren.

4.13.

Het besluit (written resolution of the supervisory board of [gedaagde sub 1]) van 7 april 2021 van de RvC van de Holding laat het Gerecht verder onbesproken, omdat dit besluit voor [eiser] geen rechtsgevolgen heeft.

4.14.

Reeds op grond van het voorgaande moet er voorshands van worden uitgegaan dat de aangevallen besluiten gebrekkig zijn en dat de bodemrechter op vordering van [eiser] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid deze besluiten op grond van artikel 2:21 lid 3 onder a en b BW zal vernietigen. Daarnaast is het Gerecht voorshands van oordeel dat door de hiervoor beschreven overvaltactiek, zowel de Holding als de Werkmaatschappij jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. De Werkmaatschappij is bovendien hierdoor in de nakoming van de in de Service Agreement vastgelegde opdracht jegens [eiser] tekortgeschoten. Zijn fundamentele recht om op de voorgenomen schorsing en beëindiging te worden gehoord en om zich tegen hiertegen te verdedigen hebben zij immers geschonden.

4.15.

Een beroep op artikel 2:131 lid 6 BW is niet gedaan, zodat het Gerecht hieraan voorbij kan gaan met dien verstande dat ook dit voorschrift niet kan afdoen aan recht van bestuurders en commissarissen om hun raadgevende stem uit te brengen en evenmin aan het fundamentele recht van een bestuurder om zich te kunnen verweren tegen de voorgenomen beëindiging van zijn benoeming en opdracht.

4.16.

Ten overvloede overweegt het Gerecht nog het volgende. Het bestuur dient zijn taken zelfstandig, autonoom, te verrichten. De AVA van een rechtspersoon is zonder statutaire grondslag niet bevoegd om het bestuur specifieke instructies te geven. Deze grondslag is niet in de statuten van de Werkmaatschappij te vinden, ook niet in de bepaling van artikel 7 lid 1, tweede alinea. Daarenboven behoudt het bestuur te allen tijde zijn eigen verantwoordelijkheid en moet het zelf beoordelen of instructies in het belang van de vennootschap zijn en de hieraan verbonden onderneming en of aan instructies uitvoering moet worden gegeven. Ook de RvC dient zich te richten naar het belang van de rechtspersoon en de met deze verbonden onderneming. Het belang van de aandeelhouder is slechts een van de vele belangen die het bestuur en de RvC dienen te behartigen. Instructies van de aandeelhouder die strijdig zijn met de belangen van de vennootschap en de hiermee verbonden onderneming behoort het bestuur naast zich neer te leggen.

4.17.

Het voorgaande dient te leiden tot toewijzing van de vordering. Een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden. Niet alleen heeft de Holding hieraan geen stellingen gewijd, het Gerecht oordeelt voorshands dat [eiser] een zwaarwegend belang heeft dat de voor hem diffamerende besluiten zo spoedig mogelijk -feitelijk- worden teruggedraaid.

4.18.

De primair geformuleerde vordering zal op na te melden wijze worden toegewezen. Aan de beoordeling van de overige vorderingen komt het Gerecht dan ook niet toe. Zowel de Holding als de Werkmaatschappij zal worden bevolen om [eiser] in staat te stellen zijn taken als voorzitter van het bestuur van de Werkmaatschappij te hervatten en voort te zetten omdat (i) [eiser] bestuurder is van de Werkmaatschappij en de Werkmaatschappij aan [eiser] de werkzaamheden heeft opgedragen en (ii) het handelen van de Holding in de AVA van de Werkmaatschappij aan de Werkmaatschappij dient te worden toegerekend en [eiser] mitsdien een groot belang heeft dat ook de Holding zich onthoudt van handelingen die ertoe strekken dat [eiser]’s bestuurderschap zal worden ondermijnd. Om lichtvaardig handelen van de Holding het hoofd te kunnen bieden, dat ertoe strekt dat [eiser] alsnog onrechtmatig zal worden ‘geloosd’, acht het Gerecht noodzakelijk dat de beide bevelen zullen worden versterkt met te matigen en te maximeren dwangsommen totdat een rechter anders zal hebben beslist.

4.19.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Holding in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld die op NAf 2.500,00 worden begroot, waaronder begrepen het vastrecht en de oproepingskosten. Overigens zullen de proceskosten worden gecompenseerd omdat de Werkmaatschappij zich voor wat betreft de rechtmatigheid en geldigheid van de aangevallen besluiten heeft gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

4.20.

Het vonnis zal zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.21.

Alle overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

5.1.

schorst met onmiddellijke ingang (i) het beëindigingsbesluit van 7 april 2021 en (ii) het schorsingsbesluit van 7 april 2021 van de Werkmaatschappij5 zodanig dat deze besluiten elk rechtsgevolg ontberen6;

5.2.

beveelt (i) de Holding en (ii) de Werkmaatschappij om [eiser] met ingang van heden toe te staan zijn uit hoofde van de Service Agreement tussen hem en de Werkmaatschappij opgedragen bestuurstaken als voorzitter van het bestuur van de Werkmaatschappij te hervatten en voort te zetten7, totdat een rechter anders oordeelt, op straffe van een te verbeuren dwangsom van US $ 20.000,00, elk, voor iedere dag, een dagdeel hieronder begrepen, dat de Holding en/of de Werkmaatschappij het aan haar gegeven bevel niet naleeft tot een maximum van US $ 500.000,00, elk, welke dwangsommen alsdan twee dagen8 na de betekening van dit vonnis zullen worden verbeurd;

5.3.

veroordeelt de Holding in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] worden begroot op NAf 2.500,00 en compenseert de proceskosten voor het overige;

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 12 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

1 De noten maken een integraal onderdeel uit van het vonnis.

2 Kennis van het geldende rechtspersonenrecht ontbreekt hier: er is geen juridische gezagsverhouding tussen ([X] van) de Holding en de bestuurders van de Werkmaatschappij. De wettelijke autonomie van het bestuur van de Werkmaatschappij voorkomt een dergelijke ondergeschiktheid. Bestuur dient namelijk het vennootschappelijke belang en de door de vennootschap gedreven onderneming te behartigen en niet alleen het belang van de aandeelhouder.

3 Zo staat het er nu eenmaal.

4 Beter is om te spreken van beëindigingsbesluit: immers tussen [eiser] en de werkmaatschappij bestaat geen arbeidsovereenkomst maar een overeenkomst van opdracht (vergelijk ook artikel 2:8 lid 5 BW). Het gebruik van het woord ‘ontslagbesluit’ duidt op de opzegging van een arbeidsovereenkomst.

5 Deze besluiten die in de AVA van 7 april 2021 zijn genomen, zijn besluiten van de Werkmaatschappij. De Holding, hoewel enig aandeelhouder van de Werkmaatschappij, heeft geen beëindigingbesluit of schorsingsbesluit genomen. Deze besluiten moeten worden toegerekend aan de Werkmaatschappij. De Service Agreement geldt ook alleen tussen [eiser] en de Werkmaatschappij. Vandaar dat de Holding in dit onderdeel van het dictum onvermeld is gelaten.

6 In het petitum uitgedrukt met ‘de uitvoering’ van de besluiten.

7 In het petitum is het woord ‘blijven’ gebruikt.

8 De respijttermijn van 611a lid 4 Rv: twee dagen na betekening.