Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:49

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
SXM202100439-KG 86/2021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ICT ondernemer vordert in kort geding van het Land Sint Maarten nakoming van de aan haar gegunde ICT opdracht in verband met ‘belastingtransformatieplan’ in Sint Maarten waarmee de ministerraad heeft ingestemd. Na val kabinet wordt geen uitvoering meer aan dit plan gegeven en de ICT opdracht wordt niet nagekomen. Bevoegdheid van de civiele rechter, naleving van artikel 20 Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, bevoegdheid van de minister van Financiën en directeur van zijn kabinet om namens het Land Sint Maarten met de opdracht ICT akkoord te gaan en de belangenafweging die noopt tot afwijzing van de nakomingsvordering. Schadeplichtigheid jegens ICT ondernemer voor de gederfde winst van het Land Sint Maarten en/of minister van Financiën?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM202100439/ KG 2021/86

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

vonnis in kort geding van 7 mei 2021

1 [eiseres 1].,

gevestigd in Curaçao,

-eiseres-,

gemachtigden: mr. E.R. de Vries en mr. C.R. Rutte,

2.[eiseres 2].,
gevestigd in Sint Maarten,

-de tussenkomende partij-,

gemachtigden: mr. E.R. de Vries en mr. C.R. Rutte,

tegen

het LAND SINT MAARTEN,

zetelende in Philipsburg in Sint Maarten,

-gedaagde-,

gemachtigden: mr. C. van Hees en mr. R. Gibson jr.


Eiseres sub 1 zal hierna ook ‘Eiseres 1’ worden genoemd, de tussenkomende partij ook ‘[eiseres 2]’, en gedaagde ook ‘het Land’. Eiseres en de tussenkomende partij zullen gezamenlijk ook ‘[eiseres 2]’ (enkelvoud en vrouwelijk) worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 1 april 2021 heeft [eiseres 1] een kort geding verzoekschrift met producties ter griffie van het Gerecht ingediend. Bij brief van 23 april 2021 (ter griffie ingediend op 22 april 2021) heeft het Land een conclusie van antwoord ter griffie van het Gerecht ingediend alsmede producties. [eiseres 2] heeft tijdig haar tussenkomst in het kort geding aangekondigd. Ter zitting van 23 april 2021 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Het Land heeft geen bezwaar gemaakt tegen de tussenkomst van [eiseres 2] waarna het Gerecht de tussenkomst heeft toegestaan. Partijen zijn verschenen door middel van hun gemachtigden en de gemachtigden hebben in overeenstemming met hun aantekeningen gepleit. Deze pleitaantekeningen hebben zij met elkaar gewisseld en ook aan het Gerecht overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De belastingdienst van het Land besteedt in juni 2017 door middel van een ‘Request for Proposal’ een ‘Integrated ICT-system for the Tax Administration inclusive the related ICT Services’ aan (vergelijk productie 1 van het verzoekschrift).

2.2. [

eiseres] neemt aan deze aanbestedingsprocedure deel. Bij brief van 26 november 2018 bericht [S] als de voorzitter van de selectiecommissie van de belastingdienst van het Land het volgende aan [eiseres 1]:

‘(…)

In reference to your proposal to our terms of reference on captioned subject, submitted and elucidated in June/August 2017 we inform you as follows.

Because of hurricane Irma in September 217, a delay occurred in the procedure of the public tender for the new ICT provision for our tax administration. We regret any inconvenience caused by that delay but are happy to inform you that, just recently, we were able to complete the evaluation of the proposals we received.

We are pleased to inform you your proposal achieved the highest score. In line with the results of the evaluation we prefer to start our negotiations about the details of this assignments as soon as possible. We will be contacting you shortly in order to make the necessary arrangements.

We thank you for your interest and participation in our request for proposal.

(…)’

2.3.

In december 2018 ziet het ‘Plan van aanpak Belastingtransformatie Sint Maarten’ het licht (vergelijk productie 3 van het verzoekschrift). Achtergrond van dit plan is het vergroten van belastinginkomsten. De belastingtransformatie dient blijkens het plan te geschieden in twee ‘parallelle trajecten’: de verbetering van het fiscaal stelsel en de transformatie van de belastingdienst zelf resulterend in een ‘agile state of the art organisatie’. De geformuleerde doelstelling is om de belastinginkomsten van het Land te verhogen van 21,5% van het BBP naar 23% in 2022. Onderdeel van de transformatie is het vernieuwen van ICT-voorzieningen die ook op de BES eilanden en Curaçao worden gebruikt respectievelijk uitgevoerd. In het plan zijn 9 kritieke succes factoren geformuleerd (vergelijk 3.4 van het plan van aanpak). Over de kosten voor de ICT-modernisering is in het plan van aanpak opgemerkt dat deze op de kapitaaldienst ‘komen’ (vergelijk hoofdstuk 5 van het plan). Deze kosten worden op ongeveer NAf 15 mio begroot op een totaal van ongeveer NAf 60 mio voor de gehele belastingtransformatie (vergelijk p. 16 van het plan van aanpak). De transformatie van de belastingdienst dient -volgens het plan van aanpak- per 1 januari 2022 te zijn uitgevoerd.

2.4.

Op 19 maart 2019 heeft de toenmalige minister van Financiën van het Land, [G], het transformatieplan van de belastingdienst aan de hand van ‘Tax-Transformation Plan of action 2019 – 2022’ in de ministerraad van het Land gepresenteerd en de ministerraad voorts om goedkeuring verzocht. In de schriftelijke weergave van deze presentatie waarover alle leden van de ministerraad beschikten, is het volgende vermeld:

‘(…)

Key choices, assumptions and decisions

  1. The program starts on April 1st 2019 with the quick-win projects.

  2. The program manager is appointed as soon as possible. (…)

  3. In addition to employees of the tax authorities, third parties will be involved with the execution of the projects.

  4. With the approval of the Counsel of Ministers (COM) this plan will be presented to all the key stakeholders.

  5. With the approval of the plan of action the COM approves to execute the contract with BearingPoint.

  6. (…)’

In deze presentatie zijn de ICT-kosten op ongeveer NAf 15 mio geraamd. Over de financiering van het totale project is in de presentatie vermeld:

The programs require an investment of ANG 61 million and 15 million respectively.

These amounts have largely been included in the capital investments.

The financing of these capital investments has been discussed with the Ministry of the Interior and Kingdom Relations (BZK) within the framework of special arrangements.

BZK considers the investments in Tax Transformation and Financial Management to be so important that it will assist in financing them, subject to a positive advice from the Cft.

2.5.

Op een beslisblad van de ministerraad van 10 april 2019 is vermeld:

‘(…)

Plan van aanpak Belastingtransformatie Sint Maarten, Ministerie FIN (Documents are already in your possession (CoM190319, agenda point 7 & CoM 210319, agenda point 4)

Decision: Conform advies:

1. Wordt het Plan van Aanpak Belastingtransformatie Sint Maarten goedgekeurd;

2. Wordt de Minister van Financiën aangewezen als opdrachtgever namens de regering van Sint Maarten;

3. Wordt akkoord gegaan om de heer [L], als programma manager voor de belastingtransformatie, te benoemen;

4. Wordt akkoord gegaan met de opstart en integrale uitvoering van dit meerjarenprogramma.

Execution: Minister FIN

(…)’

2.6.

In de landsbegrotingen 2019 en 2020 is in de kosten van de belastingtransformatie, waaronder de kosten van ICT, voorzien.1

2.7.

Bij mail van 15 november 2019 bericht de legal counsel van [eiseres 2] aan [W], toenmalig directeur van het kabinet van de minister van Financiën, het volgende:

‘(…)

Hiermee zijn we, na review door de landsadvocaat van alle documenten, nu definitief tot overeenstemming gekomen over alle contractuele voorwaarden en kijken we uit naar urgente ondertekening van de overeenkomsten.

(…)’

2.8.

Bij mail van 18 november 2019 bericht [W] aan de legal counsel van [eiseres 2] als volgt:

‘(…)

Veel dank voor de finale versies van de overeenkomsten waarvan ik namens de minister en de selectiecommissie kan aangeven dat zij akkoord zijn en ondertekend kunnen worden.

(…)’

2.9.

Na de kabinetswisseling bericht de nieuw aangetreden minister van Financiën van het Land, [A], aan [eiseres 2] op 20 februari 2020 als volgt:

‘(…)

Considering that no specific permission is granted by the Council of Ministers, as well as the fact that the aforementioned unforeseen circumstances require further investigation, any decisions regarding the agreements are put on hold until further clarity is received.

(…)’

2.10.

In het advies van 20 mei 2020 van het Cft is te lezen:

‘(…)

De projecten die met deze voorfinanciering uitgevoerd worden zijn het herstructureren van de belastingdienst en het verbeteren van het financieel beheer. De ministerraad van Sint Maarten heeft in april 2019 de plannen hiervoor goedgekeurd, de uitvoering hiervan is echter nog niet opgestart. Het Cft heeft meermaals aangegeven beide plannen voor Sint Maarten van belang te achten om duurzame overheidsfinanciën te kunnen bereiken. Zo moet onder meer het herstructureren van de belastingdienst gaan leiden tot structureel hogere belastingbaten. Zeker gelet op de voortdurende situatie waarin een beroep gedaan moet worden op liquiditeitssteun acht het Cft verder uitstel, juist met het oog op duurzame overheidsfinanciën, onwenselijk.

(…)’

2.11.

Bij brief van 4 december 2020 bericht de minister van Financiën van het Land aan [eiseres 2] als volgt:

‘(…)

On September 4, 2020 a meeting was held in which [eiseres 2] gave information on the ICT Project for the Tax Administration that was initiated by the previous government. Due to the informative nature of the meeting, no commitments or reassurances were made by the current government.

(…)

Unfortunately, I have to inform you that St. Maarten is unable to resume negotiations with [eiseres 2] due to the inability to commit to any multiannual financial obligations from this initiative.

(…)’

2.12.

Bij brief van 19 februari 2021 bericht de minister van Financiën van het Land aan [eiseres 2] als volgt:

‘(…)

By means our letter of December 4, 2020, the negotiations with [eiseres 2] on the ICT project were terminated.

In your letter you note that the sole objection for ‘not concluding the agreement’ is that the financing could not be obtained. You argue that nothing stands in the way of conclusion of the agreement because - according to you – financing is now resolved. This is entirely incorrect.

Firstly, parties were not on the brink of signing the agreement. This was explained to you in great detail, for instance it was mentioned that the permission of CoM is still required if negotiations had continued. (…)

The negotiations were terminated because of unforeseen circumstances (…).

Secondly, your assumption that the financing is “resolved is incorrect and also somewhat ill-informed. Logically our draft budget 2021 has a tremendous deficit.

(…)’

2.13.

In het landspakket (COHO) Sint Maarten is te lezen:

‘(…)

C. Belastingen

De landen hebben te kampen met lage belasting compliance, uitvoeringsproblemen bij de belastingdiensten en met een ongelijke verdeling van inkomen (onvoldoende herverdeling). Voor de ontwikkeling van de landen is de realisatie van een robuust belastingstelsel noodzakelijk, met passende economische prikkels, waarin de verstorende werking van belastingen beperkt is, en dat goed uitvoerbaar is.

De hervormingen en maatregelen met betrekking tot de belastingen hebben tot doel: 1) het herinrichten van een robuust belastingstelsel met een brede grondslag, dat bijdraagt aan een eerlijke(re) verdeling van het inkomen, stimulering van de economie en uitvoerbaarheid en controleerbaarheid door de belastingdienst, 2) het realiseren van adequaat ingerichte belastingdiensten.

(…)’

3 Het geschil

3.1. [

eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het Land gebiedt om binnen 48 uren na betekening van het vonnis de ICT-overeenkomsten, conform eindversies van 15 november 2019 -voor zover nodig te ondertekenen en- na te komen, op straffe van een te verbeuren dwangsom van NAf 10.000,00 per dag dat het Land dit gebod niet naleeft.

3.2.

Aan de vordering legt [eiseres 2] ten grondslag dat partijen ICT-overeenkomsten hebben gesloten die het Land dient na te komen. Aan [eiseres 2] is blijkens de brief van [S] de aanbesteding gegund (feitenvaststelling sub 2.2.). Vervolgens heeft de ministerraad van het Land in overeenstemming met het voorschrift van artikel 20 lid 1 Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (hierna ook: “de Rijkswet”) tot de implementatie van de belastingtransformatie besloten waaronder de opdracht aan [eiseres 2]. De ministerraad was bij het nemen van het besluit tot goedkeuring volledig ingelicht over de omvang van de financiële verplichtingen die met de belastingtransformatie (waaronder de ICT-werkzaamheden) zijn gemoeid. Ook was de ministerraad ermee bekend dat de minister van Financiën namens het Land aan [eiseres 2] het ICT-werk zou opdragen. De ministerraad heeft bij besluit van 10 april 2019 de minister van Financiën immers opgedragen om de overige besluiten van 10 april 2019 namens de ministerraad uit te voeren. Over de ICT-contracten hebben partijen nadien uitgebreid onderhandeld en op 18 november 2019 heeft de directeur van het kabinet van de minister van Financiën namens de selectiecommissie en de minister van Financiën – en dus namens het Land – de eindversies van de ICT-overeenkomsten geaccordeerd. Daarmee zijn bindende afspraken tot stand gekomen die het Land dient na te komen. Nu het Land na de kabinetswisseling in november 2019 deze afspraken niet langer wenst na te leven, dient het Land bij rechterlijk gebod hiertoe te worden gedwongen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de bevoegdheid van de burgerlijke rechter

4.1. [

eiseres 2] legt aan de vordering nakoming van de met het Land gesloten ICT-overeenkomsten ten grondslag. Hiermee is de bevoegdheid van het burgerlijke rechter gegeven.2

ontvankelijkheid

4.2.

Soms3 wordt de opvatting gehuldigd dat de weigering van een bestuursorgaan van het Land om tot een privaatrechtelijke overeenkomst te besluiten of de weigering een dergelijke overeenkomst na te komen een appellabel besluit is waarover uitsluitend de Lar-rechter dient te oordelen. De Lar-rechter zou dan op grond van artikel 7 lid 2 onder f van de Lar4 (exclusief) bevoegd zijn.

4.3.

Deze zienswijze is onjuist. Niet alleen is de weigering om een privaatrechtelijke overeenkomst na te komen of te sluiten doorgaans geen beschikking in de zin van artikel 3 van de Lar5, ook kan op grond van artikel 7 van de Lar geen bevoegdheid van de Lar-rechter worden afgeleid. Uit het voorschrift van artikel 7 van de Lar dient juist te worden afgeleid dat (i) een beschikking6 ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling niet appellabel is en (ii) de enige uitzondering hierop is de weigering van een ander ambt om een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling goed te keuren. De weigering om een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten of na te komen is blijkens de aangehaalde voorschriften van de Lar niet onderworpen aan de beoordeling van de Lar-rechter.7 Alleen de burgerlijke rechter is bevoegd die zo nodig, gelijk een bestuursrechter, bij zijn beoordeling door burgers geldend te maken grondrechten8 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur9 dient te betrekken. Van enig rechtstekort voor justitiabelen als geschillen met de overheid door de burgerlijke rechter worden beoordeeld, is dan ook geen sprake.

spoedeisend belang

4.4.

Het Land betwist het spoedeisend belang van [eiseres 2] bij de gevorderde voorziening. Hiertoe stelt het Land dat [eiseres 2] anderhalf jaar heeft gewacht voordat zij de vordering tegen het Land heeft ingesteld. Van spoedeisendheid kan geen sprake zijn.

4.5.

Het Gerecht passeert dit verweer. Uit de producties 11 en 12 van [eiseres 2] leidt het Gerecht af dat [eiseres 2] er alles aan heeft gedaan om het Land te bewegen om de overeenkomsten vrijwillig na te komen, zodat het geschil niet aan de rechter hoefde te worden voorgelegd.10 Dat mag [eiseres 2] uiteraard niet worden tegengeworpen. Het geniet namelijk de voorkeur dat partijen een overeenkomst vrijwillig nakomen.

4.6.

Verder is onweersproken gelaten dat [eiseres 2] met het oog op transformatieproject aanzienlijke investeringen heeft gedaan en in dit verband ook talrijke medewerkers beschikbaar heeft moeten houden ter uitvoering van het ICT-werk van het belastingtransformatieplan. Verder neemt het Gerecht aan dat [eiseres 2] een groot belang heeft dat het project op korte termijn wordt uitgevoerd gelet op de synergievoordelen die zij dan heeft in verband met de vergelijkbare ICT-projecten die zij uitvoert in Curaçao en in Caribisch Nederland.

4.7. [

eiseres 2] zal -gelet op al het voorgaande- in de vordering kunnen worden ontvangen.

overeenstemming tussen partijen?

4.8.

Het Land betoogt dat partijen geen overeenstemming over de ICT-contracten hebben bereikt en dat het Land de onderhandelingen hierover heeft afgebroken. Ook inhoudelijk hebben partijen geen overeenstemming over de ICT-contracten bereikt.

4.9.

Het Gerecht oordeelt voorshands als volgt.

4.10.

Bij besluit van 10 april 2019 van de ministerraad is het Land akkoord gegaan met de belastingtransformatie en in verband daarmee ook met het sluiten van ICT-overeenkomsten met [eiseres 2]. De ministerraad is hiermee akkoord gegaan aan de hand van het plan van aanpak en de schriftelijke presentatie. Over deze stukken beschikte de ministerraad ten tijde van de besluitvorming. In de schriftelijke presentatie van de minister van Financiën wordt nadrukkelijk gerefereerd aan het sluiten van de overeenkomst met [eiseres 2] (vergelijk feitenvaststelling sub 2.4.). Uit de aan de ministerraad gepresenteerde stukken is voorts af te leiden welke financiële verplichtingen aan de belastingtransformatie zijn verbonden alsmede de ICT-kosten. Van belang is verder de vaststelling dat de ministerraad aan de minister van Financiën opdracht geeft om namens het Land de gehele belastingtransformatie uit te voeren waaronder het ICT-onderdeel dat aan [eiseres 2] is gegund.

4.11.

Partijen hebben nadien over de inhoud van de ICT-overeenkomsten onderhandeld waarna op 15 november 2019 vanwege [eiseres 2] aan de directeur van het kabinet van de minister van Financiën is bericht dat de definitieve versies van de ICT-overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Bij e-mail van 18 november 2019 van de directeur van het kabinet van de minister van Financiën is namens de minister van Financiën en de selectiecommissie [eiseres 2] bericht dat de eindversies akkoord zijn.

4.12.

Het verweer dat op grond van de artikel 20 van de Rijkswet de afzonderlijke ICT-overeenkomsten aan de goedkeuring van de ministerraad zijn onderworpen, passeert het Gerecht. Dat volgt namelijk niet uit dit voorschrift. Hieruit volgt niet meer dan dat de ministerraad11 dient te beslissen tot het aangaan van financiële verplichtingen namens het Land: niet dat de ministerraad ook privaatrechtelijke rechtshandelingen dient aan te gaan. De privaatrechtelijke rechtshandelingen ter uitvoering van het besluit van 10 april 2019 van de ministerraad kunnen door de minister van Financiën namens het Land worden aangegaan. Dat volgt uit het voorschrift van artikel 21 lid 4 van de Rijkswet en het besluit van 10 april 2019 van de ministerraad alsmede het voorschrift van artikel 41, en verder, van de Comptabiliteitslandsverordening.12 De omvang van de financiële verplichtingen zijn expliciet kenbaar gemaakt in de aan de ministerraad verstrekte documenten. Voorafgaande aan het goedkeurende besluit van de ministerraad op 10 april 2019 heeft de ministerraad op 20 maart 2019 zelfs nog nadere inlichtingen gevraagd, en verkregen, in het bijzonder over de financiering van dit project. Uiteindelijk is de ministerraad op 10 april 2019 akkoord met de belastingtransformatie en het ICT-werk gegaan. De ministerraad, het bestuur van het Land, heeft tot het aangaan van deze omvangrijke financiële verplichtingen beslist. Ook heeft de ministerraad de minister van Financiën belast met de uitvoering van het gehele project, waaronder de uitvoering van de opdracht aan [eiseres 2]. Uit de artikelen 20 en 21 van de Rijkswet is niet af te leiden -evenmin uit de toelichting op dit voorschrift13-, dat de ministerraad de privaatrechtelijke rechtshandeling zelf namens het Land dient aan te gaan. Dat zou ook een volstrekt onwerkbare situatie creëren zonder enig toegevoegde waarde. De ministerraad heeft zulks ondervangen door de minister van Financiën van het Land te belasten met de uitvoering van de belastingtransformatie waaronder het sluiten van de ICT-overeenkomsten. Het aan deze minister verleende mandaat en de aan hem verleende volmacht zijn naar het voorlopig oordeel van het Gerecht volledig geldig. Een en ander laat overigens onverlet dat het Land aanvullende voorwaarden kan bedingen voordat een privaatrechtelijke rechtshandeling van het Land tot stand kan komen. Daarop komt het Gerecht hierna nog terug.

4.13.

Het Land voert het verweer dat de directeur van het kabinet van de minister van Financiën geen bevoegdheid had om de ICT-contracten namens de minister van Financiën te accorderen zoals hij dat bij e-mail van 18 november 2019 heeft gedaan. Het Gerecht oordeelt voorshands dat de minister van Financiën zijn directeur heeft belast met de taak en de verantwoordelijkheid voor het voeren van onderhandelingen met [eiseres 2] en de totstandkoming van de ICT-overeenkomsten. Zulks blijkt ook uit de e-mailwisseling tussen het ministerie van Financiën en [eiseres 2] die partijen in het geding hebben gebracht. Telkenmale wordt deze ambtelijke functionaris door partijen over de stand van zaken ingelicht. Aangenomen moet dan ook worden dat deze ambtelijke functionaris bevoegd was om namens de minister van Financiën te handelen. Als deze functionaris dan vervolgens na uitvoerige onderhandelingen [eiseres 2] namens de minister van Financiën en de selectiecommissie bericht dat de eindversies van de ICT-overeenkomsten akkoord zijn, wordt het Land hierdoor rechtstreeks gebonden, althans mag [eiseres 2] op grond van artikel 3:61 lid 2 BW14 redelijkerwijs aannemen dat deze functionaris bevoegd was om het Land aan de ICT-overeenkomsten te binden.15 Ook het verweer dat partijen inhoudelijk nog niet tot overeenstemming waren gekomen, passeert het Gerecht derhalve.

4.14.

Het Land suggereert nog dat de minister van Financiën en/of de directeur van het kabinet zich op 18 november 2019 aan “afscheidsbeleid” schuldig hebben gemaakt. De honorering van dit verweer zal tot nietigheid van de ICT-overeenkomsten leiden, een en ander op grond van artikel 3:40 BW16. Het Gerecht passeert ook dit verweer. Deze stelling miskent namelijk dat het aangaan van het meerjarencontract met [eiseres 2] reeds op 10 april 2019 door de ministerraad was geaccordeerd. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat de volledige ministerraad een voordeel aan [eiseres 2] heeft willen toespelen. Verder duurt het dan nog 6 maanden voordat het kabinet valt en plaats moet maken voor andere ministers. Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht is hier eerder sprake van “welkomstbeleid”: het nieuwe kabinet, of de nieuwe minister, weigert eerder tot stand gekomen beleid uit te voeren en namens het Land aangegane verplichtingen na te komen.17 De vraag of dit onrechtmatig is18, zal het Gerecht in dit geding niet hoeven te beantwoorden omdat een hiertoe strekkende vordering niet tegen het Land is ingesteld. [eiseres 2] heeft in dit geding nagelaten een voorschot op de in een bodemprocedure vast te stellen schadevergoeding te vorderen.

4.15.

Het Land voert het verweer dat het vereiste landsbesluit niet voorhanden is zodat de toestemming van de ministerraad om de ICT-contracten aan te gaan gebrekkig is. Het Gerecht passeert ook dit verweer. De ministerraad is in de Rijkswet aangewezen als het bestuur van het Land dat beslist over het aangaan van financiële verplichtingen namens het Land. Het ambt van de Gouverneur staat hier buiten19 en draagt blijkens de artikelen 1 en 20 van de Rijkswet hiervoor geen verantwoordelijkheid: alleen de ministerraad dus. De stelling dat de praktijk in Sint Maarten anders is, behoeft geen behandeling.

4.16.

Het Land beroept zich op de bepaling ‘Any awarding of the assignment is made by signing an agreement between the Client and the contractor’ uit het ‘Request for Proposal’. Nu geen getekende ICT-overeenkomsten voorhanden zijn, is het Land niet gehouden tot nakoming. Eerst na ondertekening van de opdracht, de ICT-overeenkomsten, is de opdracht aan [eiseres 2] verstrekt. [eiseres 2] stelt echter dat een beroep op deze bepaling strijdig is met de bepaling van artikel 6:23 lid 1 BW.

4.17.

Niet is aangevoerd dat het ondertekeningsvoorbehoud na de besluitvorming op 10 april 2019 haar werking heeft verloren, zodat het Gerecht van de gelding van dit ondertekeningsvoorbehoud uitgaat. Uit HR 26 september 2003, NJ 2004/460 (Regiopolitie/Hovax) zou kunnen worden afgeleid dat hoewel de ICT-overeenkomsten niet zijn ondertekend het Land desondanks aan de ICT-overeenkomsten is gebonden. Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht is dat niet het geval omdat (i) in het aangehaalde arrest het voorbehoud van ondertekening niet was bedongen en blijkens het ‘Request for Proposal’ dit voorbehoud wel is gemaakt en (ii) het beroep op de bepaling van artikel 6:23 BW niet opgaat. Immers, het voorbehoud dat de opdracht door de ‘Client’, (de belastingdienst van) het Land, moet zijn ondertekend, kan niet als een voorwaarde in de zin van artikel 6:21 BW worden beschouwd. Eerst na ondertekening van de ICT-overeenkomsten door de minister van Financiën kan definitieve binding van het Land aan de ICT-overeenkomsten worden aangenomen. Eerst na ondertekening van de ICT-overeenkomsten kan [eiseres 2] dus van het Land nakoming vorderen. Ondertekening door de minister van Financiën is echter na de kabinetswisseling in november 2019 uitgebleven. Op deze grond kan de vordering tot nakoming dan ook niet worden toegewezen. Het gevorderde gebod tot ondertekening zal het Gerecht op grond van het onderstaande afwijzen.

belangenafweging

4.18.

Ook een belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van de vordering.

4.19.

Hiertoe dient het volgende. Na de kabinetswisseling is geen uitvoering gegeven aan de belastingtransformatie, aldus het Land. [eiseres 2] bestrijdt deze stelling niet. Of het gebrek aan middelen hieraan ten grondslag ligt -omdat de Staat der Nederlanden zich niet voor een Sint Maartense obligatielening heeft ingeschreven- is onwaarschijnlijk. Zou de nieuwe ministerraad zich inzetten om voor de uitvoering van dit project middelen aan te trekken, is het Gerecht voorshands van oordeel dat het Land deze middelen voor dit doel zal weten te vergaren. Het Gerecht wijst onder andere op de vaststellingen van sub 2.10. en 2.13. van dit vonnis. Als vaststaand feit neemt het Gerecht aan dat na de kabinetswisseling niets aan de belastingtransformatie is gedaan en dat het huidige kabinet de belastingtransformatie niet opportuun acht. De aan [eiseres 2] te verstrekken opdracht is slechts een onderdeel van de geplande belastingtransformatie. Als een van de kritieke succesfactoren20 is vermeld in het plan van aanpak dat de transformatie een geheel is van samenhangende onderdelen (management, processen, organisatie, ICT, nieuw gebouw en belastinghervorming). Het plan van aanpak vervolgt met de opmerking “Alle onderdelen moeten gezamenlijk en in hun totaliteit worden uitgevoerd. Een gedeeltelijke uitvoering door een te kleine investering en inzet leidt tot een mislukte poging tot transformatie.” Uitgaande van de juistheid van deze opmerking -die niet is weersproken- en de vaststelling dat de geplande belastingtransformatie na de kabinetswisseling geheel is komen stil te liggen, zal een veroordeling tot nakoming van de ICT-overeenkomsten tot helemaal niets kunnen leiden. Dat is niet in het belang van partijen -ook niet in het belang van [eiseres 2] - en evenmin in het algemeen belang. Het Gerecht zal het gevorderde gebod (ook) op deze grond achterwege laten. De omstandigheden dat [eiseres 2] talrijke investeringen heeft gedaan en voor het project personeel beschikbaar heeft gehouden, wegen hier niet tegenop temeer niet omdat [eiseres 2] het Land in een bodemzaak voor de voldoening van schadevergoeding zou kunnen aanspreken.

4.20.

Het Gerecht is op grond van het voorgaande voorshands niet van oordeel dat het Land jegens [eiseres 2] geen verplichtingen is aangegaan. Het Gerecht is voorshands van oordeel dat [eiseres 2] echter aangewezen zal zijn op een vordering tot schadevergoeding voor de door haar geleden en nog te lijden schade. Dat het Land voor deze abrupt afgebroken onderhandelingen met succes voor de gederfde winst uit de ICT-opdracht aansprakelijk kan worden gehouden, lijkt immers niet onwaarschijnlijk. Nu in dit geding een voorschot op de te begroten schade niet is gevorderd, kan het Gerecht deze kwestie verder onbesproken laten.

4.21.

Alle overige stellingen van partijen kunnen onbesproken blijven.

4.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres 2] in de proceskosten worden veroordeeld die worden begroot op NAf 1.500,00 aan salaris voor de gemachtigde van het Land.

4.23.

Het vonnis zal voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst af de vordering;

5.2.

veroordeelt [eiseres 2] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten van het Land die worden begroot op NAf 1.500,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 7 mei 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

1 Opname in de begroting betekent overigens niet meer dan dat de minister is gemachtigd om de uitgave te doen, niet dat hij daartoe is verplicht. De gemachtigde van [eiseres 2] leek tijdens zijn repliek anders te betogen.

2 Objectum litis leer: HR 31 december 1915, NJ 1916, p.407.

3 Vergelijk vonnis van GHvJ van 30 oktober 2020 en Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 13 maart 2020/ LAR00087/2019, en 19 april 2021/ LAR00082/2020/ SXM202001101.

4 Landsverordening administratieve rechtspraak.

5 Dat is namelijk -bij gebrek aan een civiele fictiebepaling zoals wel in artikel 3 lid 2 van de Lar is opgenomen- niet meer dan een privaatrechtelijk feitelijke handeling die alleen de burgerlijke rechter op rechtmatigheid kan toetsen.

6 Een positieve dan wel negatieve: zie artikel 3 lid 2 van de Lar.

7 Zie ook alle uitspraken van het GHvJ en de Hoge Raad vermeld in: Caribisch vermogensrecht geannoteerd, red. M.V.R. Snel, P.S. Bakker, M.A. Loth, Boom Juridisch, 2020, p. 27, en verder, en p. 41, en verder, waar deze civiele rechters zich terecht niet hebben bekommerd om hun ambtshalve vast te stellen bevoegdheid. In al deze kwesties ging het over de weigering van overheidslichamen grond te leveren of grond in erfpacht uit te geven. Niet verrassend want vaste AROB-jurisprudentie: zie p. 56, en verder, van de pre-adviezen van J.A. Borman en B.C. Punt, Nederlandse Juristen-Vereniging, ‘Administratieve rechter en rechtshandelingen naar burgerlijk recht’, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1981.

8 HR 26 april 1996, AB 1996/371 (Rasti Rostelli).

9 HR 27 maart 1987, AB 1987/273 (Amsterdam/Ikon).

10 [eiseres 2] heeft 10 uitgebreide brieven over de kwestie aan het Land verzonden.

11 Vergelijk artikel 1 van de Rijkswet: het bestuur van het Land is de ministerraad.

12 Het Land (door middel van zijn ministerraad) verleent dan een volmacht aan minister van Financiën om de rechtshandelingen namens het Land aan te gaan. De ministerraad heeft bij beluit van 10 april 2019 de minister van Financiën hiertoe gemandateerd.

13 Uit de toelichting op de artikel 21 van de Rijkswet volgt juist dat het bestuur slechts beslist tot het aangaan van financiële verplichtingen maar niet dat het bestuur van het Land de rechtshandeling zelf dient aan te gaan.

14 Zo nodig in verbinding met de bepalingen van de artikelen 3:64 BW en artikel 3:79 BW.

15 De directeur mag onder de gegeven omstandigheden op grond van mandaat van de minister bevoegd worden geacht namens de minister te handelen. Alsdan is dus geen sprake van onbevoegdheid en is het Land gebonden aan het handelen, het akkoord, van deze functionaris. En anders dient diens eventuele onbevoegdheid op grond van het risicobeginsel aan het Land te worden toegerekend. Zo bezien kan het Land in elk geval niet met succes op de onbevoegdheid van deze functionaris beroep doen.

16 De rechtshandeling zou dan strijdig zijn met de goede zeden en/of openbare orde.

17 De nieuw aangetreden minister van Financiën lijkt in zijn brieven aan [eiseres 2] er ten onrechte van uit te gaan dat bestaande verplichtingen van het Land na de kabinetswisseling niet meer hoeven te worden nageleefd omdat het nieuwe kabinet met de belastingtransformatie geen bemoeienis heeft gehad.

18 Of wanprestatie ingeval een overeenkomst tot stand is gekomen. Onrechtmatige daad van het Land en/of de minister(s) zelf. Onrechtmatige daad van ministers ingeval hen, persoonlijk, een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de niet-nakoming van een verplichting door het Land. In dit geval: waarom zouden de belastingbetalers van het Land de eventuele schadeclaim van [eiseres 2] moeten betalen indien minister(s) zo’n ernstig verwijt zou kunnen worden gemaakt? Ook minister moeten civielrechtelijk ‘accountable’ kunnen worden gehouden jegens het Land en/of derden.

19 Vergelijk hiervoor artikel 39 van de Staatsregeling van Sint Maarten: ‘De ministers vormen tezamen de ministerraad.’ In artikel 20 van de Rijkswet staat niet: ‘de regering’.

20 Vergelijk sub 2.3. van de feitenvaststelling.