Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2021:21

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
12-02-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
SXM202100019-KG 3/2021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van executoriaal beslag. Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht is er geen sprake van een kennelijk juridische of feitelijke misslag. Van een noodtoestand als gevolg van na het vonnis van 15 oktober 2019 aan het licht gekomen of voorgevallen feiten en omstandigheden is het Gerecht evenmin gebleken. Dat executie van dit vonnis negatieve gevolgen heeft op netto besteedbaar inkomen van eiseres is juist maar deze stelling is altijd juist bij een beslag op loon en dus geen bijzonderheid die tot opheffing zou kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202100019- KG 3/2021

Vonnis in kart geding van 12 februari 2021

inzake

[eiseres],

wonende in Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigden: mr. N.R. Joubert en mr. J.J. Rogers,

tegen

[gedaagde],

wonende in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon.

Partijen zullen hierna ook "[eiseres]" en "[gedaagde]" worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij een op 7 januari 2021 ter griffie van dit Gerecht ingediend kortgedingverzoekschrift heeft [eiseres] een vordering ingesteld tegen [gedaagde]. Bij brief van 4 februari 2021 heeft [gedaagde] producties in het geding gebracht. Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 februari 2021 doen bepleiten. Zij hebben pleitaantekeningen overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 15 oktober 2019 zijn [Q] en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld

om het bedrag van US $ 46.500,00 aan [gedaagde] te betalen.

2.2.

Op 3 december 2019 is dit vonnis aan [eiseres] en [Q] betekend en aan hen bevel gedaan om binnen 2 dagen het vonnis na te komen.

2.3.

Op 9 september 2020 heeft [gedaagde] ten laste van [eiseres] executoriaal beslag

doen leggen onder het Land Sint Maarten. Dit beslag heeft doel getroffen blijkens een op 16 september 2020 door de namens het Land Sint Maarten ondertekende verklaring derdenbeslag.

2.4. [

eiseres] heeft tegen het vonnis van 15 oktober 2019 van het Gerecht geen verzet

gedaan.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij

voorraad te verklaren vonnis (i) [gedaagde] beveelt om het executoriaal beslag op haar

salaris op te heffen [gedaagde] veroordeelt om het bedrag van NAf 9.521,70 aan
[eiseres] te betalen te vermeerderen met rente en (iii) [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt.

3.2.

Aan de vordering legt [eiseres] de stelling ten grondslag dat zij niet door [Q]

is vertegenwoordigd bij de koopovereenkomsten met [gedaagde]. Zij kan dan ook niet gelden als verkoper van drie auto's, merk Hyundai type i10. [Q] is hierbij partij als verkoper en hij heeft [eiseres] bij deze koopovereenkomsten uit 2015 en 2016 niet vertegenwoordigd. [eiseres] is dan ook niet gebonden aan deze overeenkomsten (vergelijk de 'bill of sale' van productie 2 van het inleidend verzoekschrift). Verder meent [eiseres] dat de maandelijkse aanspraak op US $ 1.500,00 van [gedaagde] uit de lucht is gegrepen en overigens ook zonder onderbouwing is gelaten. Door het verstekvonnis van 15 oktober 2019 te executeren maakt [gedaagde] misbruik van procesrecht aangezien hij weet of had moeten weten dat [eiseres] zelf noch [bedrijf] partij waren bij de overeenkomsten.' Het uit hoofde van de executie geinde bedrag van NAf 9.521,70 dient [gedaagde] aan [eiseres] terug te betalen.

3.3. [

gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal het Gerecht hierna

nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het Gerecht is bevoegd om in kort geding te oordelen over de vordering tot

opheffing van het executoriale beslag (vergelijk artikel 438 Rv).

4.2.

In overeenstemming met HR 15 december 2019/ ECLI:NL:HR:2019:2026 zal het Gerecht de maatstaf van HR 22 april 1983/ ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra) toepassen. Met de opheffing van het beslag beoogt [eiseres] immers de executie van het vonnis van 15 oktober 2019 te schorsen en voorts dient het Gerecht er voorshands vanuit te gaan dat tegen het ten uitvoer gelegde vonnis, en dit verder ten uitvoer te leggen vonnis, geen rechtsmiddel meer openstaat.

4.3.

In zo'n geval is schorsing slechts mogelijk als executant misbruik van bevoegdheid maakt. Het is aan degene die schorsing vordert feiten en omstandigheden aan te voeren waarop dit misbruik dan kan worden gegrond. Het Gerecht stelt voorshands vast dat [eiseres] niet heeft aangevoerd dat [gedaagde] misbruik van bevoegdheid maakt. Zij voert alleen aan dat [gedaagde] misbruik van procesrecht

maakt door het vonnis ten uitvoer te leggen. Het Gerecht ziet dit misbruik van procesrecht niet maar ook de hieraan ten grondslag liggende stellingen hebben hierop geen betrekking. Reeds op deze grond dient te vordering te worden afgewezen.

4.4.

Los hiervan kan ook van misbruik van bevoegdheid -de juiste maatstaf- naar het oordeel van het Gerecht geen sprake zijn. Hiertoe mag het volgende dienen.

4.5.

Misbruik van bevoegdheid kan worden aangenomen als de ten uitvoer te leggen uitspraak klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, respectievelijk in het geval de tenuitvoerlegging van het vonnis voor de geëxecuteerde klaarblijkelijk een noodtoestand zal ontstaan door na deze uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (mede) in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, de executant naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en haar bevoegdheid hierdoor misbruikt. Er bestaat overigens geen aanleiding de bedoelde schorsingsgrond tot deze gevallen te beperken. Er kunnen zich immers ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf.

4.6.

Het Gerecht veronderstelt dat [eiseres] meent dat het vonnis van 15 oktober 2019 berust op een juridische en/ of feitelijke misslag. Immers, [eiseres] meent dat het Gerecht niet had mogen aannemen dat [eiseres] aan de drie verkooptransacties met [gedaagde] was gebonden: [Q] was namelijk niet bevoegd om [eiseres] bij deze verkopen te vertegenwoordigen en hij kon [eiseres] hierbij dan ook niet binden (vergelijk sub 15 van de pleitaantekeningen van [eiseres]).

4.7.

Nu het vonnis hieraan geen enkele expliciete overweging wijdt -het betreft namelijk een summier verstekvonnis- zal het Gerecht een voorlopig oordeel over deze stelling vellen.

4.8.

De vordering van [gedaagde] is gegrond op de stelling dat [gedaagde] ingevolge de ter beschikkingstelling van zijn drie voertuigen aan het wagenpark van [eiseres] h.o.d.n. [naam bedrijf] (huur-)inkomsten zou genieten. Immers, [eiseres] zou deze voertuigen van [gedaagde] exploiteren (lees: verhuren) waarvan ook [gedaagde] zou profiteren. [gedaagde] is uitgegaan van een inlichting van [Q] - een werknemer van [eiseres] die zich in de onderneming van [eiseres] bezighoudt met de verhuur van voertuigen namens [eiseres] - dat [gedaagde] na 10 maanden zijn investering van US $ 17.500,00 zou hebben terugverdiend. Ter zitting is verder gebleken dat werknemer [Q]' zich in de onderneming van [eiseres] bezighield met de verhuur

1 Met wie [eiseres] voorts een liefdesrelatie onderhoudt dan wel heeft onderhouden. [eiseres] en [Q] leven voorts beiden op het adres, [woonadres], alwaar ook het kantooradres van [eiseres] was gevestigd. Dat [eiseres] van niets zou hebben geweten zoals wordt beweerd is naar de voorlopige opvatting van het Gerecht (buitengewoon)

van auto's uit het wagenpark van [eiseres], zodat hij ook uit hoofde van zijn functie bevoegd mag worden verondersteld om deze voertuigen van [gedaagde] aan derden namens [eiseres] te verhuren en om afspraken over de exploitatie namens [eiseres] met [gedaagde] te maken. De transacties - koopovereenkomsten - met [gedaagde] zijn overigens vastgelegd in 'bills of sale'2 van 25 maart 2015, 27 juni 2016 en 27 juni 2016.' Wie deze voertuigen nu heeft verkocht –[eiseres] of [Q]- is voor de vordering niet van belang nu vaststaat dat de drie aan [gedaagde] toebehorende voertuigen daadwerkelijk in het wagenpark van de onderneming van [eiseres] h.o.d.n. [naam bedrijf] zijn beland (ii) [eiseres] de voertuigen vervolgens in haar onderneming heeft geëxploiteerd (vergelijk ook sub 6 van het verzoekschrift) en (iii) [eiseres] uit dien hoofde huurinkomsten heeft genoten maar niet aan [gedaagde] heeft afgedragen.

4.9.

In verband hiermee is nog opmerkelijk dat [eiseres] deze aan [gedaagde] toebehorende voertuigen aan derden heeft verkocht, althans dat [Q] zulks namens [eiseres] heeft gedaan.4 Hiermee is naar het oordeel van het Gerecht niet alleen voldoende komen vast te staan dat [eiseres] h.o.d.n. [naam bedrijf] deze voertuigen van [gedaagde] door middel van verhuur heeft geëxploiteerd en dat zij uit hoofde van deze huurinkomsten inkomsten heeft genoten waarop [gedaagde] geheel of ten dele conform afspraak (ook) recht had, maar ook dat [Q] bij de onder sub 4.8. omschreven transacties [eiseres] bevoegdelijk heeft vertegenwoordigd. Na verkoop aan. [gedaagde] zijn deze voertuigen in het wagenpark van [eiseres] terecht gekomen en heeft [eiseres] deze auto's zijn geëxploiteerd door ze te verhuren aan derden. De vordering van [gedaagde] is alleen op deze exploitatie gebaseerd.

4.10.

Zou moeten worden aangenomen dat de afspraak slechts gelding heeft tussen [Q] en [gedaagde] staat desondanks vast dat [eiseres] door de uitvoering van deze afspraak heeft geprofiteerd en hierdoor zonder enige rechtvaardiging ten koste van [gedaagde] is verrijkt. Immers, zij heeft zijn auto's 'uitgepond' en de van derden geinde huuropbrengsten vervolgens behouden. Ook uit dien hoofde maakt [gedaagde] terecht aanspraak op afdracht van het geleden en/ of (een) (schade-)vergoeding voor het door hem aan [eiseres] afgestane gebruik van zijn auto's.

4.11.

Daar komt nog bij dat niet gesteld of gebleken is dat [Q] voor eigen rekening de auto's van [gedaagde] heeft geëxploiteerd. Evenmin is gesteld dat [Q] een eigen verhuurbedrijf heeft of heeft gehad. Dat zijn activiteiten slechts voor risico en rekening van [eiseres] zijn gekomen is dan ook op grond hiervan meer dan waarschijnlijk. Waar [eiseres] zich beklaagt over de omvang van de vordering stelt het

onaannemelijk.

Een transactie is ook op briefpapier van [naam bedrijf] en namens [naam bedrijf] gedocumenteerd.

Eenmaal is deze transactie door [Q] aangegaan namens [naam bedrijf] - de

handelsnaam van de eenmanszaak van [eiseres] - en tweemaal door hemzelf.

Aan [eiseres], [N] (op briefpapier van [naam bedrijf]) en [F]

(ook op briefpapier van [naam bedrijf] en namens [naam bedrijf].

Gerecht vast dat [eiseres] hiertegenover geen berekening zet die aannemelijker of betrouwbaarder is dan hetgeen [gedaagde] over de omvang van zijn vordering heeft aangevoerd. De stelling passeert het Gerecht dan ook.

4.12.

Op grond van het voorgaande is naar het voorlopige oordeel van het Gerecht geen sprake van een kennelijk juridische of feitelijke misslag. Van een noodtoestand als gevolg van na het vonnis van 15 oktober 2019 aan het licht gekomen of voorgevallen feiten en omstandigheden is het Gerecht evenmin gebleken. Dat executie van dit vonnis negatieve gevolgen heeft op [eiseres] netto besteedbaar inkomen is juist maar deze stelling is altijd juist bij een beslag op loon en dus geen bijzonderheid die tot opheffing zou kunnen leiden temeer niet nu aan [eiseres] meer dart voldoende inkomen is gelaten om de eerste levensbehoeften aan te schaffen.

4.13.

Op grond van het voorgaande zal het Gerecht niet tot opheffing van het beslag overgaan en [gedaagde] evenmin veroordelen om het reeds geinde aan [eiseres] te restitueren. Een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden ook omdat [eiseres] in het geheel geen redengevende verklaring heeft gegeven waarom (i) zij verstek heeft laten gaan en (ii) zij geen rechtsmiddel tegen het verstekvonnis heeft aangewend.5

4.14. [

eiseres] stelt nog dat zij uit de verhuur van een Mazda aan [gedaagde] nog een geldvordering van US $ 16.622,30 op [gedaagde] heeft. Het Gerecht kan dat niet uitsluiten maar (i) [gedaagde] bestrijdt de juistheid van deze factuur (ii) het bedrag van de factuur is niet gevorderd en (iii) [eiseres] heeft geen verrekeningsverklaring uitgebracht, zodat deze factuur en de gestelde geldvordering geen verdere bespreking behoeven en voor de beoordeling van geen belang zijn.

4.15.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiseres] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld die tot op heden kunnen worden begroot op NAf 1.500,00 aan gemachtigdensalaris.

5. De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst of de vordering;

5.2.

veroordeelt [eiseres] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [gedaagde] kunnen worden begroot op NAf 1.500,00.

5 Weliswaar een zogenoemde `incommensurabiliteit' maar daarom nog niet onjuist.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 12 februari 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.