Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:71

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
Lar 24/2020, SXM202000367
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzende beschikking inhoudende afwijzing aanvraag vttv met als doel gezinsvorming verblijf bij vader.

De door eiser overgelegde notariële akte inhoudende een verklaring zijdens moeder is onvoldoende om aan te tonen dat eiser eenhoofdig gezag of de voogdij over de minderjarige heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 28 september 2020

Zaaknummer: SXM202000367-LAR00024/2020

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN UITSPRAAK

In het geding van:

(eiser), als wettelijk vertegenwoordiger voor: (minderjarige),

eiser,

gemachtigde: mr. C.H.J. MERX,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN ST. MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.O. MULLER,

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van 13 februari 2020 waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser, gericht tegen verweerder beschikking van 17 mei 2019 inhoudende afwijzing aanvraag vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) met als doel ‘gezinsvorming, verblijf bij vader’, ongegrond heeft verklaard.

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Met een op 26 maart 2020 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

2.2.

Op 15 juni 2020 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.

2.4.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 augustus 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

1

2.5.

Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3 Feiten

3.1.

Eiser heeft op 4 januari 2019 een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf van zijn minderjarige kind (minderjarige).

3.2.

Bij beschikking van 17 mei 2019 heeft verweerder afwijzend op het verzoek beslist. Eiser heeft hiertegen bezwaar aangetekend en op 5 september 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Verweerder heeft bij bestreden beschikking van 13 februari 2020 het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

4 Het geschil

4.1.

Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door toekenning een vergunning tot tijdelijk verblijf met de voorwaarde gezinshereniging.

4.2.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna zo nodig nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Eiser stelt dat de beschikking op bezwaar meerdere afwijzingsgronden bevat die pas na de hoorzitting naar voren zijn gekomen en dat aldus eiser zich hiertegen niet heeft kunnen verweren. Het Gerecht stelt echter vast dat blijkens het verslag van de hoorzitting de verschillende onderwerpen aan bod zijn gekomen, zoals uitlandigheid, het feit dat het minderjarig kind niet staande huwelijk is geboren en de verklaring van een notaris betreffende het ouderlijk gezag/voogdij. Voorts is de inkomenssituatie van eiser besproken en is eiser in de gelegenheid gesteld aanvullende documenten te overleggen. Voor zover eiser zou willen betogen dat verweerder in de bezwaarfase gehouden is aan de afwijzingsgrond van de beschikking in primo, kan hij niet worden gevolgd. Ingevolge vaste jurisprudentie kan verweerder in kader van de volledige heroverweging een andere afwijzingsgrond gebruiken in de beslissing op bezwaar (zie onder ander ABRvS 3 mei 2001, AB2001, 198). Nu niet gezegd kan worden, gelet op het verslag van de hoorzitting, dat eiser onvoldoende in gelegenheid is gesteld om een en ander naar voren te brengen, faalt de beroepsgrond.

5.2.

In de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU), het Toelatingsbesluit en de Richtlijnen van verweerder met betrekking tot de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de Richtlijnen) staan voorwaarden voor toelating tot Sint Maarten op grond van een vttv. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de LTU kan de vttv worden

2

geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen.

In de Richtlijnen is een restrictief toelatingsbeleid neergelegd, gericht op beteugeling van de instroom van vreemdelingen in het licht van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Voorts moeten vreemdelingen hun aanvraag voor eerste toelatingen tot Sint Maarten in principe in het buitenland afwachten. Dit is het zogenoemde uitlandigheidsvereiste.

5.3.

Niet in geschil is dat sprake is van een eerste aanvraag en dat de minderjarige niet heeft voldaan aan het uitlandigheidsvereiste. Ter zitting is bevestigd dat de minderjarige op 18 juli 2018 Sint Maarten is ingereisd en op 5 september 2018 Sint Maarten weer is uitgereisd. Het is niet duidelijk geworden wanneer de minderjarige Sint Maarten wederom is ingereisd. Eiser heeft hiertoe geen gegevens overgelegd.

5.4.

Eiser heeft gesteld dat de minderjarige op een toeristenvisum is ingereisd en ten tijde van

de aanvraag nog in de zogenaamde vrije termijn van drie maanden rechtmatig verblijf had.

Het Gerecht stelt vast dat de aanvraag voor de minderjarige op 4 januari 2019 is ingediend. Het Gerecht is van oordeel dat, nu er geen inreisdatum van de minderjarige bekend is, niet vastgesteld kan worden dat de minderjarige rechtmatig verblijf had ingevolge haar toeristenvisum. Zelfs indien een vrije termijn van drie maanden zou gelden, bestaat immers de mogelijkheid dat de minderjarige tussen 5 september 2018 en 4 oktober 2018 weer is ingereisd. Dat eiser niet gehouden zou zijn stelling te onderbouwen kan niet worden gevolgd. Eiser dient bij aanvraag immers alle relevante gegevens te overleggen. Bij gebrek aan informatie over de inreisdatum is het niet mogelijk voor verweerder om een beoordeling te maken. Dit kan eiser worden tegengeworpen.

5.5.

Het Gerecht benadrukt dat de genoemde Richtlijnen het beleid vormen van verweerder. De toetsing of verweerder al dan niet op dat beleid een uitzondering had moeten maken, is een terughoudende, waarmee de vraag is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten in het geval van eiser geen uitzondering te maken op het uitlandigheidsvereiste. Eiser heeft als bijzondere omstandigheid naar voren gebracht dat inschrijving op een school de aanwezigheid van de minderjarige zou vereisen. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft aangegeven dat inschrijving op school geen reden vormt om een uitzondering te maken op het uitlandigheidsvereiste. Hierbij acht het Gerecht van belang dat niet valt in te zien waarom voor de minderjarige niet op een latere datum de inschrijving kan worden geregeld.

5.6.

Voor zover eiser betoogt dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij eenhoofdig gezag of de voogdij over de minderjarige heeft, kan hij niet worden gevolgd. Met verweerder is het Gerecht van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde documenten dit onvoldoende heeft aangetoond. Een notariële akte waarin de moeder ten overstaande van een notaris een verklaring aflegt acht het Gerecht onvoldoende. Eiser heeft gesteld dat een rechterlijke beslissing in het land van herkomst niet mogelijk is omdat de minderjarige op Sint Maarten verblijft. Het Gerecht is van oordeel dat dit niet tot een ander oordeel kan leiden omdat de minderjarige ten tijde van het opstellen van de akte geen rechtmatig verblijf op Sint Maarten toekwam.

3

5.7.

Gezien het voorgaande behoeft de afwijzingsgrond met betrekking tot het beschikken over voldoende middelen van bestaan geen verdere geen bespreking.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6.De beslissing

Het Gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 28 september 2020.

4

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze
uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.