Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:69

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
SXM201801407 en SXM201900049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Onderzoek op huisartsenniveau gelast wegens klachten n.a.v. achterop aanrijding van 2 auto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201801407 en SXM201900049

Vonnissen d.d. 15 september 2020

inzake

[eiseres],

wonende in Sint Maarten,

eiseres,

hierna: [eiseres],

gemachtigde: eerst in persoon, toen vertegenwoordigd door mr. Brooks die is gedesisteerd en thans weer in persoon,

tegen

de naamloze vennootschap [de verzekeraar],

gevestigd in Sint Maarten,

gedaagde,

hierna: [de verzekeraar],

gemachtigde: mr. A.A. KRAAIJEVELD,

1 Het procesverloop in beide procedures

1.1.

In de procedure SXM201801407 heeft het Gerecht kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. het verzoekschrift om een rechterlijk bevel tot betaling te verkrijgen met producties, ontvangen op 7 november 2018,

  2. conclusie van antwoord met producties.

1.2.

In de procedure SXM201900049 heeft het Gerecht kennisgenomen van de volgende processtukken:

het verzoekschrift om een rechterlijk bevel tot betaling te verkrijgen met producties, ontvangen op 22 januari 2019,

conclusie van antwoord met producties.

1.3.

Daarna hebben partijen processtukken die op beide procedures zien ingediend:

conclusie van repliek tevens eisvermeerdering met producties,

conclusie van dupliek.

1.4.

Op 9 mei 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. [eiseres] is toen verschenen. De gemachtigde en de claimmanager van [de verzekeraar] zijn ook verschenen. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd. Daarna is er gerepliceerd en gedupliceerd.

1.5.

Op verzoek van [eiseres] is pleidooi bepaald. Toen is [de verzekeraar] verschenen maar [eiseres] niet.

1.6.

De uitspraak in beide zaken is nader vastgesteld op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op 2 april 2017 is [eiseres] betrokken geweest bij een aanrijding tussen twee auto’s. Zij werd achterop gereden door een bij assuradeur [de verzekeraar] tegen de wettelijke aansprakelijkheid verzekerde auto. [de verzekeraar] heeft aansprakelijkheid erkend.

2.2.

Uit de ongevalsrapportage van C.A.R.S. van 2 april 2017:

“For reasons unknown to C.A.R.S. the driver of vehicle P-2… was either not paying attention or did not see the flow of traffic or did not regulate his distance and speed between both vehicles to bring his vehicle to a safe stop, collided in the rear end of vehicle M.1.. causing damages.

The driver of vehicle M-1.. was examined and treated by personnel of the ambulance and was later transported by own means to the SMMC for further treatment.”

2.3.

Op de foto’s is een deuk in de achterbumper van de auto van [eiseres] zichtbaar. Het schadeherstel is begroot op USD 275,00.

2.4.

Na de aanrijding heeft [eiseres] gezegd klachten te hebben die neerkomen op chronische hoofdpijn. Na een CT-scan en X-ray van haar hoofd op 4 april 2017 zijn er geen bijzonderheden geconstateerd. Door de neuroloog is op 30 november 2017 het volgende gerapporteerd (vertaald uit het Frans): “Conclusion: Symptoms show a post trauma subjective syndrome, linked with the public road accident.” Aan [eiseres] worden medicijnen voorgeschreven. Op 16 juni 2018 stelt de neuroloog als diagnose: “cranial trauma subjective syndrome” en worden aan [eiseres] antidepressiva voorgeschreven. De neuroloog rapporteert op dezelfde datum: “No sign of epilepsy. Normal examination.”

2.5.

Bij brief van 16 juli 2018 bericht de gemachtigde van [de verzekeraar] onder andere het volgende aan [eiseres]:

“Since then, my client has paid for the damage to the vehicle you were driving in, and for several medical examinations. According to the information my client now had, no still existing injuries have been established. You have refused to seek psychological help. However, you keep coming into my client’s office, asking for “a settlement”.

It is my clients perception, based on several letters from medical doctors, that you are not physically injured as a result of the collision with the vehicle insured with my client. Mental injury as a result of that collision cannot be established, because you refuse to seek assistance from a psychologist or psychiatrist. My client also continues to deny the costs of the dentist that you want reimbursed.

Based on a thorough examination of the file, my client will not make any further payments. My client herewith terminates the negotiations with you regarding the settlement of your claim.”

3 Het geschil

3.1.

In de procedure SXM201801407 vordert [eiseres] USD 4.792,30 te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten. In de procedure SXM201900049 vordert [eiseres] USD 4.199,30.

3.2.

Bij repliek is de vordering van [eiseres] vermeerderd en geherformuleerd als volgt:

“Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

  1. voor recht te verklaren dat [[eiseres]] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval op 2 april 2017 en dat [[de verzekeraar]] hiervoor aansprakelijk dient te worden gesteld;

  2. [[de verzekeraar]] te veroordelen tot betaling van een bedrag van $ 10.000,00 als schadevergoeding;

  3. [[de verzekeraar]] te veroordelen in de proceskosten van de procedure.”

3.3.

In beide zaken verzoekt [de verzekeraar] om [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel aan haar te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de wettelijke rente daarvoor, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling.

3.4.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak niet om de materiële schade aan de auto (die is door [de verzekeraar] vergoed) maar om de vraag of [eiseres] gezondheidsschade heeft opgelopen door de aanrijding die door [de verzekeraar] zou moeten worden vergoed. Vanwege de door haar gestelde gezondheidsschade heeft [eiseres] allerhande kosten moeten maken en zij wil dat die door [de verzekeraar] worden vergoed.

4.2.

Daarom moet het Gerecht eerst vaststellen of er aansprakelijkheid van [de verzekeraar] hiervoor kan worden vastgesteld. Daarna moet bezien worden of de geclaimde schade in een zogenaamd CSQN-verband (feitelijk causaal verband) staat tot de aanrijding. Tot slot moet bezien worden of elke schadepost daaraan toerekenbaar is op grond van artikel 6:95 tot en met 110 BW.

4.3. [

de verzekeraar] erkent in principe aansprakelijkheid voor alle gevolgen van de aanrijding. De discussie gaat erover dat [de verzekeraar] betwist dat als gevolg van de aanrijding [eiseres] gezondheidsschade heeft opgelopen.

4.4.

Dat verweer wordt door [de verzekeraar] als volgt toegelicht. [eiseres] kwam na de aanrijding regelmatig bij haar op kantoor langs. Eerst met klachten over geheugenverlies en hoofdpijn. [de verzekeraar] heeft betaald voor de nodige medische behandelingen en second en third opinions. Daaruit bleek niet van dergelijke klachten. Daarna begon [eiseres] te klagen over een fractuur in de rug maar dat bleek na door [de verzekeraar] betaalde onderzoeken ook geen ongevalsgevolg. Wel bleek zij een muisarm te hebben maar dat komt niet door de aanrijding. Daarna is [eiseres] het standpunt gaan innemen dat zij schade aan haar gebit heeft als gevolg van het ongeval omdat zij nu tandartskosten claimt. Uit het dossier blijkt nergens dat haar gebit is beschadigd als gevolg van de aanrijding. Opvallend is ook dat in de overgelegde medische stukken twee dames [eiseres] met verschillende voornamen en geboortedata voorkomen. Wel is gebleken uit de vele medische onderzoeken dat [eiseres] lijdt aan onbehandelde hoge bloeddruk. [eiseres] weigert een psycholoog te bezoeken voor het “cranial trauma subjective syndrome” (CSS) terwijl dat haar mogelijk zeer zou kunnen helpen. Op 16 juli 2018 heeft [de verzekeraar] de onderhandelingen met [eiseres] gestaakt omdat [de verzekeraar] werkelijk geen gezondheidsschade kon ontdekken die op de aanrijding kan worden teruggevoerd. Volgens [de verzekeraar] is de Amerikaanse [eiseres] geïnspireerd door de Amerikaanse claimcultuur en wil zij een hoog bedrag ontvangen zonder dat zij daar recht op heeft. Ten aanzien van alle schadeposten voert [de verzekeraar] specifiek verweer. Ook tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad voert [de verzekeraar] gemotiveerd verweer.

4.5.

De verzoekschriften zijn door [eiseres] zelf ingediend. Met [de verzekeraar] is het Gerecht het eens dat die stukken heel moeilijk leesbaar zijn en niet zo begrijpelijk. Bij repliek werd [eiseres] bijgestaan door een advocaat die zich later weer heeft onttrokken. In de conclusie van repliek wordt in alinea 17, resumerend, ingegaan op de kwestie van het causale verband: “Met inachtneming van het vorenstaande en op basis van de medische evaluaties van zowel Dr. [1], Dr. [2] als mevrouw [3], lijkt het erop dat door het ongeval d.d. 2 april 2017 eiseres immateriële schade heeft geleden in de vorm van TPF met urine-incontinentie als gevolg, alsmede een veelheid aan neurologische problemen zoals de PTSS en de CSS. Er is dus een causaal verband tussen de door eiseres geleden schade en het ongeval.” Bij dupliek stelt [de verzekeraar] stelt [de verzekeraar] de nodige vragen bij de rapportages van de genoemde medici.

4.6.

Het Gerecht is van oordeel dat [eiseres] heeft voldaan aan haar stelplicht dat sprake is van causaal verband tussen het ongeluk en de door haar gestelde gezondheidsschade. Door [de verzekeraar] is hier inhoudelijk verweer tegen gevoerd zodat nader onderzoek noodzakelijk. Dat kan niet anders dan door een medicus gebeuren en wel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek. De kosten van dit deskundigenonderzoek moeten bij wijze van voorschot door [de verzekeraar], als verzekeraar van de aansprakelijke partij, worden betaald en daarover wordt bij eindvonnis definitief beslist.

4.7.

Er wordt een comparitie van partijen bepaald om met partijen te bespreken welke medicus als deskundige kan worden benoemd. [de verzekeraar] wordt verzocht om een aantal medici met naam en specialisme te noemen. Mogelijk dient begonnen te worden met een gedegen onderzoek op huisartsenniveau en daarna een evaluatie om te bezien of al dan niet een specialist moet worden ingeschakeld. Natuurlijk mag ook [eiseres] medici aandragen.

4.8. [

eiseres] dient in persoon op de comparitie te verschijnen. Als zij dat niet doet dan kan het Gerecht daar consequenties aan verbinden. Verder raadt het Gerecht haar aan om een Nederlands sprekende persoon, bij voorkeur jurist, naar de zitting mee te nemen om voor haar te vertalen en de nodige uitleg te geven.

5 De beslissing

Het Gerecht:

bepaalt een comparitie van partijen op donderdag 29 oktober 2020 om 13:30 uur,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 15 september 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.