Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:66

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
SXM2020 - 731/ KG 202000101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van vaststellingsovereenkomst vastgelegd in emailwisseling.

Verweerder doet (onder andere) een beroep op de onbevoegdheid van de gemachtigde om een schikking namens het Land aan te gaan.

Het Gerecht verwijst in dit kader naar HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142. Eiseres mocht het gerechtvaardigde vertrouwen hebben dat het Land aan zijn gemachtigde een volmacht had verleend om het aanbod vastgelegd in de email van de gemachtigde van eiseres namens het Land te aanvaarden. Hieruit volgt mitsdien dat het Land gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM2020 - 731/ KG 202000101

Vonnis in kort geding van 4 september 2020

inzake

(eiseres),

gevestigd in Sint Maarten,

-eiseres-,

gemachtigden: mr. E.R. de Vries, mr. C.R. Rutte en mr. C.R. Martinus,


tegen

het LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Philipsburg in Sint Maarten,

-gedaagde-,

gemachtigde: mr. Z. Bary.


Partijen zullen hierna ook ‘(eiseres)’ en ‘het Land’ worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 12 augustus 2020 heeft (eiseres) een kort geding verzoekschrift met producties ter griffie van het Gerecht ingediend. Het Land heeft bij brief van 27 augustus 2020 producties in het geding gebracht. (eiseres) heeft op 27 augustus 2020 nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Vervolgens heeft op 28 augustus 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Gemachtigden zijn verschenen en hebben overeenkomstig hun pleitaantekeningen gepleit die zij ook aan het Gerecht hebben overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

In een brief van 31 mei 2018 bericht de Minister van VROMI van het Land aan (eiseres) het volgende:

“(…)

It has come to my understanding that the request has changed, and that you are now requesting an area of approximately 13.525 m2 of water rights in long lease. This is for the development of the hotel, thus to provide additional service to tourist and resident clients. The department of Domain Affairs is currently in the process of drafting an advice for the issuance of the long lease water rights.

I would hereby like to inform you that I in principle have no objection against the aforementioned issuance in long lease. The only construction to be allowed in the area in question is a breakwater and a Sea Aquarium.

(…)”

2.2.

In een emailbericht van 6 maart 2020 bericht de Minister van VROMI van het Land aan de Secretaris-Generaal van het Ministerie van VROMI (hierna ook: “de SG”) het volgende:

“(…)

I have read your email and would like to state the following.

Being that (eiseres) has submitted a few documents already to the ministry concerning the breakwater, I have no issues with the breakwater and pier once they can ensure no corals are damaged.

Also the issuing of the water rights should be a separate meet brief and not attached to any other meet brief of the property.

The decree should reflect the corrected decree which was sent to the department.

I have cc’d Mr. (…) as I am not sure if he has anything else wording to add or if any other information needs to be clarified based on your previous email.

(…)”

2.3.

In een aan mr. A. Kraaijeveld verzonden e-mailbericht van 4 mei 2020 is gesteld:

“(…)

Dear colleague,

I confirm that this matter has been settled as follows:

  1. Country Sint Maarten (“ Country ”) agrees to have the decree in attached form (only C/A number to be included)’signed and issued to (eiseres) (“(eiseres)”) within four weeks from issuance of the C/A of the subject water parcel.

  2. Alegria will pay the fees for the C/A immediately to the Cadaster’s office.

  3. Alegria will immediately withdraw the injunction case, each party carrying its own costs.

4. This is a Settlement Agreement, which includes the attachment.

Please confirm agreement on behalf of the Country.

Sincerely,

(…)

Eric R. de Vries

(…)”

Aan deze email is gehecht een ongetekend en ongedateerd document (concept besluit van de Minister van VROMI tot uitgifte van een perceel grond gelegen op de bodem van de zee gelegen te Burgeaux Bay ter grootte van ongeveer 13.525 m2).

2.4.

In een emailbericht van 5 mei 2020 bericht mr. A. Kraaijeveld aan de SG het volgende:

“(…)

Zoals zojuist aangegeven via whatsapp weigert (eiseres) akkoord te gaan met ons voorstel, en heeft een eigen voorstel gedaan. Ze zeggen dat alles hetzelfde is maar ik snap niet waarom ze dan niet gewoon ons voorstel accepteren. Ik zal de andere mails ook doorsturen.

Ik ben alle versies die (eiseres) heeft gehecht aan hun laatste voorstel aan het vergelijken met de eerdere versies.

Is het Land akkoord met het onderstaande voorstel?

(…)”

2.5.

In een emailbericht van 5 mei 2020 bericht de SG aan mr. A. Kraaijeveld het volgende:

Beste Aernout,

Ik heb de documenten bekeken en die komen met elkaar overeen.

Wij zijn ermee akkoord.

Groet,

Louis D. Brown

(…)”

2.6.

Bij een aan mr. E.R. de Vries verzonden emailbericht van 5 mei 2020 reageert advocaat mr. A. Kraaijeveld als volgt:

“(…)

Dear colleague,

Country Sint Maarten accepts your proposal.

Kind regards,

Aernout Kraaijeveld

(…)”

2.7.

Na deze emailwisseling heeft de gemachtigde van (eiseres) haar tegen het Land ingediend kort geding verzoekschrift -dat strekt tot uitgifte in erfpacht van het waterperceel- ingetrokken.

2.8.

De afspraken vastgelegd in de emailwisseling tussen de gemachtigde van (eiseres) en mr. A. Kraaijeveld heeft het Land niet nageleefd.

2.9.

Bij emailbericht van 16 juni 2020 bericht mr. A. Kraaijeveld aan de SG:

Dag Louis,

Bijgaand is de complete meetbrief.

Mvg

Aernout

2.10.

In een op 19 augustus 2020 aan de SG van VROMI, (…), de Minister van VROMI, mevrouw (…), (…), Legal Advisor/Litigator van de Ministerie van Algemene Zaken van het Land, Caroline van Hees, advocaat Gibson & Associates en mr. Gibson jr. verzonden emailbericht stelt mr. Kraaijeveld als volgt:

Dear all,

Attached is the injunction case in which (eiseres) demands compliance of Government with a settlement agreement, regarding a right of long lease to a piece of land in Beacon Hill, under certain conditions. (…)

I asked my colleague Caroline van Hees (cc) to handle this matter.

(…)”

3 Het geschil

3.1. (

eiseres) vordert -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het Land (i) beveelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de schikking na te komen en het Land beveelt om op eerste uitnodiging zijn medewerking te verlenen aan de uitgifte van het erfpachtrecht op straffe van een te verbeuren dwangsom en (ii) veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. (

eiseres) legt aan haar vordering de emailwisseling van 4 en 5 mei 2020 ten grondslag. Hieruit volgt dat partijen een vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten die ertoe heeft geleid dat de kortgedingprocedure is ingetrokken. Van deze overeenkomst kan (eiseres) nakoming vorderen. Het Land dient dan ook het waterperceel in erfpacht aan (eiseres) uit te geven. Partijen onderhandelen reeds twee jaar over deze uitgifte. De huidige minister van VROMI mag zich niet op het standpunt stellen dat de advocaat mr. A. Kraaijeveld het Land niet aan de vaststelling heeft kunnen binden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

de bevoegdheid van het Gerecht

4.1.

Het Gerecht stelt voorop dat de vordering van (eiseres) is gebaseerd op nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Op grond hiervan is het Gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.1

ontvankelijkheid van (eiseres) in de vordering

4.2.

Ook dient (eiseres) in de vordering te worden ontvangen. De beoordeling van de beslissing van Minister van VROMI om grond in erfpacht uit te geven, dan wel zijn weigering om een dergelijk beslissing te nemen, is blijkens de bepaling van artikel 3 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna ook: ”Lar”) aan de bevoegdheid van de bestuursrechter onttrokken. Immers, het besluit van de Minister van VROMI om een erfpachtrecht al dan niet uit te geven, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling maar zo’n besluit is louter privaatrechtelijk van aard. Het zakelijk recht ‘erfpacht’ is in boek 5, titel 7, van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: ‘BW’) geregeld.2 De ‘Landverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten’ wijst slechts het bevoegde ambt aan dat beslist tot uitgifte in erfpacht en voorts het orgaan dat het Land bij de uitgifte vertegenwoordigt. Ook regelt deze landsverordening de (standaard-)voorwaarden waaronder het Land bereid is percelen in erfpacht uit te geven.

vordering geschikt voor een kortgedingprocedure?

4.3.

De aard van de vordering brengt naar het oordeel van het Gerecht een spoedeisend belang met zich. Van (eiseres) kan niet worden verlangd om een beslissing in een bodemprocedure te moeten afwachten. (eiseres) heeft onweersproken gesteld dat zij kostbare investeringen heeft gedaan en dat het reeds twee jaar met verschillende ministers van VROMI van het Land over de uitgifte in erfpacht van waterpercelen onderhandelt. Zulks blijkt ook uit de brief van 31 mei 2018 van de Minister van VROMI.3 Vorige ministers waren ook op hoofdlijnen akkoord met de uitgifte in erfpacht van het waterperceel. (eiseres) heeft een spoedeisend belang om het project voort te kunnen zetten en om gedane investeringen terug te verdienen.

4.4.

In kort geding dient te worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is geworden dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de verwerende partij tot een bepaalde prestatie is gehouden. Het oordeel daarover moet worden gebaseerd op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten zoals die bij de behandeling zijn gebleken en kan niet worden gebaseerd op feiten die mogelijk later nog (in een bodemprocedure) zullen kunnen blijken.4

4.5.

Het geschil leent zich voor behandeling in kort geding. Dat een geschil feitelijk of juridisch ingewikkeld is ontslaat de kortgedingrechter niet om het geschil te beoordelen, zoals het Land ten onrechte betoogt. Hierdoor wordt een zaak dus niet ongeschikt voor behandeling in kort geding. Bij beoordeling of een vordering geschikt is voor een behandeling in kort geding dient te worden beoordeeld of bij de behandeling van het kort geding voldoende duidelijkheid over het geschil kan worden verkregen om een verantwoorde voorziening te kunnen geven. Alleen wanneer onvoldoende duidelijkheid bestaat over de rechtsverhouding van de partijen en dus over de vraag of er een rechtsgrond is voor het gevorderde -en uit een belangenafweging niet geconcludeerd kan worden dat er grond is voor het geven van een voorlopige voorziening- dient de voorziening te worden geweigerd. Daarvan is geen sprake. Immers, dit geding betreft de beoordeling van de vordering tot nakoming van de door (eiseres) gestelde overeenkomst die volgens haar is vastgelegd in de emailwisseling.5

4.6.

Hieraan voegt het Gerecht nog toe dat (eiseres) geen declaratoir vonnis vordert en evenmin een constitutief vonnis. Het Gerecht is bevoegd om in kort geding een condemnatoir vonnis te wijzen en dat is wat (eiseres) doet. Dat de voorziening niet tijdelijk van karakter of aard is, zoals het Land bepleit, en wat daar ook van zij, is dus niet beslissend.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat het Gerecht bevoegd is om in kort geding de vordering tot nakoming te beoordelen.6

de vordering tot nakoming

4.8. (

eiseres) vordert nakoming van een vaststellingsovereenkomst die in emailwisseling is vastgelegd.

4.9.

Vooraleerst is het Gerecht voorshands van oordeel dat uit deze emailwisseling dient te worden afgeleid dat (eiseres) op 4 mei 2020 aan het Land een aanbod doet over de uitgifte in erfpacht van het waterperceel dat mr. Kraaijeveld een dag later namens het Land onvoorwaardelijk aanvaardt. Blijkens deze emailwisseling is naar het voorlopige oordeel van het Gerecht een vaststellingsovereenkomst gesloten. De achtergrond van deze aanvaarding is dat partijen reeds jaren over de uitgifte hebben onderhandeld en (eiseres) een kort geding tegen het Land aanhangig heeft gemaakt om nakoming van een gestelde overeenkomst of toezegging af te dwingen. Na de emailwisseling heeft (eiseres) het kort geding verzoekschrift ingetrokken en is voorts deels uitvoering aan deze schikking gegeven.

4.10.

Het Land beroept zich op de onbevoegdheid van mr. A. Kraaijeveld. Volgens het Land had mr. A. Kraaijeveld geen bevoegdheid om namens het Land deze vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Het Gerecht stelt voorshands vast dat gesteld noch gebleken is dat mr. A. Kraaijeveld van de Minister van VROMI een volmacht heeft gekregen om namens het Land het aanbod van 4 mei 2020 van de gemachtigde van (eiseres) te aanvaarden. In zoverre heeft mr. A. Kraaijeveld dan ook zonder toereikende volmacht het aanbod van de gemachtigde van (eiseres) aanvaard.

4.11. (

eiseres) beroept zich evenwel ook op de schijn van volmachtverlening op de voet van artikel 3:61 lid 2 BW. (eiseres) stelt gerechtvaardigd te hebben vertrouwd op volmachtverlening aan mr. A. Kraaijeveld. Op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van het Land komen en waaruit naar de verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, dient inderdaad naar het oordeel van het Gerecht een dergelijke schijn van volmachtverlening te worden aangenomen.7 Hiertoe moge het volgende dienen.

4.12.

Als een advocaat als procesvertegenwoordiger is aangesteld, wordt daarmee in het algemeen bij de wederpartij het redelijke vertrouwen van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt op grond waarvan aan die wederpartij bescherming toekomt tegen overschrijding van bevoegdheid. Het is billijk dat degene die een ander aanstelt om hem in rechte te vertegenwoordigen ook het risico draagt van volmacht overschrijding.8 Van belang hierbij is dat onbestreden is gesteld dat mr. A. Kraaijeveld in opdracht van het Land het geschil over de uitgifte van erfpacht van het waterperceel en het door (eiseres) aanhangig gemaakte kort geding voor het Land behandelde.

4.13.

Aan de omstandigheid dat de degene die de schikking trof een advocaat is dienen derhalve rechtgevolgen te worden verbonden.

4.14.

In dit verband haalt het Gerecht ook HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 aan. De navolgende feiten en omstandigheden brengen mee dat het risico van een ontoereikende volmacht voor risico en rekening van het Land dient te komen:

  • -

    i) mr. A. Kraaijeveld is een advocaat in Sint Maarten;

  • -

    ii) het is een feit van algemene bekendheid dat hij sinds jaar en dag werkzaam is bij het advocatenkantoor van de landsadvocaat Gibson & Associates;

  • -

    iii) mr. A. Kraaijeveld is vanaf maart 2020 in opdracht van het Land betrokken bij de behandeling van het geschil tussen (eiseres) en het Land over de uitgifte in erfpacht van het waterperceel;

  • -

    iv) mr. A. Kraaijeveld behandelt in opdracht van het Land de (eerste) kortgedingprocedure;

  • -

    v) hij voert in dat kader overleg met de hoogste ambtenaar van het Ministerie van VROMI: de SG;

  • -

    vi) mr. A. Kraaijeveld heeft de vaststellingsovereenkomst over de uitgifte in erfpacht van het waterperceel voordien met de SG afgestemd;

  • -

    vii) de Minister van VROMI eerst na het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ageert tegen de aan mr. A. Kraaijeveld verleende opdracht, althans zijn bevoegdheid om een schikking namens het Land aan te gaan;

  • -

    viii) de Minister van VROMI eerst na het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ageert tegen de bemoeienissen van zijn eigen SG en de door de SG verleende toestemming om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan; en

  • -

    ix) mr. A. Kraaijeveld zelfs in het kader van het tweede kort geding door het Land is benaderd om deze zaak ten behoeve van het Land te behartigen9.

4.15.

Het risico van de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van mr. A. Kraaijeveld ligt dan ook bij het Land. (eiseres) mocht het gerechtvaardigde vertrouwen hebben dat het Land aan mr. A. Kraaijeveld een volmacht had verleend om het aanbod vastgelegd in de email van 4 mei 2020 van de gemachtigde van (eiseres) namens het Land te aanvaarden. Hieruit volgt mitsdien dat het Land gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst.

4.16.

Het Gerecht heeft kennis genomen van het vonnis van Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen van 30 januari 2001, NJ 2001/579 -waarop het Land evenwel geen beroep doet- maar waaruit volgt dat in verband met het vertrouwensbeginsel regels van bevoegdheid en formele besluitvorming in de Caribische landen en gebiedsdelen strikt in acht moeten worden genomen.10 Voorshands is het Gerecht van oordeel dat deze jurisprudentie geen vrijbrief geeft om opgewekt vertrouwen niet te honoreren. Na deze vooropstelling dat regels van besluitvorming en bevoegdheid dus strikt moeten worden nageleefd, dient vervolgens nog te worden getoetst of gerechtvaardigd is vertrouwd op een toereikende volmacht.11

4.17.

Verder verwijst het Gerecht naar HR 27 november 1992, NJ 1993/287 waaruit volgt dat onder omstandigheden een onjuiste voorstelling van zaken over de bevoegdheid van een overheidsfunctionaris voor rekening van de overheid dient te komen. In het te beoordelen geval is gelet op dit arrest van belang dat (i) voormalige Ministers van VROMI geen bezwaar hadden tegen uitgifte van het waterperceel in erfpacht (ii) de SG de vaststellingsovereenkomst heeft gefiatteerd (iii) voor (eiseres) onduidelijk, onoverzichtelijk en voorts ontoegankelijk is wie aan mr. A. Kraaijeveld toestemming heeft gegeven, dan wel had behoren te geven, om de vaststelling aan te gaan en (iv) de huidige Minister van VROMI nimmer kenbaar heeft gemaakt dat mr. A. Kraaijeveld van de zaak moest worden gehaald, althans ontijdig duidelijk heeft gemaakt dat mr. A. Kraaijeveld geen schikking namens het Land mocht aangaan.

4.18.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen op grond waarvan (eiseres) van het Land nakoming kan verlangen, tenzij voldoende rechtvaardiging bestaat dat (eiseres) op grond van onvoorziene omstandigheden genoegen zal moeten nemen met schadevergoeding. Deze onvoorziene omstandigheden kunnen zijn gelegen in nieuwe niet in de overeenkomst verdisconteerde inzichten die tot een beleidswijziging nopen.12

4.19.

Het Land heeft hieraan echter geen enkele stelling gewijd, zodat het Gerecht hieraan verder voorbij zal gaan.

de belangenafweging

4.20.

De beoordeling in kort geding is niet beperkt tot alleen een voorlopig oordeel over de rechtsverhouding van de partijen. De kortgedingrechter dient zijn beslissing steeds mede op een belangafweging te baseren.

4.21.

In verband hiermee voert het Land aan dat bescherming van het milieu dient mee te brengen dat de vordering dient te worden afgewezen. Uitgifte van het waterperceel zal kunnen leiden tot beschadiging van koralen. Hieraan is onvoldoende aandacht geschonken en dat zal alsnog moeten gebeuren.

4.22.

Naar het voorlopige oordeel van het Gerecht is in het concept besluit tot uitgifte in erfpacht van het waterperceel aan bescherming van het milieu voldoende aandacht geschonken en doorkruist de uitgifte van het waterperceel niet dit milieubelang. Immers, de uitgifte in erfpacht van het waterperceel laat onverlet dat voor de aan te leggen bouwwerken op het waterperceel (een) ambt(-en) van het Land van (een) vergunningen-(en) zal/zullen moeten verlenen in het kader waarvan rekening kan of moet worden gehouden met bescherming van het milieu. Eventueel kunnen derden rechtsbescherming zoeken bij de bestuursrechter indien zij menen dat het milieubelang onvoldoende in de publiekrechtelijke besluitvorming is verdisconteerd.

4.23.

Overigens heeft het Land geen belangen aangedragen die mee kunnen brengen dat de voorziening -ondanks de vaststellingsovereenkomst tussen partijen- zal moeten worden geweigerd.

dwangsommen

4.24.

In dit verband voert het Land aan dat versterking van de veroordeling met dwangsommen ongerechtvaardigd en onverantwoord is. Verder wijst het Land op het restitutierisico.

4.25.

Het Gerecht passeert deze stellingen. Als het Land het vonnis van het Gerecht respecteert, zal het Land geen dwangsommen verbeuren. De oplegging van een dwangsom is slechts een prikkel om een veroordeling tijdig na te leven. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat de oplegging van een dwangsom ten laste van het Land nodig is om te verzekeren dat het Land vonnissen van het Gerecht naleeft. De oplegging van een dwangsom is dan ook ongerechtvaardigd noch onverantwoord.

4.26.

Voor wat betreft het restitutierisico heeft (eiseres) onbestreden gesteld dat zij over vele onbelaste registergoederen in Sint Maarten beschikt waarop het Land zich eventueel zou kunnen verhalen, indien uit hoofde van dit vonnis verrichte prestaties ongedaan moeten worden gemaakt. Deze stelling van het Land passeert het Gerecht dan ook.

4.27.

Het Gerecht zal op na te melden wijze de te verbeuren dwangsommen matigen en maximeren.

proceskosten

4.28.

Het Land zal als de in het ongelijk te stellen partij in de gedingkosten worden veroordeeld die aan de zijde van (eiseres) kunnen worden begroot op:

  • -

    vastrecht NAf 450,00

  • -

    kosten exploit NAf 240,50

  • -

    salaris gemachtigde NAf 2.000,00

totaal NAf 2.690,50

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.29.

Het Land voert aan dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard omdat de belangen groot zijn en de beslissing niet terug te draaien is.

4.30.

Een kortgedingvonnis dat niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, is niet meer dan een papieren tijger. De stelling dat de belangen groot zijn kan niet meebrengen dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zou moeten worden verklaard. Hiervoor heeft het Gerecht immers reeds geoordeeld dat (eiseres) een spoedeisend belang bij de beoordeling heeft. De veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zou hiermee strijden. Verder kan het Land een rechtsmiddel tegen dit kortgedingvonnis aanwenden. Als het GHvJ dit vonnis vernietigt, zal hetgeen op grond van dit vonnis is uitgevoerd, ongedaan moeten worden gemaakt. Ook kan het Land (eiseres) met succes aansprakelijk houden voor door haar geleden schade ter zake van al hetgeen het Land onder druk van executie van dit vonnis jegens (eiseres) presteert, indien dit vonnis wordt vernietigd of in de bodemzaak anders wordt beslist.

4.31.

Het vonnis zal dan ook hierna uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.32.

Het Gerecht zal dan ook beslissen zoals hierna vermeld. Bij het meer of

anders gevorderde heeft (eiseres) geen belang omdat dit meerdere of het anders gevorderde reeds volgt uit hetgeen hierna wel zal worden toegewezen: namelijk veroordeling tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

5.1

veroordeelt het Land om uiterlijk binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de vaststellingovereenkomst na te komen zoals vastgelegd in de emailberichten van 4 en 5 mei 2020 van de gemachtigde mr. E.R. de Vries van (eiseres) respectievelijk mr. A. Kraaijeveld in het bijzonder door het nemen van het besluit van de Minister van VROMI tot uitgifte in erfpacht van het waterperceel beschreven in meetbrief met nummer 40/2020 een en ander conform het conceptbesluit gelijk aan productie 4 van het kort geding verzoekschrift op straffe van een te verbeuren dwangsom van NAf 10.000,00 voor elke dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat het Land deze veroordeling niet naleeft tot een maximum van NAf 1.000.000,00;

5.2

veroordeelt het Land in de proceskosten die aan de zijde van (eiseres) tot op heden worden begroot op NAf 2.690,50;

5.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 4 september 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

1 Vergelijk HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407: beslissend is het recht waarin de aanlegger vraagt te worden beschermd. Dat is dus nakoming van een overeenkomst.

2 Als artikel 3 Lar toegang tot de bestuursrechter niet belet, doet de bepaling van artikel 7 lid 2 onder f Lar dat wel. Van een beschikking houdende weigering van de goedkeuring van een dergelijk besluit is geen sprake.

3 Feitenvaststelling sub 2.1.

4 Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020 [132].

5 De emailberichten van mr. De Vries en mr. A. Kraaijeveld van 4 en 5 mei 2020: zie feitenvaststelling sub 2.3. en sub 2.6.

6 Vergelijk ook Asser Procesrecht/Boonekamp, 6, 2020 [147]: de kortgedingrechter kan een partij tot nakoming veroordelen.

7 HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:BK7671, NJ 2010/115. Zie ook HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 waar een advocaat zijn boekje te buiten ging (lees: gecontracteerd namens achterman zonder toereikende volmacht) maar de derde partij bescherming zocht en vond in de bepaling van artikel 3:61 lid 2 BW.

8 Kamerstukken II 1999/00, 26855, 5 over de Nederlandse pendant. Zie ook in gelijke zin toelichting op artikel 3:61 BW (SXM) over een deurwaarder die een betalingsregeling namens zijn opdrachtgever aangaat: HR 24 april 1992, NJ 1993/190. In beginsel mag de derde op binding vertrouwen.

9 Vergelijk sub 2.10. van de feitenvaststelling.

10 J. de Boer, Het nieuw BW overzee, Monografieën BW, 2019, p. 6: “Zo heeft men overzee te maken met een betrekkelijk zwakke overheid en betrekkelijk veelvuldig voorkomende politieke patronage, wat het Gemeenschappelijk Hof in verband met het vertrouwensbeginsel gebracht heeft tot het oordeel dat het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen.” Is constante jurisprudentie van het GHvJ en de GEA’s.

11 In gelijke zin Marnix Snel in: Caribisch vermogensrecht geannoteerd, red. M.V.R. Snel, P.S. Bakker en M.A Loth, 2020, p. 39.

12 HR 10 september 1993, AB 1993/586; NJ 1996/3 (Den Dulk/Curaçao).