Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:50

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
SXM202000289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

37 gedetineerden vragen veroordeling van het Land Sint Maarten om hen tijdelijk in Nederland te detineren vanwege de slechte omstandigheden in de gevangenis op Sint Maarten. Eisers worden in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij hier geen belang bij hebben. De gevraagde veroordeling kan namelijk niet worden uitgevoerd omdat Nederland niet in de procedure is betrokken en niet is komen vast te staan dat Nederland aan de tenuitvoerlegging zal meewerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202000289

Vonnis in kort geding d.d. 19 juni 2020

inzake

[37 gedetineerden]

allen gedetineerd in de Point Blanche gevangenis op Sint Maarten,

eisers,

gemachtigden: mrs. G. Hatzmann, S.R. Bommel en S.D.M. Roseburg,

tegen

1 DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND SINT MAARTEN,

gevestigd in Sint Maarten,

2. DE MINISTER VAN JUSTITIE,

kantoorhoudende op Sint Maarten,

gedaagden,

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties, ontvangen op 2 maart 2020,

  2. producties van eisers,

  3. akte houdende wijziging / vermeerdering van eis,

  4. conclusie van antwoord met producties van gedaagden,

  5. drie pleitnota’s namens eisers,

  6. pleitnota namens gedaagden.

1.2.

Na uitstel vanwege de Corona-pandemie heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 5 juni 2020. Zeven eisers zijn ter zitting door middel van een video-verbinding met de Pointe Blanche gevangenis aanwezig geweest. Gedaagden werden vertegenwoordigd door drie ambtenaren, waaronder de directeur van de gevangenis. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Eisers, behoudens eisers onder 1, 4, 13, 15, 21, 23 en 24, zijn allen gedetineerd in de Point Blanche gevangenis/huis van bewaring op Sint Maarten (de P.I.).

2.2.

De P.I. is onderdeel van het Land Sint Maarten.

2.3.

Bij brief van hun advocaten van 17 februari 2020 hebben eisers aan de Minister van Justitie verzocht om hen onder te brengen in andere P.I.’s binnen het Koninkrijk. Dat wordt in de brief onder andere als volgt uitgelegd:

“Gezien de overbevolkte gevangenis loopt de onderlinge spanning tussen de gedetineerden en het personeel hoog op. Het veiligheidsgevoel van de gedetineerden binnen de muren van de gevangenis is ernstig afgenomen en zij vrezen dagelijks voor hun leven. Er is sprake van permanente gevaarzetting en voor de gedetineerden, welke onder uw eindverantwoordelijkheid vallen, is de maat vol.

Immers, ernstige geweldsincidenten zijn binnen de muren van het HvB al jarenlang schering en inslag.

Diverse gedetineerden zijn neergestoken en ernstig gewond geraakt, er is een gedetineerde blijvend gehandicapt geraakt, en er is zelfs een gedetineerde doodgeschoten!”

2.4.

De Minister van Justitie heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Na eiswijziging vorderen eisers het volgende:

“bij beschikking, voor zoveel als mogelijk is uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat het Land / de Minister wordt veroordeeld om eisers – allen- binnen zeven (7) dagen vanaf de dag van het door U E.A. in deze zaak te wijzen vonnis te doen overbrengen naar een veilige penitentiaire inrichting elders in het Koninkrijk der Nederlanden, namelijk een P.I. in Nederland dan we de P.I. te Bonaire,

  2. te bepalen dat de overplaatsing van eisers zal voortduren tot en met het tijdstip waarop de veiligheidssituatie in de het HvB Pointe Blanche naar een aanvaardbaar niveau is opgetrokken dan wel dat (per individueel geval te beoordelen) dat eisers hun straf hebben uitgezeten of dat hun voorarrest wordt opgeheven dan wel geschorst,

  3. te bepalen dat het CPT (dan wel een andere commissie van onafhankelijke deskundigen) erop toe dient te zien dat de veiligheidssituatie in het HvB Pointe Blanche naar een aanvaardbaar niveau wordt gebracht en dat zodra het CPT concludeert dat de veiligheidssituatie aanvaardbaar is dat het Land/de Minister gerechtigd is om eisers te doen terugplaatsen in het HvB Pointe Blanche,

  4. te bepalen dat het Land/de Minister een bedrag van USD 1.000,- per eiser per dag met een maximum van USD 10.000.000.- aan dwangsommen verbeurt voor de periode dat een of meer eisers in weerwil van de door U E.A. te stellen uiterste termijn nog niet naar een veilige penitentiaire inrichting elders in het Koninkrijk der Nederlanden, namelijk een P.I. in Nederland dan wel de P.I. te Bonaire, zijn overgebracht,

  5. te bepalen dat het Land/de Minister een bedrag van USD 1.000,- per eiser per dag met een maximum van USD 10.000.000.- aan dwangsommen verbeurt in het geval dat het Land/de Minister eisers vanuit Nederland dan wel Bonaire doet terugplaatsen naar het HvB Pointe Blanche terwijl het CPT het veiligheidsniveau in het HvB Pointe Blanche nog niet als aanvaardbaar heeft aangemerkt,

  6. Het Land/de Minister te veroordelen in de kosten van dit geding.”

3.2.

Het Land en de Minister verzoeken het Gerecht om eisers in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van eisers in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Processuele aspecten

4.1.

Gedaagden stellen dat de eisvermeerdering te laat is gedaan, dat zij hierdoor overvallen zijn en dus dat die in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Het Gerecht onderschrijft dat niet. Met de eisvermeerdering beogen eisers te bereiken dat er een objectieve toetsing (door het CPT) komt of de PI weer voldoet aan de normen. Als dat het geval is dan willen eisers worden teruggeplaatst. De onderliggende inhoudelijke discussie blijft hetzelfde, te weten: moeten gedaagden worden veroordeeld om eisers naar een andere P.I. binnen het Koninkrijk te verplaatsen omdat de omstandigheden in de P.I. ontoelaatbaar zijn. Daarom zal het Gerecht recht doen op de vermeerderde eis.

4.2.

Gedaagden vragen het Gerecht om de producties die op 4 juni 2020 door hen zijn ontvangen buiten beschouwing te laten. Die zijn te omvangrijk, slecht leesbaar en veel te laat toegestuurd. Gedaagden hebben onvoldoende gelegenheid gehad om dit goed met hun advocaat te kunnen bespreken. Het Gerecht is het eens met gedaagden dat dit eerder had gekund maar zal niettemin de producties toelaten. Gebleken namelijk is dat een groot deel van de producties zien op correspondentie met het Land zelf, op krantenartikelen, op ambtelijke stukken en op enkele rechterlijke uitspraken. Het is meer een illustratie van wat er bij het verzoekschrift is gesteld dan dat het wat nieuws toevoegt. Bovendien waren de meeste stukken inhoudelijk al bij het Land en haar vaste advocatenkantoor bekend. Daarom zal het Gerecht wèl rekening houden met de producties. Overigens ook met de producties van gedaagden die het Gerecht eveneens op 4 juni 2020 heeft ontvangen en waartegen eisers geen bezwaar hebben gemaakt.

Formele verweren

4.3.

Onder de vaststaande feiten (2.1.) staat dat een aantal eisers niet langer is gedetineerd. Daarop ziet een van de ontvankelijkheidsverweren van gedaagden. Op de zitting is geconstateerd dat deze eisers hun vorderingen intrekken. Dat zal het Gerecht in de beslissing volledigheidshalve opnemen.

4.4.

Terecht voert de Minister van Justitie aan dat eisers in hun vorderingen tegen haar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2233). Daarin is uitgemaakt, kort gezegd, dat alleen aan natuurlijke personen en rechtspersonen burgerlijke procesbevoegdheid toekomt, behoudens een uitzondering als die uit de wet blijkt. Een dergelijke uitzondering is er niet zodat eisers inderdaad in hun vorderingen tegen de Minister van Justitie niet kunnen worden ontvangen. Eisers worden in de proceskosten van de Minister veroordeeld.

4.5.

Het Land voert aan dat toewijzing van de vorderingen leidt tot een onmogelijke situatie voor hem. Nederland zou hier immers aan moeten meewerken en gesteld noch gebleken is dat Nederland dit zal doen, terwijl het Land wèl dwangsommen zou verbeuren. Een vordering waarvan het onmogelijk is dat gedaagde eraan voldoet dient afgewezen te worden. Eisers stellen daartegenover dat Nederland wel degelijk bereidwillig is en, als dat niet het geval is, dat het Land de medewerking van Nederland moet afdwingen. Dat past in de zorgplicht die het Land heeft ten opzichte van eisers. Het Land kan namelijk gebruik maken van de Onderlinge Regelingen over het ter beschikking stellen van penitentiaire faciliteiten aan elkaar tussen de Landen van het Koninkrijk op basis van artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

4.6.

Hierover wordt het volgende overwogen. Terecht wordt door het Land aangevoerd dat het Land voor de uitvoering van een vonnis waarin de vorderingen van eisers zouden worden toegewezen afhankelijk is van de medewerking van een derde partij die niet in de procedure is betrokken, namelijk Nederland. Dit land moet immers de gedetineerden toelaten tot zijn grondgebied, penitentiaire ruimte reserveren en personeel vrijmaken. Nu Nederland niet mede is gedaagd is Nederland aan een eventueel toewijzend vonnis niet gebonden. Er bestaat namelijk geen rechtsregel die maakt dat Nederland aan de uitvoering van een vonnis waarin alleen het Land zou worden veroordeeld moet meewerken. Dit oordeel brengt mee dat de vorderingen van eisers niet voldoen aan artikel 3:296 BW in verband met artikel 3:303 BW. Daarin is bepaald dat iemand die jegens een ander verplicht is iets te doen daartoe wordt veroordeeld. Als de vordering zich eigenlijk mede richt tot een derde die niet in de procedure is betrokken, maar wiens medewerking onontbeerlijk is, dan hebben eisers bij hun vorderingen onvoldoende belang in de zin van deze wetsbepalingen. De toewijzing van de vorderingen leidt immers niet tot het door hen beoogde resultaat. Dat Nederland bereidwillig zou zijn, zoals eisers stellen, wordt door het Land inhoudelijk betwist zodat het Gerecht daarvan niet uit kan gaan.

4.7.

De Onderlinge Regelingen, waarop eisers bij verzoekschrift geen beroep op hebben gedaan maar op de zitting wèl, doen hier niet aan af. Deze Onderlinge Regelingen betreffen interlandelijke regelingen binnen het Koninkrijk. Zij geven de gedetineerden niet rechtstreeks een rechtsvordering tegen het Land op het grondgebied waar zij gedetineerd zijn (zie vonnis Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 4 februari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP9119). Eisers kunnen wel het OM, de instantie die is belast met de uitvoering van de voorlopige hechtenis en de executie van straffen, verzoeken om overplaatsing naar een andere PI binnen het Koninkrijk. Dat kan overigens ook los van de Onderlinge Regeling. Gesteld noch gebleken is echter dat eisers een dergelijk verzoek aan het OM hebben gedaan. Als zij dat wel zouden hebben gedaan en het OM zou weigeren dit voor te leggen aan de Minister van Justitie dan kunnen eisers op grond van artikel 43 Sv (het zogenaamde strafrechtelijke kort geding) daarover de beslissing van de strafrechter inroepen.

4.8.

Een en ander betekent dat eisers ook in hun vorderingen tegen het Land niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.9.

Het Gerecht komt daarom niet toe aan de overige formele verweren van het Land en evenmin aan enig inhoudelijk oordeel over de vorderingen.

4.10.

Als in het ongelijk gestelde partijen worden eisers in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

legt vast dat de vorderingen van eisers 1, 4, 13, 15, 21, 23 en 24 zijn ingetrokken,

verklaart alle overige eisers in hun vorderingen niet-ontvankelijk,

veroordeelt alle overige eisers hoofdelijk, zodanig dat als de een betaalt de ander is bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van het Land begroot op nihil aan verschotten en op totaal NAf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 19 juni 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.