Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:44

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
100.00003/19 en 100.00004/19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk schietincident bij Adult Entertainment Club. Geslaagd beroep op noodweer. Gevangenisstraf van 21 maanden (6 voorwaardelijk) voor verboden vuurwapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: 100.00003/19 en 100.00004/19

Uitspraak: 11 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachten:

[verdachte 1],

geboren op [datum] te Sint Maarten,

wonende te [adres],

thans gedetineerd;

en

[verdachte 2],

geboren op [datum] te Sint Maarten,

wonende te [adres],

thans gedetineerd.

Waar het in deze zaak om gaat

Bij een schietincident in de vroege morgen van de 31e december 2018 raken twee bezoekers van de nachtclub ‘El Capitan’ levensgevaarlijk gewond; een van hen bezwijkt nog dezelfde dag aan zijn verwondingen. Beelden van bewakingscamera’s tonen de aanloop naar het incident en het incident zelf. Na enkele dagen melden zich twee verdachten bij de politie. Zij erkennen met vuurwapens op de slachtoffers te hebben geschoten, maar zeggen te hebben gehandeld uit zelfverdediging.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019, op 11 december 2019, en op 26 februari 2020. De verdachten zijn telkens verschenen, bijgestaan door mr. E. Sulvaran – advocaat te Curaçao, mr. S. Bommel en mr. S. Roseburg, advocaten te Sint Maarten (laatstgenoemde was op de laatste zittingsdag niet aanwezig).

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht doodslag, poging doodslag en verboden vuurwapenbezit bewezen zal verklaren en beide verdachten zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 22 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor het vuurwapengeweld vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, maar geen verweer gevoerd tegen de verdenking van verboden wapenbezit.

Tenlastelegging

Aan de verdachten is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Waardering van het bewijs

Op de terechtzitting is een compilatie vertoond van beelden die door bewakingscamera’s zijn vastgelegd. Daarop is onder meer te zien dat een van de verdachten een conflict heeft met het slachtoffer [1]. Dat conflict loopt uit de hand en dan openen de verdachten het vuur op de slachtoffers [1] en [2].

[Slachtoffer 1] is kort na het incident in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. [Slachtoffer 2] is door meerdere kogels geraakt in arm en benen en heeft daarbij potentieel dodelijk letsel opgelopen.

De verdachten hebben op de zitting van 26 februari 2020 verklaard dat zij zich herkennen in de ter terechtzitting vertoonde beelden, dat zij op de dag van het incident bewapend waren met handvuurwapens, en dat [verdachte 1] met zijn revolver en [verdachte 2] met zijn Glock kogels hebben afgevuurd op de slachtoffers [1 en 2].

Op grond van de hierboven samengevatte en in bijlage II opgenomen wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, is wettig en overtuigend bewezen dat elk van de verdachten het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven beeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, meermalen, althans eenmaal, met behulp van een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in en/of door het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, meermalen, althans eenmaal, met behulp van een of meer vuurwapen(s), een of meer kogel(s) in en/of door het been, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] hebben/heeft geschoten en/of meermalen in de richting van die [slachtoffer 2] hebben/heeft geschoten, terwijl het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 31 december 2018 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s) in de zin van de Vuurwapenverordening, waaronder een revolver (merk: Taurus, Model: CTC en van het kaliber: .38 Special) en/of meerdere hulzen (waaronder van het kaliber .38 Special), voorhanden heeft gehad;

Strafbaarheid van de feiten en kwalificatie van het bewezenverklaarde

De beide verdachten voeren aan dat zij uit noodweer hebben gehandeld.

Het beroep op noodweer (exces) door de verdachten

Ook de verdediging heeft een compilatie van camerabeelden gemaakt, een die meer beelden bevat van de aanloop naar het schietincident. De verdachte [1] heeft naar aanleiding van die beelden naar voren gebracht dat hij met medeverdachte [2] en wat vrienden en vriendinnen een avond was uit in de nachtclub ‘El Capitan.’ Daar werd hij opeens aangesproken door [slachtoffer 1] die hem verweet iets te maken te hebben met een dodelijk schietincident eerder die maand. Verdachte [1] reageerde verontwaardigd want hij beschouwde de man die bij dat incident omkwam als een goede vriend, en bovendien wilde hij, voor zijn eigen veiligheid, het gerucht uit de wereld hebben dat hij bij dat schietincident betrokken was. Er ontstond een twistgesprek in de nachtclub, waarbij verdachte [1] naar eigen zeggen voor het eerst die avond door [slachtoffer 1] met de dood werd bedreigd. De beide verdachten [1 en 2] lopen dan naar buiten, even later gevolgd door [slachtoffers 1 en 2]. Bij het naar buiten gaan wordt [verdachte 1] door een bewaker gewaarschuwd dat [slachtoffer 2] een kogelvrij vest draagt en een wapen heeft. Buiten escaleerde het gesprek verder. Slachtoffer [1] beloofde de beide verdachten dat zij de club die avond niet levend zouden verlaten, en als verdachte [1] met [slachtoffer 2] in gesprek is, ontdekt hij dat [slachtoffer 2] inderdaad een kogelwerend vest draagt. Op enig moment staan de beide verdachten tussen de slachtoffers [1 en 2] in. Verdachte [1] ziet dan dat [slachtoffer 1] een vuurwapen tevoorschijn haalt, en daarop trekken hij en zijn medeverdachte [2] hun eigen wapens en schieten, eerst op [slachtoffer 1] en daarna op de wegrennende [slachtoffer 2]. [Slachtoffer 2] lag gewond op de grond. Verdachte [1] pakte hem toen zijn wapen af en daarna ging hij er met medeverdachte [2] vandoor.

De verdediging heeft benadrukt dat de ernstige en herhaalde woordelijke bedreigingen aan het adres van beide verdachten een dreigend ogenblikkelijk gevaar voor hen opleverden waaraan zij zich niet konden onttrekken. Want waar zij ook heen gingen, steeds werden zij gevolgd door [slachtoffers 1 en 2]. Zij durfden niet in hun auto te stappen en weg te rijden, gezien de talloze voorbeelden van mensen op Sint Maarten die gezeten in hun auto zijn geliquideerd. Onbekenden hadden eerder de woning van verdachte [1] meermalen beschoten. Uit angst en voor hun persoonlijke bescherming droegen de beide verdachten vanaf dat moment een wapen. Vlak voor het fatale moment voelden de verdachten zich ingesloten tussen [slachtoffers 1 en 2]. Toen zij zagen dat [slachtoffer 1] een vuurwapen trok, hebben de verdachten in shock en blinde paniek de beide mannen neergeschoten.

Reactie van de officier van justitie op het beroep op noodweer (exces)

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachten niet één, maar twee keer met een alternatief scenario zijn gekomen, en dat roept vragen op. Hun eerste verklaring bij de politie bevatte onwaarheden en was kennelijk leugenachtig. De ter terechtzitting afgelegde verklaring is afgestemd op het dossier. Dat dossier biedt evenwel geen steun aan het relaas van de verdachten. Zo kan er niet worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] ten tijde van het incident een vuurwapen had. Hij was bovendien onder invloed en onvast ter been, en vormde in die staat geen bedreiging. Vast staat dat hij in zijn rug is geschoten, dat past niet bij een aanval waartegen de verdachten zich moesten verdedigen. En ook [slachtoffer 2] vormde voor de verdachten geen bedreiging: hij rende weg toen er op hem werd geschoten. Dat er sprake was van een noodweersituatie is dan ook niet aannemelijk geworden en het beroep op noodweer (exces) moet worden verworpen.

Beoordeling

Om het beroep van de verdachten op een straf- of schulduitsluitingsgrond te kunnen beoordelen, moet eerst worden vastgesteld wat er op de bewuste dag is gebeurd. Die vaststelling is niet eenvoudig, mede door toedoen van de verdachten die kennelijk bij de politie hebben gelogen en op de terechtzitting met een aangepast relaas komen, maar ook door toedoen van anderen die als getuige verklaringen hebben afgelegd die onmogelijk waar kunnen zijn.

Op basis van de beschikbare beelden kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] verdachte [1] opzoekt, eerst binnen in de nachtclub en daarna buiten op de parkeerplaats van de club. Hij zegt dingen waar verdachte [1] emotioneel op reageert. [Slachtoffer 1] lijkt niet bang of onder indruk van de veel forser gebouwde verdachte [1].

De verklaring van de verdachten dat het conflict ontstond toen verdachte [1] ervan werd beschuldigd dat hij betrokken was bij een eerder dodelijk schietincident, vindt onder meer bevestiging in de verklaring van [slachtoffer 2]. Het Gerecht neemt dat dan ook als vaststaand feit aan.

Dat er door [slachtoffer 1] doodsbedreigingen zijn geuit aan het adres van de verdachten is ook op de camerabeelden te zien: [slachtoffer 1] lijkt herhaaldelijk intimiderende schietbewegingen te maken met zijn hand in de richting van de verdachten. Verder staat vast dat [slachtoffer 2], die zich steeds in de buurt van de verdachten en [slachtoffer 1] bleef bevinden en zich duidelijk mengde in het conflict, op dat moment een kogelwerend vest droeg. Dat hij op dat moment een wapen droeg kan niet worden vastgesteld, maar kan evenmin worden uitgesloten. Uit de beelden en uit de verklaring van James volgt immers dat de bezoekers van de ‘El Capitan’ bij binnenkomst niet werden gefouilleerd.

Had [slachtoffer 1] in de nachtclub de beschikking over een pistool? Het openbaar ministerie achtte dat goed mogelijk en heeft daar dan ook onderzoek naar gedaan, ook al is op de plaats delict daarvoor geen aanwijzing gevonden. [Slachtoffer 2] had namelijk verklaard dat hij eerder die stapavond had gezien hoe [slachtoffer 1] met een pistool een schot in de lucht loste. Op weg naar de ‘El Capitan’ maakten [de slachtoffers 1 en 2] een tussenstop bij het huis van [slachtoffer 1] en omdat [slachtoffer 2] daarna het pistool niet meer had gezien, ging hij ervan uit [slachtoffer 1] ten tijde van het incident geen wapen droeg. Bij een zoeking in het huis van [slachtoffer 1] is evenwel geen vuurwapen aangetroffen. Aanwijzingen dat [slachtoffer 1] zijn wapen thuis heeft achtergelaten zijn er niet. De beelden waarop is vastgelegd hoe [slachtoffer 1] wordt neergeschoten zijn vaag, daarop zijn alleen schimmen te herkennen en geen details die uitsluitsel zouden kunnen geven. Het is dan ook aannemelijk dat het slachtoffer [slachtoffer 1] ten tijde van het incident nog steeds de beschikking over een vuurwapen had.

De verdachten verklaren dat [slachtoffer 1] een wapen tevoorschijn haalde, dat zij op dat moment vreesden voor hun levens, dat zij zich wilden verdedigen en toen uit angst en in blinde paniek hebben geschoten, eerst op [slachtoffer 1] en daarna op [slachtoffer 2]. Zelfverdediging kan het motief zijn geweest.

Als aan de verklaring van de verdachten voorbij wordt gegaan, rijst de vraag wat hen dan heeft bewogen om het vuur te openen op de beide slachtoffers. Op de camerabeelden is de lichaamstaal van de beide verdachten vlak voor het incident te zien. De verdachte [1] lijkt verbolgen en verontwaardigd te reageren op [slachtoffer 1], niet zozeer agressief. De verdachte [2] maakt een gespannen indruk. En dan worden er plotseling gedurende een kleine vier seconden vijftien schoten gelost. Waarom openen twee jonge mannen die maatschappelijk goed mee kunnen komen, ogenschijnlijk uit het niets het vuur op [de slachtoffers 1 en 2]? In een plotselinge heftige boosheid? En als dat zo zou zijn, waarom richt die drift zich dan ook op [slachtoffer 2], een persoon die op de beelden kalm overkomt en waarvan niemand beweert dat hij de boel heeft opgestookt die avond? Allemaal vragen die niet zijn beantwoord. Dat de verdachten in een plotselinge heftige boosheid tot hun daad zijn gekomen, is dan ook in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk. Een ander motief dan zelfverdediging is niet aangevoerd en ligt ook niet voor de hand.

Moet er dan worden uitgegaan van het door de verdachten aangevoerde scenario? Of staan daaraan contra-indicaties in de weg? Slachtoffer [1] is immers in de rug geschoten, en dat duidt er op het eerste gezicht niet op dat hij een aanvalshouding aannam. Op de beelden is te zien dat [slachtoffer 1] kort voordat de verdachten het vuur openen van de verdachten wegloopt. Er zijn geen aanwijzingen dat [slachtoffers 1 en 2] weten dat de verdachten bewapend zijn. Het is denkbaar dat [slachtoffer 1] zijn wapen tevoorschijn haalde voordat hij zich omdraaide in de richting van de verdachten, en dat de verdachten dat hebben gezien. Het enkele feit dat [slachtoffer 1] in de rug is geschoten staat dan ook niet in de weg aan het door de verdachten aangevoerde scenario. Aangevoerd is verder dat de slachtoffers [1 en 2] geen bedreiging zouden vormen voor de verdachten. [Slachtoffer 1] was onder invloed, de verdachten leken fysiek sterker dan de slachtoffers, de verdachten waren in gezelschap van vrienden, en bevonden zich bovendien in een nachtclub die eigendom was van [verdachte 1]’s oom. Al die omstandigheden nemen echter niet het gevaarzettende karakter weg van vuurwapens in bezit van [slachtoffers 1 en 2]. Ten slotte moet worden bedacht dat de leugen in de eerste verklaring van de verdachten er alleen in bestond dat zij niet met eigen wapens schoten, maar met wapens die zij van [slachtoffer 1] en een derde hadden afgepakt. Op de terechtzitting gaven zij toe hun eigen wapens te hebben gebruikt, verder is hun relaas steeds hetzelfde gebleven.

Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Gerecht tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die de verdachten aan hun beroep op noodweer (exces) ten grondslag hebben gelegd, aannemelijk zijn geworden. Dat de verdachten als eerste een wapen hebben getrokken, staat dan ook niet vast.

Het Gerecht stelt vast dat de verdachten zich hebben moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffers 1 en 2]. Op het moment waarop [slachtoffer 1] zijn wapen trok, stonden de verdachten tussen [slachtoffer 1] en de kogelwerende vest dragende [slachtoffer 2] in, en bestond er voor de verdachten geen zinvolle alternatieve verdedigingsmogelijkheid dan te schieten op [slachtoffer 1]. Onttrekken was niet mogelijk. De verdachten werden op hun weg naar buiten gevolgd door de slachtoffers [1 en 2], en van de verdachten kon niet worden gevergd dat zij tijdens die bedreigingen per auto zouden vertrekken, gelet op de eerdere schietincidenten waarbij slachtoffers achter het stuur van hun auto werden geliquideerd. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding maakte het noodzakelijk dat de verdachten doorgingen met zich te verdedigen door ook op de wegrennende [slachtoffer 2] te schieten. Daarbij moet worden bedacht dat het schietincident zich binnen seconden heeft voltrokken en dat de noodweersituatie pas voorbij was toen [slachtoffer 2] was ontwapend.

De slotsom is dat het beroep op noodweer slaagt en dat het bewezen vuurwapengeweld niet strafbaar is.

Het bewezenverklaarde verboden wapenbezit is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening, en wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van het gestelde in artikel 3 van de Vuurwapenverordening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachten uitsluiten.

De verdachten zijn daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachten, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het Gerecht neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachten hebben allebei een verboden vuurwapen meegenomen naar een nachtclub. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens levert groot gevaar op voor de gehele samenleving, en deze zaak illustreert dat het gebruik van die wapens kan leiden tot onherstelbaar leed bij slachtoffers en nabestaanden. Verboden vuurwapenbezit wordt dan ook op goede gronden fors bestraft. Extra ernstig is dat de verdachten het vuurwapen in het openbaar hebben gedragen, in de nachtelijke uren en op een voor het publiek toegankelijke (uitgaans-)gelegenheid. Daarop kan niet anders worden gereageerd dan met een langdurige vrijheidsstraf.

Een deel van de straf zal in voorwaardelijke zin worden opgelegd, om de verdachten ervan te weerhouden in de toekomst wederom een strafbaar feit te begaan.

Vordering benadeelde partij

Nu aan de verdachten ter zake van het vuurwapengeweld geen straf of maatregel is opgelegd, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, en 1:21 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde hebben begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachten meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hen daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat de verdachten ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

kwalificeert het onder 3 bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het onder 3 bewezen verklaarde in zoverre strafbaar en de verdachten daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachten tot een gevangenisstraf voor de 21 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachten voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachten zich voor het einde van een proeftijd, van 3 jaren aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Snitker, bijgestaan door

mr. L.J.M. Klop (zittingsgriffier), en op 11 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht Sint Maarten.

uitspraakgriffier: