Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:18

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
Lar 101/2019, SXM201901186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning is na twee jaar en vijf maanden na de huwelijksvoltrekking ingediend. De overschrijding van de termijn is in redelijkheid aan eiser tegengeworpen, aangezien de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden niet aannemelijk zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 1 april 2020

Zaaknummer: SXM201901186-LAR00101/2019

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. B.B. BROOKS,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.O. MULLER,

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 19 september 2019, waarbij verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen verweerders beschikking van 18 april 2018 inhoudende afwijzing aanvraag vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv), ongegrond heeft verklaard.

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Met een op 1 november 2019 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar).

2.2.

Op 9 december 2019 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.

2.3.

Op 17 februari 2020 heeft eiser aanvullende producties in het geding gebracht.

2.4.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 februari 2020. Eiser is bij gemachtigde voornoemd verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde.

2.5.

Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3 Feiten

3.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] te Dominicaanse Republiek. Eiser is met [echtgenote] op 14 augustus 2015 gehuwd in het Consulaat van de Dominicaanse Republiek op Sint Maarten. Dit huwelijk is geregistreerd in de registers van de Dominicaanse Republiek op 18 januari 2016.

3.2.

Niet in geschil is dat eiser zijn aanvraag bij verweerder op 4 januari 2018 heeft ingediend.

3.3.

Verweerder heeft de aanvraag bij beschikking van 18 april 2018 afgewezen. Daarbij heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

‘(…) Op grond van Richtlijnen van de Minister van Justitie van 2012, worden verzoeken voor gezinsvorming in behandeling genomen tot uiterlijk een jaar na het sluiten van een wettelijk erkend huwelijk of registratie bij de IND van een samenlevingsovereenkomst. (…) na het verstrijken van genoemde periode zal slechts op goede gronden afgeweken worden van dit beleid. Deze gronden dienen door de aanvrager deugdelijk te worden aangetoond.(…)’

3.4.

Bij brief van 28 mei 2018 heeft eiser pro-forma bezwaar ingediend tegen de afwijzende beschikking. Op 21 juni 2018 zijn de gronden van het bezwaar aangevuld. Op 23 mei 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt.

3.5.

Bij beschikking van 19 september 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het volgende overwogen:

‘(…) de vttv is niet aangevraagd binnen een jaar na de huwelijksvoltrekking; eiser heeft zich voorafgaand aan de indiening van de aanvraag gedurende in totaal circa 10 jaar schuldig gemaakt aan overtreding van de Ltu door al die tijd illegaal op het eiland te wonen en te werken; eisers echtgenote/garantsteller haalt het toepasselijke normbedrag niet. (…)’

4 Het geschil

4.1.

Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van de in deze beschikking te geven uitspraak.

4.2.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna zo nodig nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het Gerecht stelt vast dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat het middelenvereiste thans niet meer in geschil is. De garantsteller van eiser voldoet aan het inkomensvereiste.

5.2.

Eiser betoogt dat de omstandigheid dat hij onrechtmatig gewoond en gewerkt heeft op Sint Maarten in deze relevantie mist. Verweerder miskent dat het een eerste aanvraag betreft waarvoor eiser uitlandig moet zijn, hetgeen overduidelijk ook het geval is. Daarnaast dient eiser aan de vereisten voor de aanvraag te voldoen, hetgeen het geval is, aldus eiser.

5.3.

Het Gerecht overweegt dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van het indienen van de aanvraag uitlandig was en dat hij dat heden nog is. Zoals dit Gerecht eerder heeft overwogen kan het niet gepubliceerde beleid van verweerder inhoudende dat eerder onrechtmatig verblijf wordt tegengeworpen in analogie met het beleid inzake een inreisverbod bij ongewenstverklaring, geen stand houden. Eiser heeft immers geen appellabel besluit hieromtrent van verweerder ontvangen. Nu dit beleid wettelijke grondslag mist heeft verweerder ten onrechte in de bestreden beschikking het eerdere onrechtmatige verblijf van eiser aan hem tegengeworpen. Het Gerecht is echter van oordeel dat dit niet kan leiden tot een gegrond beroep omdat de hierna besproken afwijzingsgrond wel stand kan houden.

5.4.

Ingevolge paragraaf 4.1 van de Richtlijnen dient de vttv aangevraagd te worden binnen een jaar na de huwelijksvoltrekking. Indien de aanvraag na het verstrijken van een jaar wordt ingediend wordt slechts in bijzondere omstandigheden afgeweken van dit beleid. Het Gerecht acht dit beleid niet onredelijk.

5.5.

Het Gerecht stelt vast dat de huwelijksvoltrekking op 14 augustus 2015 heeft plaatsgevonden. Het huwelijk is geregistreerd op 18 januari 2016. De aanvraag voor de vttv is op 4 januari 2018 ingediend, twee jaar en vijf maanden na de huwelijksvoltrekking. Op grond van het voorgaande concludeert het Gerecht dat de aanvraag niet binnen het door verweerder gehanteerde jaar is ingediend. Vervolgens is het de vraag of de overschrijding van deze termijn door eiser het gevolg is van bijzondere omstandigheden en dat eiser deze omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend. Eiser heeft slechts gesteld dat het niet eenvoudig is geweest en tijd heeft gekost om de vereiste documenten aan te vragen en/of te laten registreren. Het Gerecht acht dit onvoldoende om van bijzondere omstandigheden te kunnen uitgaan. Eiser heeft immers een en ander niet nader onderbouwd. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder de overschrijding van de termijn in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. De beroepsgrond van eiser hieromtrent faalt.

5.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6.De beslissing

Het Gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 1 april 2020.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.