Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:115

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
SXM202000873
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Vergoeding voor aanvullende werkzaamheden. Onjuiste inschaling docente; geen discretionaire bevoegdheid om af te wijken van voorgeschreven schalen. Nadere aktewisseling m.b.t daardoor geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202000873

Tussenbeschikking d.d. 16 december 2020

inzake

[Werkneemster],
wonende in Sint Maarten,
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.R. BOMMEL,


tegen

[Werkgeefster],
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,
gemachtigde: mr. C.J. KOSTER,


Partijen zullen hierna [werkneemster] en [werkgeefster] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1. [

Werkneemster] heeft op 16 september 2020 een verzoekschrift met producties ingediend. [Werkgeefster] heeft op 3 november 2020 een verweerschrift met producties ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 november 2020 hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen en hebben partijen nadere toelichting gegeven. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

Werkgeefster] is de overkoepelende stichting van twee scholen voor voortgezet onderwijs in Sint Maarten.

2.2. [

Werkneemster] is met ingang van 1 augustus 2017 voor de duur van een jaar parttime in dienst getreden bij [werkgeefster] als ‘Social Studies Teacher’ (hierna: docent). De akte van benoeming vermeldt als bezoldiging bij een fulltime betrekking “NAf 5.704,00 conform het Bezoldigingsregeling Onderwijs (…) als VSBO Docent B schaal 8T17”.

2.3

Per 1 augustus 2018 is [werkneemster] fulltime aangesteld als ‘Caribbean Examinations Council Student Care Coordinator’ (hierna: coördinator). Volgens de aanstellingsbrief van 18 juni 2018 geldt de aanstelling voor een jaar en ontvangt zij een bezoldiging van NAf 5.826,00, schaal 8, trede 18, en een toelage van NAf 500,00 per maand.

2.4.

In het schooljaar 2018-2019 heeft [werkneemster] naast het coördinatorschap negen lesuren per week Social Studies verzorgd. In december 2018 heeft [werkneemster] verzocht om betaling van die lesuren. [Werkgeefster] heeft hier - uiteindelijk - afwijzend op gereageerd.

2.5.

Op 26 augustus 2019 heeft [werkgeefster] aan [werkneemster] geschreven dat met het oog op een aanstaande reorganisatie van [werkgeefster] haar aanstelling als coördinator met een jaar zou worden verlengd onder dezelfde financiële voorwaarden. In het schooljaar 2019-2020 hoefde zij geen les meer te geven.

2.6.

De vakbond Windward Islands Teachers heeft op 12 december 2019 aan [werkgeefster] geschreven dat [werkneemster] recht heeft op uitbetaling van de negen lesuren en daarnaast op correctie van haar salaris met terugwerkende kracht omdat zij ten onrechte is ingeschaald in schaal 8 in plaats van schaal 11.

2.7.

Bij brief van 19 maart 2020 heeft [werkgeefster] aan [werkneemster] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat daarmee het dienstverband eindigt per 1 augustus 2020.

3 Het geschil

3.1. [

Werkneemster] verzoekt – na correctie - dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, [werkgeefster] veroordeelt tot:

  1. vergoeding van achterstallig salaris bestaande uit negen uren (over)werk per week vanaf 1 augustus 2018 tot en met 31 juli 2019, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019;

  2. betaling van het verschil tussen de aan [werkneemster] toekomende bezoldiging en hetgeen reeds is betaald, althans het verschil tussen hetgeen haar toekomt conform de functielijst en functiebeschrijvingen VSBO voor de functies van respectievelijk ‘Social Studies teacher’ (Docent B) en ‘Student Care Coordinator’ en hetgeen reeds is betaald voor de periode van 2017 tot en met 2020, alles te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf augustus 2019;

  3. betaling van de vakantietoelagen en overige toelagen conform de te bepalen juiste bezoldiging, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

  4. betaling ten titel van schadevergoeding een bedrag gelijk aan salaris voor de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2021 althans een redelijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2020;

  5. betaling van NAf 2.250,00 aan buitengerechtelijke kosten, althans een te bepalen redelijk bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  6. betaling van de proceskosten, waaronder nakosten, met de wettelijke rente.

3.2. [

Werkgeefster] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van [werkneemster] ziet kort gezegd op drie onderdelen: i) vergoeding van lesuren, ii) onjuiste inschaling, en iii) beëindiging van het dienstverband.

Lesuren

4.2. [

Werkneemster] stelt dat zij naast haar werk als coördinator ook nog negen uur per week heeft lesgegeven zonder dat zij daarvoor is betaald. Tijdens het sollicitatiegesprek voor het coördinatorschap op 6 juni 2018 heeft [werkneemster] weliswaar aangegeven bereid te zijn om les te geven zolang er geen andere docent beschikbaar was, maar zijn de details daarvan niet besproken. Pas later bleek het te gaan om negen lesuren per week, bovenop de 40 uur als coördinator. Voor die (over)uren moet zij uitbetaald worden, aldus [werkneemster].

4.3. [

Werkgeefster] weerspreekt dat [werkneemster] aanspraak kan maken op vergoeding van de lesuren. Toen [werkneemster] de arbeidsovereenkomst ondertekende, wist zij dat zij negen uren moest lesgeven; dit was tijdens het sollicitatiegesprek expliciet besproken. Die lesuren pasten in haar takenpakket omdat de afdeling die zij ging coördineren maar weinig studenten had. Van overwerk kan volgens [werkgeefster] dus al geen sprake zijn, terwijl er ook geen wettelijke of contractuele basis bestaat voor betaling daarvan.

4.4.

Het Gerecht overweegt als volgt. Partijen hebben andere herinneringen aan hetgeen tijdens het sollicitatiegesprek op 6 juni 2018 is besproken over de lesuren die [werkneemster] op zich heeft genomen. Van dit sollicitatiegesprek is geen verslag opgesteld. Er is ook geen correspondentie beschikbaar van rond die tijd waaruit kan worden opgemaakt wat daarover precies is afgesproken. Het enige wat op schrift is gesteld, is de aanstellingsbrief van 18 juni 2018. Hierin wordt melding gemaakt van door [werkneemster] te verrichten voltijds werkzaamheden als coördinator en de daarvoor door haar te ontvangen vergoeding. Dat haar takenpakket als coördinator - en dus binnen die genoemde vergoeding - ook een aantal uren als docent zou omvatten, volgt daar niet uit. Het had evenwel voor de hand gelegen om zo’n afspraak in de aanstellingsbrief vast te leggen, of in ieder geval om daarin op te nemen dat met [werkneemster] is besproken dat zij zou lesgeven en dat de details daarvan nog worden bepaald, om die vervolgens in een nader document uit te werken. Van een werkgever mag immers worden verlangd dat hij afspraken omtrent arbeidsvoorwaarden duidelijk en schriftelijk vastlegt. Het Gerecht gaat er daarom niet vanuit dat is overeengekomen dat het docentschap van [werkneemster] zou vallen binnen haar taakvervulling als coördinator, maar in aanvulling daarop. Daaruit volgt dan ook dat het salaris in beginsel ziet op (alleen) haar werk als coördinator en dat [werkneemster] aanspraak kan maken op vergoeding voor die extra taak. Daarvoor bestaat wel degelijk een wettelijke basis, namelijk artikel 7A:1613a BW; [werkneemster] heeft op verzoek van [werkgeefster] (ook) als docent gewerkt zodat daarvoor moet worden betaald. Zelfs al zouden partijen hierover niets hebben afgesproken, dan geldt dat dit werk als docent moet worden betaald omdat dit voortvloeit uit de arbeidsverhouding die tussen partijen tot stand is gekomen. Er is immers geen goede reden aan te wijzen waarom een werknemer, naast het overeengekomen werk, ook nog gratis een andere functie zou moeten uitoefenen. Uit het overzicht van de werkuren van [werkneemster] blijkt voldoende dat zij per week voor haar taak als docent daadwerkelijk negen uren heeft gewerkt. Daarbij heeft [werkgeefster] er op gewezen dat een lesuur niet 60, maar 45 minuten bevat. Dit volgt ook uit de tijden genoemd in het overzicht van [werkneemster], zodat daarbij wordt aangesloten. Dat [werkgeefster] betwist dat het coördinatorschap niet de volle 40 uur zou benodigen, is niet relevant. [werkneemster] is immers aangenomen voor 40 uur in de week als coördinator.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde vergoeding van achterstallig salaris voor negen lesuren, zijnde zes klokuren en 45 klokminuten, per week voor het schooljaar 2018-2019 toewijsbaar zijn. Ook de wettelijke verhogingen daarover, zij het gemaximeerd op 10%, en de wettelijke rente komen voor toewijzing in aanmerking, vanaf de dag van opeisbaarheid van de afzonderlijke loontermijnen.

Inschaling

4.6. [

Werkneemster] stelt vervolgens dat zij onjuist – namelijk te laag - is ingeschaald. Als docent had zij moeten worden ingeschaald in schaal 9, trede 12 in plaats van schaal 8, trede 17; als coördinator hoorde zij in schaal 10, trede 8 in plaats van schaal 8, trede 18.

4.7. [

Werkgeefster] stelt zich op het standpunt dat [werkneemster] steeds zelf akkoord is gegaan met de inschaling door de arbeidsovereenkomsten te ondertekenen. [Werkneemster] werd ingeschaald op schaal 8, trede 17 omdat zij weinig relevante werkervaring had en [werkgeefster] startende docenten altijd lager plaatst, in schaal 8, trede 14. De werkgever heeft bij de inschaling discretionaire ruimte. Bovendien heeft [werkneemster] haar rechten verwerkt door pas na 1,5 jaar te klagen en is zij helemaal niet financieel benadeeld, aldus [werkgeefster].

4.8.

Het toepasselijke Bezoldigingslandsbesluit onderwijs (hierna: Landsbesluit) bepaalt dat het salaris van onderwijspersoneel wordt vastgesteld overeenkomstig de functiewaardering van de betreffende functie volgens het functieboek onderwijs, waarin per functie wordt vermeld welke schaal van toepassing is. In Bijlage A bij de Bezoldigingsregeling ambtenaren, die op de voet van artikel 2 lid 2 Landsbesluit van overeenkomstige toepassing is, kan vervolgens worden afgelezen welke bezoldiging is gekoppeld aan welke schaal en trede.

4.9.

Allereerst wordt vastgesteld dat [werkneemster] niet in de juiste schaal is geplaatst. Het functieboek vermeldt dat bij de functie ‘Docent B’ schaal 9 hoort en bij de functie ‘Student Care Coördinator’ schaal 10. Inschaling in schaal 8, voor beide functies, is dus te laag. Voor zover [werkgeefster] meent dat zij discretionaire bevoegdheid heeft om daarvan af te wijken, geldt dat in ieder geval niet voor voornoemde inschaling die volgt uit het functieboek zoals voorgeschreven door het Landsbesluit. Artikel 4 Landsbesluit bepaalt dat daarvan wel in specifieke gevallen kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als niet wordt voldaan aan de functievereisten, maar niet gesteld of gebleken is dat van zo’n geval sprake is. In dat kader heeft [werkgeefster] in haar verweerschrift (nr. 37) zélf vastgesteld dat [werkneemster] “een punt” heeft dat zij als docent in schaal 9 zou vallen. Dat [werkgeefster] het tot haar gebruik heeft gemaakt om starters in schaal 8 te plaatsen, kan dat niet anders maken. Als uitgangspunt geldt immers dat een werknemer dient te worden beloond in overeenstemming met de salarisschaal die behoort bij de functie die de werknemer verricht en die wettelijk is voorgeschreven.

4.10.

Het functieboek schrijft niet voor in welke trede een werknemer wordt ingedeeld. Artikel 3 lid 2 Landsbesluit bepaalt dat hierbij rekening wordt gehouden met de bevoegdheden en bewijzen van bekwaamheid en de werkervaring en het werkniveau van de werknemer. De trede is dus afhankelijk van verschillende factoren en daarover kunnen werkgever en werknemer nadere afspraken maken (onderhandelen). De trede is in die zin meer flexibel van aard. Daarmee staat dus niet vooraf vast in welke trede van schaal 9 [werkneemster] had moeten worden – of beter gezegd: zou zijn - geplaatst. Voor de beoordeling in dit specifieke geval komt het er dan op aan of [werkneemster] als gevolg van de onjuiste indeling door [werkgeefster] feitelijk is benadeeld en of [werkgeefster] in dat geval heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap.

4.11.

Het salaris behorende bij schaal 9 varieert tussen NAf 4.365,00 bij trede 1 en NAf 6.809,00 bij trede 20. [werkneemster] stelt dat zij als docent zou zijn geplaatst in trede 12, omdat het daarvoor geldende salaris (NAf 5.780,00) het meest dichtbij het haar toegekende salaris ligt (Naf 5.704,00 bij schaal 8, trede 17). [Werkgeefster] heeft naar voren gebracht dat zij in schaal 9 zou vallen in trede 11, met een salaris van NAf 5.652,00. Het Gerecht constateert dat het salaris dat [werkneemster] als docent is toegekend, NAf 5.704,00 bij schaal 8, trede 17, (ruim) valt binnen de reikwijdte van schaal 9. Bovendien komt het toegekende salaris op zichzelf niet onredelijk voor, hetgeen [werkneemster] overigens ook niet naar voren heeft gebracht. Dit leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld dat [werkneemster] door de onjuiste inschaling als docent financieel is benadeeld.

4.12.

Het salaris behorende bij schaal 10, waarin [werkneemster] hoorde als coördinator, beloopt van NAf 5.092,00 in trede 1 tot NAf 7.627,00 in trede 20. In ieder geval zou [werkneemster] moeten zijn geplaatst een trede boven het salaris dat zij zou ontvangen als docent in schaal 9, gelet op artikel 6 van het Landsbesluit. Het salaris dat zij feitelijk ontving, bedroeg NAf 5.826,00 (schaal 8, trede 18) met aanvullend een maandelijkse toelage van NAf 500,00. Volgens [werkneemster] moet die toelage los worden gezien van het salaris volgens de inschaling, omdat alle medewerkers zo’n toelage ontvangen. [Werkgeefster]heeft dat ter zitting betwist en toegelicht dat zij haar werknemers bij een promotie niet meteen een schaal hoger plaatst, maar zo’n toelage toekent zodat het salaris wel op het juiste niveau uitkomt. Deze praktijk is gebaseerd op een regeling of in ieder geval op een gebruik binnen [werkgeefster]. Normaal wordt de werknemer na een jaar wel hoger ingeschaald, maar in dit geval is de constructie nog een jaar gehandhaafd in verband met de reorganisatie, aldus [werkgeefster].

4.13.

Voor de vraag of [werkneemster] door de onjuiste inschaling is benadeeld, moet eerst worden vastgesteld of de toelage van NAf 500,00 moet worden gerekend tot haar salaris, zoals [werkgeefster] stelt, of als aanvullende beloning die alle medewerkers ontvingen, zoals [werkneemster] meent. In dat laatste geval staat de toelage immers los van de tredeindeling, en heeft [werkneemster] minder salaris ontvangen dan waar zij ten minste recht op heeft. Als zij als docent juist zou zijn ingeschaald in schaal 9, trede 11 of 12 zou vervolgens een salaris als coördinator in schaal 10, trede 7 of 8 gelden; in beide gevallen is dat een hoger salaris dan de NAf 5.826,00 die zij ontving. Partijen hebben over de status van de toelage alleen tegenovergestelde stellingen naar voren gebracht en geen bewijsstukken overgelegd, zodat het Gerecht thans over onvoldoende informatie beschikt om hierover te kunnen oordelen. Het Gerecht zal daarom [werkgeefster] opdragen om bij nadere akte de regeling waarnaar zij ter zitting leek te verwijzen en die ten grondslag ligt aan de toelage in het geding te brengen. Ook dient [werkgeefster] (geanonimiseerde) salarisstroken van haar werknemers uit de betreffende jaren over te leggen, zodat kan worden vastgesteld of de toelage werd betaald aan alle werknemers of alleen aan [werkneemster], althans alleen aan de personen die werden gepromoveerd en wachtten op hogere inschaling. De salarisstroken dienen te zien op betalingen over de maanden december 2018 en juni 2020 aan de personen die destijds werkzaam waren als docent en/of coördinator.

4.14.

In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Beëindiging arbeidsovereenkomst

4.14.

Vooruitlopend op de verdere beslissing, overweegt het Gerecht het volgende ten aanzien van het derde onderdeel van de vordering, dat ziet op de beëindiging van het dienstverband. [Werkneemster] meent dat [werkgeefster] in strijd heeft gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst op te zeggen, althans door die niet te verlengen. [werkneemster] heeft steeds goed gefunctioneerd en wordt door [werkgeefster] ‘gestraft’ omdat zij is opgekomen voor haar rechten. Hierdoor lijdt [werkneemster] schade, waarvoor zij [werkgeefster] aansprakelijk houdt.

4.15.

Hierin kan [werkneemster] niet worden gevolgd. Het Gerecht ziet in de brief van 19 maart 2020 geen opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar een mededeling dat deze niet zal worden verlengd waardoor het dienstverband van rechtswege eindigt. Daarbij is geen sprake van een verlengingsplicht; aan een overeenkomst voor bepaalde tijd is nu eenmaal inherent dat deze op het overeengekomen moment eindigt. Er is ook geen sprake van een situatie waarin de arbeidsovereenkomst is verlengd op grond van artikel 7A:1615fa van het Burgerlijk Wetboek en dat is overigens ook niet gesteld door [werkneemster]. Dat [werkneemster] door [werkgeefster] werd gestraft of gediscrimineerd, is niet gebleken. Bovendien is [werkneemster] per 1 september 2020 bij een ander onderwijsinstituut in dienst getreden, zodat evenmin is gebleken dat zij schade heeft geleden door de beëindiging van het dienstverband bij [werkgeefster]. De gevorderde schadevergoeding kan daarom niet worden toegewezen.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 13 januari 2021 voor het nemen van een akte door [werkgeefster] zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.13, waarna [werkneemster] in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en op 16 december 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting.