Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:113

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
SXM202000968
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vraag of arbeidsovereenkomst is voortgezet na ommekomst bepaalde duur. Rol van lock down waardoor medewerkers niet konden werken. Andere omstandigheden. Beroep op Calamity and Occurence Provision door de werkgever afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202000968

Beschikking d.d. 16 december 2020 (bij vervroeging)

inzake

[de werknemer],
wonende in Sint Maarten,
verzoeker,

hierna: de werknemer,
gemachtigde: mr. N.C. DE LA ROSA,


tegen

de naamloze vennootschap
[de werkgever],
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,

hierna: de werkgever,
gemachtigde: mr. F.N. JANSEN en mr. M.M. REMMELTS.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties, ontvangen op 9 oktober 2020,

  2. verweerschrift met producties,

  3. aanvullende producties (2 sets) van de werknemer,

  4. pleitnota van de werknemer,

  5. pleitnota van de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2020 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De werknemer is op 7 oktober 2019 in dienst getreden als ‘Bellman’ bij een door de werkgever geëxploiteerd hotel. De schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden en vermeldt als einddatum 6 april 2020. Het brutosalaris bedraagt NAf. 72,00 per dag.

2.2.

Bij brief gedateerd 25 maart 2020 heeft de werkgever aan de werknemer geschreven dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 6 april 2020 en niet zal worden verlengd. Deze brief is door de werknemer bij whatsappbericht op 12 mei 2020 ontvangen.

2.3.

Op 24 juni 2020 heeft de werknemer een klacht hierover ingediend bij de Labour Office. Bij brief van 30 september 2020 is de werkgever namens de werknemer gesommeerd om aan hem salaris te betalen over de periode vanaf 12 mei 2020. Aan die sommatie heeft de werkgever geen gehoor gegeven.

2.4.

Tussen 5 april 2020 en 11 mei 2020 is het hotel van de werkgever grotendeels gesloten geweest vanwege de noodtoestand die op Sint Maarten was afgekondigd in het kader van de bestrijding van de COVID-19-pandemie (hierna: de lockdown periode).

3 Het geschil

3.1.

De werknemer verzoekt dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de werknemer gratis admissie verleent;

  2. voor recht verklaart dat de werkgever grovelijk tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens de werknemer voortvloeiende uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en dat de werkgever op grond van deze wanprestatie jegens de werknemer schadeplichtig is;

  3. de werkgever te veroordelen om aan de werknemer te betalen het verschil tussen de uitbetaalde lonen en de verschuldigde lonen over de periode van 1 maart 2020 tot en met 11 mei 2020, vermeerderd met 50% vertragingsrente en de wettelijke rente vanaf de datum der verschuldigdheid tot en met de dag der algehele voldoening;

  4. voor recht verklaart dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk en onregelmatig heeft beëindigd en aldus schadeplichtig jegens de werknemer is;

  5. de werkgever veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van USD 4.500,00 in verband met dat kennelijk onredelijk en onregelmatig ontslag;

  6. de werkgever veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

De werkgever verzoekt het Gerecht om de vorderingen van de werknemer af te wijzen en hem, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, in de proceskosten te veroordelen.

3.3.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen twisten over de vraag of de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet na 6 april 2020.

4.2.

Artikel 7A:1615f lid 1 BW luidt als volgt: “Indien de dienstbetrekking na het verstrijken van de tijd (…) door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden weer te zijn aangegaan.”

4.3.

De werknemer stelt dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet na 6 april 2020. Het volgende wordt overwogen. Partijen zijn het erover eens zijn dat de brief van 25 maart 2020 voor het eerst pas op 12 mei 2020 aan de werknemer ter kennis is gebracht. Ook zijn zij het erover eens dat voor 6 april 2020 de werkgever niet met de werknemer heeft besproken of de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd of niet. En dat hij na 6 april 2020 niet heeft gewerkt. Daarom komt het aan op andere gedragingen waaruit kan worden afgeleid of de arbeidsovereenkomst na 6 april 2020 is voortgezet (zie HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 564). Als dergelijke gedragingen er niet zijn dan is de arbeidsovereenkomst op 6 april 2020 van rechtswege tot een einde gekomen en moeten de vorderingen die de werknemer instelt over de periode na 6 april 2020 worden afgewezen. Het Gerecht neemt de standpunten van partijen daarover als volgt door.

4.4.

De werknemer wijst in dit verband op het volgende. Gedurende de lockdown periode was hij onderdeel gemaakt door management van een whatsappgroep waarin de werknemers op de hoogte werden gebracht van de ontwikkelingen binnen het hotel en de mogelijke hervatting van de werkzaamheden. Hij heeft werkroosters, met zijn naam erop, ontvangen over de periodes 1 april 2020 tot en met 15 april 2020 en 1 mei tot en met 15 mei. Dat laatste rooster is op 12 mei 2020 aan hem toegezonden. Op 7 tot en met 10 april en op 14 april zou hij moeten werken. Hij stond ingeroosterd om het werk op 14 mei 2020 te hervatten. Na 6 april 2020 is het salaris van de werknemer doorbetaald, zij het minder dan gebruikelijk omdat de werkgever een, overigens niet toelaatbare, eenzijdige reductie van het loon had toegepast. Toen de werkgever de doorbetaling opmerkte, omdat de werknemer navraag ging doen naar de hoogte van de uitbetaalde loonbedragen, heeft zij achteraf salarisstroken aangemaakt en de uitbetaalde bedragen toegerekend aan de periode van vóór 6 april 2020. De brief van 25 maart 2020 is geantedateerd en later aan hem toegezonden met dezelfde reden.

4.5.

De werkgever voert aan dat de werknemer abusievelijk was ingeroosterd. Het rooster is opgesteld door de front office supervisor die niet bekend was met de precieze datum van het einde van de arbeidsovereenkomst. Door de lockdown periode was de communicatie moeilijk. Pas op 12 mei 2020 heeft de werknemer het rooster ontvangen en dat was grotendeels na de data waarop hij stond ingeroosterd.

4.6.

Overwogen wordt dat de lockdown periode tot gevolg had dat er feitelijk door geen of maar heel weinig van de werknemers in het hotel kon worden gewerkt. Daarom is het, zoals gezegd, nodig te onderzoeken of er andere aanwijzingen zijn dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voorgezet.. Dat er een lockdown was afgekondigd, waardoor er sowieso niet kon worden gewerkt, mag namelijk niet voor risico van de werknemer komen omdat daarmee de door voormeld wetsartikel beoogde bescherming van de werknemer teniet zou worden gedaan. Met de werknemer is het Gerecht van oordeel dat uit de werkroosters volgt dat hij ervan uit mocht gaan dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet. Er is immers geen goede reden denkbaar waarom de werknemer hierop anders zou voorkomen. Dat de supervisor niet bekend was met de precieze datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst doet niet terzake. De werknemer mag ervan uitgaan dat zijn leidinggevende beschikt over de correcte informatie. Daarbij komt dat de werkgever probleemloos ruim voor de lockdown periode de brief van 25 maart 2020 aan de werknemer had kunnen overhandigen, e-mailen of whatsappen, maar dat heeft nagelaten zonder daar een goede uitleg voor te geven. Tot slot acht het Gerecht van belang dat de werkgever er niet voor heeft gezorgd dat de werknemer tijdig, vóór 6 april 2020, een eindafrekening heeft ontvangen maar dat er na 6 april 2020 nog verschillende betalingen zijn gedaan waarvan de werknemer redelijkerwijze mocht begrijpen dat deze betrekking hadden op de periode na 6 april 2020, temeer omdat pas een tijd later de salarisstroken volgden.

4.7.

Dat betekent in principe dat de arbeidsovereenkomst voor nog eens zes maanden voortduurt. Uit de brief namens de werknemer van 30 september 2020, en uit de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag, volgt echter volgt dat hij van mening is dat de op 12 mei 2020 ontvangen brief van de werkgever een opzegging impliceert van de verlengde arbeidsovereenkomst. Daar is het Gerecht het niet mee eens. Uit de tekst volgt dat de werkgever toen niet meer of minder beoogde dan duidelijk te maken dat volgens haar de arbeidsovereenkomst eerder van rechtswege was geëindigd. Geenszins kan daarin een opzegging van de verlengde arbeidsovereenkomst worden gelezen. Daarmee strandt de vordering van de werknemer wegens kennelijk onredelijke opzegging. De gevorderde verklaring onder 4 wordt dan ook afgewezen.

4.8.

Het Gerecht gaat ervan uit dat de werknemer beoogt te stellen dat hij berust in het einde van de arbeidsovereenkomst per 6 april 2020 maar dat hij schadevergoeding wenst te ontvangen voor de misgelopen zes maanden verlenging. Dat valt te begrijpen uit vordering 2 zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven waaruit blijkt dat de werknemer zich beroept op de toerekenbare tekortkoming van de werkgever bestaande uit het in strijd met de wet niet doorbetalen en weder te werk stellen van de werknemer.

4.9.

Overwogen wordt dat de werkgever inderdaad jegens de werknemer toerekenbaar tekort is geschoten door hem niet weder te werk te stellen en hem het loon niet door te betalen. De werknemer heeft hierover tijdig geklaagd door op 24 juni 2020 een klacht bij de Labour Office in te dienen. Dat betekent dat de werkgever gehouden is de door hem ondervonden schade te vergoeden. Duidelijk is dat er schade is omdat onweersproken vaststaat dat na 6 april 2020 de werknemer geen alternatief werk heeft gevonden. Het Gerecht ziet geen redenen tot matiging, alleen al omdat de werkgever hierop geen beroep heeft gedaan. Dit betekent dat de schadevergoeding kan worden toegewezen evenals de gevorderde verklaring voor recht, zij het enigszins aangepast. Het Gerecht noteert dat geen wettelijke rente over de schadevergoeding is gevorderd.

4.10.

Wat betreft de loonvordering over de periode 1 maart 2020 tot en met 11 mei 2020 geldt het volgende. Gelet op wat hiervoor is overwogen gaat het om de loonperiode 1 maart 2020 tot 6 april 2020. De periode daarna valt onder de toegewezen schadevergoeding. De werkgever stelt dat zij minder loon heeft betaald en dat ook mocht doen op basis van de Calamity and Occurence Provision in de arbeidsovereenkomst. Daarin is vermeld dat de werkgever de werkdagen tot 3 per week mag terugbrengen in geval van, kort gezegd, rampen die de bedrijfsvoering van de werkgever ernstig hinderen. De werknemer stelt dat dit een ontoelaatbaar beding is en dus niet mag worden toegepast.

4.11.

Het Gerecht overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de werknemer door de werkgever op de hoogte is gesteld dat dit beding zou worden toegepast en wat de consequenties daarvan zouden zijn. Dat had wel gemoeten omdat, wil de werkgever dit beding kunnen toepassen, dat dan wel moet worden medegedeeld aan de werknemer die daar immers de financiële consequenties van zal ondervinden. Nu de werkgever dat niet heeft gedaan mocht de werknemer ervan uitgaan dat de werkgever hem zijn volledige salaris zou betalen. Daarom zal het Gerecht de loonvordering over de periode 1 maart 2020 tot 6 april 2020 volledig toewijzen, zij het onder aftrek van de over deze periode reeds betaalde bedragen. De wettelijke verhogingen worden hierover toegewezen, zij het gematigd tot 10% zoals het Gerecht in zijn beslissingen doorgaans doet.

4.12.

Omdat het Gerecht de loonvordering over een beperkte periode toewijst moet de schadevergoeding hoger zijn dan de gevorderde USD 4.500,00 (berekend als USD 900,00 netto per maand). Het Gerecht zal USD 5.400,00 netto toewijzen.

4.13.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

verleent aan de werknemer gratis admissie,

verklaart voor recht dat de werkgever jegens de werknemer toerekenbaar tekort is geschoten door hem niet te werk te stellen en het overeengekomen loon niet aan hem te betalen,

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer het volledige salaris over de periode 1 maart 2020 tot 6 april 2020 uit te betalen, onder aftrek van de reeds betaalde bedragen, met toekenning van de tot 10% gemaximeerde wettelijke verhogingen alsmede de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldata van de respectievelijke loontermijnen tot aan de dag van algehele betaling,

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een schadevergoeding te betalen van netto USD 5.400,00,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 16 december 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.