Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:112

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
SXM202000802
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Verzoek tot ontbinding geweigerd. Dringende reden noch

veranderde omstandigheden zijn komen vast te staan. Loonreductie in verband met COVID-

pandemie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202000802

Beschikking d.d. 25 september 2020

inzake

de besloten vennootschap

[de werkgever]

gevestigd in Sint Maarten,

verzoekster,

verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

hierna: de werkgever,

gemachtigde: mr. G. HATZMANN

tegen

[de werknemer],

wonende in Sint Maarten,

verweerder,

zelfstandig verzoeker,

hierna: de werknemer,

gemachtigde: mr. J.J. ROGERS.

1 Het verloop van de procedures

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties, ontvangen op 28 augustus 2020,

  2. verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de werknemer met productie,

  3. addendum tevens houdende verweerschrift inzake zelfstandig (voorwaardelijk) tegenverzoeken van de werkgever met producties.

1.2.

De werknemer heeft eerder een kort geding aanhangig gemaakt. Daarvan heeft de mondelinge behandeling ten overstaan van dezelfde rechter plaatsgevonden op 11 september 2020 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. Daarin wordt vandaag ook uitspraak gedaan.

1.3.

Gemachtigden hebben per e-mail aan de rechter bevestigd dat zij geen prijs stellen op een mondelinge behandeling in de onderhavige procedure. Zij geven te kennen dat alles reeds aan de orde is gekomen in het kader van het kort geding. Het Gerecht heeft daarmee ingestemd.

1.4.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

De werknemer is sinds 1 november 2012 in loondienst werkzaam tegen een salaris van respectievelijk NAf. 3.650,00 bruto per maand. De werkgever houdt zich bezig met “air ground handling” op de luchthaven van Sint Maarten. De werknemer is werkzaam als service agent.

2.2.

Op 25 mei 2020 heeft de werknemer een overeenkomst ondertekend. Daarin is hij akkoord gegaan met een fikse vermindering van het primaire loon (20%) en het vakantiegeld (50%). De reden voor de reductie zijn de gevolgen van de COVID-pandemie. De ingehouden bedragen zullen later alsnog worden betaald als er betere tijden aanbreken.

2.3.

Bij brieven van 16 juni 2020 is de werknemer op staande voet ontslagen en wel voor de volgende redenen:

“On Tuesday June 16th, 2020 at 11:30 hrs, the [werkgever]’s main operations office was left unattended. Similarly, one company vehicle, registered with license plate P-….., was absent and was parked at Subway restaurant, Simpson Bay. At 12:06hrs, you returned to the airside with the company vehicle in question and carrying a subway meal/drink. Furthermore, in an office memo issued Wednesday March 28, 2020, all employees were advised that “Suburbans are to be kept parked, and only used when handling a flight”. Per your work agreement, paragraph 7.1: The employee is not authorized to leave the workplace during working hours for personal reasons at any time, without the written permission thereto from the employer.

It is the responsibility of the customer service representative to ensure coverage at the reception desk/FBO Concierge and office areas. Email and telephony correspondence, coverage in the FBO and assisting potential “pop-up” flights constitute significant aspects of the company’s business activities. Your gross neglect in performing these functions breaches your duties as stated in your employment agreement (Section 2, para. 2-1: The employee shall have the position of customer service agent…. and shall perform all the work required thereto).”

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van de werkgever ziet erop dat het Gerecht bij beschikking de arbeidsovereenkomst, voor zover die nog bestaat, onmiddellijk dan wel zo snel mogelijk, ontbindt wegens een dringende reden dan wel op grond van gewijzigde omstandigheden, met veroordeling van de werknemer in de proceskosten.

3.2.

Het verzoek van de werknemer ziet erop dat het Gerecht bij beschikking, als het Gerecht de ontbinding zoals verzocht door de werkgever toewijst, aan de werknemer een vergoeding toekent van NAf. 21.900,00 bruto, althans een door het Gerecht te bepalen ontbindingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum uitspraak tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten.

3.3.

Partijen verzoeken het Gerecht over en weer om het verzoek van de andere partij af te wijzen en haar in de proceskosten te veroordelen.

3.4.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek van de werkgever

De dringende reden

4.1.

Primair beroept de werkgever zich op de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd om tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen.

4.2.

Daarvoor is het volgende toetsingskader van belang. Bij de vraag of sprake is van een dringende reden, dienen alle omstandigheden van het geval, bezien in hun verband en samenhang, te worden afgewogen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor haar zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (HR 20 april 2012, LJN:BV9532). Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.

4.3.

Uit de stukken en het verhandelde op de kort geding zitting blijkt, naast de vaststaande feiten, nog het volgende. De werknemer heeft een onberispelijk dienstverband; er is geen sprake van eerdere incidenten. Verder is duidelijk geworden dat de aanloop naar de ondertekening van de overeenkomst van 25 mei 2020 met de nodige hotsen en botsen is verlopen. Zo heeft op 13 april 2020 de werkgever aan de werknemer laten weten dat zijn dienstverband per direct zou worden beëindigd. De werknemer ziet dat als een extreme reactie op zijn verzoek om meer duidelijkheid over de afspraken omtrent de loonreductie te verkrijgen. De werkgever zag deze vragen als een teken dat de werknemer niet bereid was om een loonoffer te brengen. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat de werkgever tot 15 juni 2020 geen gebruik heeft gemaakt van de arbeidsinzet van de werknemer. Duidelijk is dus ook dat de werknemer op de eerste dag van de werkhervatting op staande voet is ontslagen.

4.4.

Het ontslag op staande voet moet dan ook tegen deze achtergrond worden bezien. Ook is van belang dat de werknemer aanvoert dat het standaard praktijk was dat met de bedrijfsauto tijdens de lunchpauze eten werd gehaald. De werkgever betwist dit op de zitting maar heeft deze betwisting onvoldoende weten te onderbouwen. Als dit wel zou zijn komen vast te staan geldt dat dit enkele “vergrijp” onvoldoende zwaarwegend is om tot het uiterste middel van ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden te besluiten. De werkgever voert verder aan dat er een “pop-up” vlucht aankwam tijdens de lunchpauze, om het belang van de aanwezigheid op kantoor te benadrukken, maar de werknemer pareert dat door te zeggen dat hij, zoals altijd, alle berichtgeving per telefoon volgde, op tijd weer terug was en dat hij maar heel even zijn weggeweest. Gesteld noch gebleken is dat het kantoor van de werkgever toen onbemand was en dat hij niet op tijd was om hun werk te doen. Rekening houdende met de omstandigheden aan de zijde van werknemer, namelijk dat hij als gevolg van de ontbinding geen loon meer ontvangt en het zeer moeilijk zal zijn om in het COVID-tijdperk een nieuwe baan te vinden, wordt geoordeeld dat de ontbinding niet vanwege een dringende reden kan worden uitgesproken.

Veranderde omstandigheden

4.5.

Subsidiair beroept de werkgever zich op veranderde omstandigheden. Verwijzende naar dezelfde feiten als die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd voert de werkgever aan dat sprake is van “een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie”. “Terugkeer van deze werknemer naar de werkvloer is wat [de werkgever] betreft uitgesloten, ook in verband met precedentwerking voor de overige werknemers”. (zie alinea 20 verzoekschrift). De werknemer betwist dat sprake is van veranderde omstandigheden.

4.6.

Het Gerecht overweegt dat dit incident niet voldoende zwaarwegend is om als veranderde omstandigheid aan te merken, gelet op het relatief lange onberispelijke dienstverband. Anders dan de werkgever vindt het Gerecht dat er geen sprake van is dat de werknemer zich niet coöperatief heeft opgesteld bij de contacten over de vergaande loonreductie als gevolg van de COVID-pandemie. Per slot van rekening was iedereen door deze crisis overvallen. Het is niet verwonderlijk als men tijd heeft om daaraan te wennen en dat de communicatie daarover dan wat strubbelingen kent. Uiteindelijk is de werknemer wel akkoord gegaan met een stevige loonreductie. De werkgever had, naar het oordeel van het Gerecht, moeten volstaan met een mindere sanctie (schriftelijke berisping of schorsing).

4.7.

Dat betekent dat het verzoek om ontbinding wegens veranderde omstandigheden wordt afgewezen.

Het tegenverzoek van de werknemer

4.8.

Omdat het Gerecht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst weigert komt het niet toe aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van de werknemer.

De proceskosten

4.9.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

wijst het verzoek van de werkgever tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,

legt vast dat het Gerecht hierdoor niet hoeft te beslissen op het voorwaardelijk tegenverzoek van de werknemer,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 1.000,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 25 september 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.