Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:109

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
SXM202000785
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Veranderde omstandigheden (re-organisatie) zijn komen vast te staan. Niet duidelijk gemaakt waarom de arbeidsovereenkomst met deze werknemer moet worden ontbonden in plaats van die van andere werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202000785

Beschikking d.d. 4 november 2020

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht [de werkgever]

mede gevestigd in Sint Maarten,
verzoekster,

verweerster in het deels voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: de werkgever,
gemachtigde: mr. C.R. RUTTE,


tegen

[de werknemer],
wonende in Sint Maarten,
verweerder,

verzoeker in het deels voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: de werknemer,

gemachtigde: mr. R.E. DUNCAN,

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende verzoekschriften:

  1. verzoekschrift met producties, ontvangen op 26 augustus 2020,

  2. producties van de werknemer,

  3. pleitaantekeningen houdende (deels voorwaardelijk) tegenverzoek met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2020 in aanwezigheid (deels via video-conference) van partijen en gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Vanaf 1988 (volgens de werknemer) of vanaf 1990 (volgens de werkgever) bestaat het dienstverband. De werknemer (geboren op 30 juni …) vervulde de functie van “Scheduler dispatcher”. Zijn salaris bedraagt bruto NAf. 7.614,00 per maand (volgens de werkgever) of bruto NAf. 12.598,29 (volgens de werknemer) als rekening wordt gehouden met het structurele overwerk dat de werknemer heeft verricht.

2.2.

Vanaf eind december 2019 verricht de werknemer op verzoek van de werkgever de overeengekomen werkzaamheden niet meer. Dat is gebeurd naar aanleiding van de brief van 21 november 2019 van de werkgever aan de werknemer die als volgt luidt:

“The purpose of this letter is to confirm our verbal communication with you on November 4th, 2019, where you were informed about the sale of our operations, and what this would mean for you.

As a result of the divestment of our Terminal to … the position of Scheduler/dispatcher is no longer needed after December 31, 2019. Our company has made the attempt to find you an alternative position within the enterprise and any associated entities, however this has not been possible because our current operations will be significantly reduced.

Regrettably, this means we cannot continue your employment. We shall thereto obtain a dismissal permit from the Labor Department to effectively terminate your employment. In anticipation thereof, you will be relieved of your duties with continued pay as per January 1, 2020 until your employment has been legally terminated.”

2.3.

Bij beschikking van de Directeur-Generaal Arbeidszaken van 27 maart 2020 is het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen afgewezen. Het Gerecht is onbekend met de motivering omdat deze beschikking niet is overgelegd.

3 Het geschil

3.1.

De werkgever verzoekt het Gerecht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen met onmiddellijke ingang, met toekenning aan de werknemer van een ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule waarbij C = 1, kosten rechtens.

3.2.

Het tegenverzoek van de werkgever luidt als volgt:

“a. [de werkgever] te veroordelen om aan [de werknemer] – tegen kwijting – te betalen het pro resto gemiddelde loon (naar tijdsruimte) vanaf februari 2020 tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de boete wegens vertraging en de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen vanaf de resp. vervaldata;

b. indien tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou worden beslist, [de werkgever] te veroordelen om, tegen kwijting, aan [de werknemer] te betalen:

(i) de “service pay”, volgens artikel 18A van de vigerende cao, ad 4 weken voor elk jaar dat gewerkt is (32) en volgens het gemiddelde loon (naar tijdsruimte) per maand;

(ii) een vergoeding naar billijkheid en redelijkheid, conform goed werkgeverschap en artikel 7A:1615w BW, gebaseerd op de zogn. Kantonrechtersformule, met een correctiefactor van 2;

Kosten en rente rechtens.”

3.3.

Partijen verzoeken het Gerecht om de verzoeken van de andere partij af te wijzen, met een proceskostenveroordeling.

3.4.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de processtukken en het verhandelde op de zitting volgt dat het verzoek van de werkgever uitsluitend is gebaseerd op veranderde omstandigheden. Daarom moet het Gerecht onderzoeken of daarvan sprake is. Daarover wordt overwogen dat de werkgever duidelijk heeft gemaakt dat het bedrijfsonderdeel (de Fuel Terminal) waar de werknemer zijn werk verrichtte is verkocht aan een andere partij (koopovereenkomst, notariële akte overdracht perceel grond).

4.2.

Ook heeft de werkgever duidelijk gemaakt dat de functie van de werknemer als enige hierdoor is komen te vervallen. Dus is er sprake van een reorganisatie die slechts de werknemer betreft. In een dergelijk geval, zeker in aanmerking genomen het zeer langdurige dienstverband, eenzijdige werkervaring en de gevorderde leeftijd van de werknemer, moet de werkgever duidelijk maken dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn.

4.3.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft de werkgever dat onvoldoende duidelijk gemaakt. Een uitleg aan de hand van een personeels- en functieoverzicht ontbreekt. Er wordt enkel gesteld, zonder enige inhoudelijke toelichting, dat er geen vacatures zijn en dat de werknemer qua opleiding niet geschikt is om een andere functie te vervullen. Niet wordt ingegaan op het “last in first out”-beginsel en evenmin op het afspiegelingsbeginsel en wat voor consequenties toepassing hiervan zou hebben voor de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is daarom onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen. Daarom komt het Gerecht niet toe aan het voorwaardelijk tegenverzoek van de werknemer.

4.4.

In het andere (onvoorwaardelijke) tegenverzoek wordt de werkgever niet-ontvankelijk verklaard. Een dergelijke vordering moet worden ingesteld in een gewone EJ-procedure waarin, anders dan in de ontbindingsprocedure, hoger beroep open staat en het gewone bewijsrecht van toepassing is.

4.5.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,

verstaat dat geen beslissing hoeft te worden genomen op het voorwaardelijk tegenverzoek,

verklaart de werknemer in zijn onvoorwaardelijk tegenverzoek niet-ontvankelijk,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op NAf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 4 november 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.