Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:105

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
SXM202000666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging arbeidsovereenkomst met gevangenisdirecteur in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Titel 7A niet van toepassing; toetsing

aan van toepassing verklaarde bepalingen LMA en aanvullend verbintenissenrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM202000666

Beschikking d.d. 20 november 2020

inzake

[eiser],
wonende in Curaçao,
verzoeker,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,


tegen

DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND SINT MAARTEN,
gevestigd in Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. Z.J.A. BARY,


Partijen zullen hierna [eiser] en het Land worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1. [

Eiser] heeft op 27 juli 2020 een verzoekschrift met producties ingediend. Het Land heeft op 23 september 2020 een verweerschrift en daaraan voorafgaand producties ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2020 en is voortgezet op 30 september 2020. De gemachtigde van [eiser] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling en van de voortzetting afzonderlijke spreekaantekeningen overgelegd. Het Land heeft bij akte van 14 oktober 2020 gereageerd op de standpunten van [eiser] die eerst/nader in de spreekaantekeningen ten behoeve van de voortzetting zijn ingenomen.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

Eiser] en het Land, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie (hierna: de Minister), zijn een overeenkomst aangegaan op grond waarvan [eiser] de functie van “Directeur Strafgevangenis en Huis van Bewaring bij het Ministerie van Justitie” heeft vervuld. Deze overeenkomst, getiteld “Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”, bepaalt onder meer het volgende:

“Overwegende dat Werkgever het voornemen heeft Werknemer in dienst te nemen op basis van een tijdelijke ambtelijke aanstelling, (…). In afwachting daarvan wordt deze arbeidsovereenkomst overeengekomen.

(…)

Artikel 1 Duur arbeidsovereenkomst en functie

1. De arbeidsovereenkomst vangt aan op 1 april 2019 en wordt aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor 36 maanden.

(…)

3. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zonder dat opzegging daartoe vereist is, per 31 maart 2022 of zodra werknemer in dienst wordt genomen op basis van tijdelijke ambtelijke aanstelling.

4. Onverminderd het (…) bepaalde, kunnen partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.

(…)

Artikel 3 Van toepassing zijnde regelgeving

1. Conform artikel 1613x is de zevende titel A ‘Van de overeenkomsten tot het verrichten van arbeid’ van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek van St. Maarten niet van toepassing.

2. De Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), (…) zijn van overeenkomstige toepassing op deze arbeidsovereenkomst, met uitzondering van hoofdstuk I en artikelen 5, 6 lid 1 sub b en lid 2, 11, 12, 43, 95 tot en met 99 van de LMA.

(…)

Artikel 7 Geschillen

1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op grond van artikel 17 van de LMA, of het instellen van rechtspositionele vorderingen bij het gerecht in eerste aanleg naar aanleiding van beslissingen, handelingen en weigeringen om te beslissen of het handelen van het bevoegd gezag, is gelijk aan de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift voor ambtenaren op grond van artikel 41 van Regeling Ambtenarenrechtspraak, te weten binnen 30 dagen.

2. Werknemer dient ten aanzien van geschillen bedoeld in het eerste lid eerst een bezwaarschrift in op grond van artikel 17 van de LMA en slechts een rechtsvordering bij het gerecht in eerste aanleg ten aanzien van de genomen beslissing op dat bezwaar.”

2.2.

De indiensttreding van [eiser] is geschied met instemming van de Ministerraad, afgegeven op 15 maart 2019.

2.3.

In een brief van 6 februari 2020 met als onderwerp “Warning letter” heeft de Minister onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

1. “Firstly I would like to point out your unavailability to the prison as well as the Minister on Saturday November 30th and on Sunday December 1st 2019. On aforementioned days both I and my chief of staff (…) tried tirelessly to contact you (bo phone, WhatsApp, email) to absolutely no avail. You also did not return our calls and/or messages/email. (…)

2. (…) On Monday December 2nd 2019, much to my astonishment, I learned from the lawyer of the inmates that there was unrest amongst her clients, the inmates, due to the fact that you did not want certain inmates back to work. This unrest became so extreme or inclined to become extreme that you had to call in the assistance of the Police Force. (…) At no point did you call or email me pertaining to the events that were taking place at the prison at that moment.

3. I wrote you a letter dated, 1 December 2019, in which I requested you to carry out, look into and/or comply with some twenty one (21) points. To this date I have not received any type of feedback/follow-up on whether these matters were carried out and/or complied with. (…)

4. In December 2019, I organized an event to show appreciation to all Justice Workers that falls under my Ministry, including the Prison. I sent you this invitation, as head of the prison, requesting you to dispatch and inform the workers that they are invited to this event. Again to my astonishment I learned, just one day before the event that you neglected to inform the workers of the event. (…)

5. You requested vacation via ‘vakantieformulier’, but was not granted vacation days from December 24, 2019 up to and including January 5th 2020. Despite not being granted the requested days, you took said vacation days and left the island on vacation. This is totally disrespectful and unacceptable. (…)

6. It came to my attention that in the last week of November 2019, you granted visit to third persons in the prison and give them a tour of the prison without my approval and or knowledge. In a letter dated December 11, 2019, (…) you were made aware of the restrictions on facilitating touring of the prison to third parties and you were further requested to act accordingly.”

2.4.

Bij brief van 7 februari 2020 heeft de Minister [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2020 om zijn voornemen tot beëindiging van het dienstverband te bespreken. De brief vermeldt de volgende redenen voor de voorgenomen beëindiging:

1. “On February 4th 2020 you, in response to an email from attorney S. Roseburg and without prior consultation with me on the matter, decided to categorically and without reservation stipulate that you could not guarantee the safety of not a single detainee within the walls of the prison. To quote your words in said email communication: “Wellicht ten overvloede bericht ik u dat binnen de muren van een gevangenis de veiligheid van geen enkele gedetineerde gegarandeerd kan worden”. You then proceeded to imply that any possible harm being brought to the detainee is somehow their own fault and/or for their own risk and/or responsibility.

Your response seems to inexplicitly evade your own responsibilities under the law to provide for the safety of said detainees. Your take stance on the matter of safety of detainees at the prison is further compounded by the fact that this is the second violent act, including weapons, in the prison where a detainee was either hurt, or threatened to be hurt in the last three (3) months. (…)

2. (…) This letter [het Gerecht: een brief van 31 januari 2020 gestuurd door het unithoofd Detentie aan de Minister] indicates that the camera surveillance system at the prison are not recording. Additionally, (…), the scanning machine at the entrance of the prison is stil out of order and has been for a ‘period’. The letter states that these issues were brought to your attention. These are troubling details that also undermine the safety of the prisoners, the workers and authorized visitors (third parties) at the prison.”

2.5.

Bij het gesprek van 11 februari 2020 waren de Minister, de Secretaris-Generaal van Justitie (hierna: SG), de Chief of Staff van het Ministerie en [eiser] met zijn gemachtigde aanwezig. Volgens het daarvan opgestelde gespreksverslag is onder meer het volgende gezegd:

Minister: “(…) I would like to first discuss the statement you made to the lawyer of the inmates, Ms Roseburg, that you cannot guarantee the safety of her clients. Can you please explain?

[eiser]: “Yes it is very simply and the truth. No prison in the world can guarantee the safety of any inmate. No government can guarantee the safety in no prison and in no house. Not even the police can guarantee safety of the people.”

Minister: “I don’t agree. As prison director you are responsible in maintaining the safety and security in the institution and thereby keeping the inmates safe. You open the doors for more court cases against government by making such a statement.”

(…)

Minister: “What is going on with the camera’s? (…)

[eiser]: “(…) The matter of getting them fixed is not in our hands. It is in the hands of CHUBB. It is in the hands of the government; of the Ministry. The prices went sky high. Because of this we decided to close off with CHUBB and look for a local company to take care of the camera’s.”

“I am aware of the scanning machine. (…) My decision is to wait for the purchase of a new UPS. We are waiting on treasury department to issue the cheque.”

“No [the entire security of the prison is] not jeopardized. The 1st check is at the ‘poort’. When the workers come in all bags are searched and then the hand scanner is used for the body search. All visitors have to be searched on their body. Without the baggage scanner we can still search. We have a hand scanner. The baggage scanner is a tool. It is a very important tool, but it doesn’t compromise the security. (…)”

(…)

Minister: “The letter of [unithoofd] talks about a ‘VERY DANGEROUS’ situation for the personnel as well as the inmates. Besides not responding to her letter and it being an ‘emotional’ letter, what did you do?”

[eiser]: “We have meetings. [Unithoofd] never shows up.”

(…)

[eiser]: “In the letter you said you tried tirelessly to contact me; I think It is overstated. The prison called once. From [medewerkster] I received one email on the 30th of November. I received two or three calls from you. I think the word ‘tirelessly is overstated. I didn’t feel good, so I put my phone on silence. Normally the prison director get an allowance to be available. I did not get that allowance.”

(…)

Minister: “How would you know if it is an emergency or not when you never returned the calls? To you, me the Minister, calling you, was not an emergency?

[eiser]: “No. Because when I saw the calls the time was gone a long time.”

(…)

[eiser]: “Indeed I said the inmates in which cells we find contraband cannot go to work. The inmates association has the prison under control. (…) There was unrest. Yes, it happened and we have to deal with it.”

Minister: “Point nr. 3. You never updated me in regards to the grievances of the inmates.”

[eiser]: “I didn’t know you wanted to be updated.”

“I did everything you requested, even the ones that were not right, like the USB sticks and the business visits. (…)
It is against the regulations. It is a ‘Ministriele Regeling’, the Minister can deviate, but it has to be in writing and publicized.
The vacation days, I didn’t get an answer from you, I assumed you were ok with it. Normally within two days there should be a response. I got your answer 10 days after, on January 6th. It stated ‘niet akoord’.

Minister: ”You left, you were not here for me to give you an answer. I feel you don’t communicate with me. (…)”

SG: “(…) To the question in regards to the statements to the lawyer. I agree, the director cannot give any guarantee on the safety of the inmates. You, Minister, cannot guarantee the safety. (…) You talk about ‘firing’ Mr. [eiser]; what is it based on.”

Minister: “Did I indicate that I will fire anyone?”

SG: “Well, ‘consideration’, what is it based on? Because he indicated to a third party that he cannot guarantee the safety of the inmates? I think it would of been good practice to call the person before going out with a letter like that.”

2.6.

Bij brief van 24 februari 2020 heeft het Land de overeenkomst met [eiser] opgezegd per 24 maart 2020. In de brief worden de tijdens het overleg besproken kwesties omtrent [eiser]’s uiting dat de veiligheid van de gevangenen niet kan worden gegarandeerd, (communicatie over) de defecte camera’s en scanner, (communicatie over) de ongeschiktheid van bepaalde gevangenismedewerkers en [eiser]’s onbereikbaarheid op 31 november en 1 december 2019 aangehaald. Daarnaast wordt als nieuwe omstandigheid aangehaald dat [eiser] een brief over forensische zorg heeft medeondertekend:

“(…) you signed a letter of February 14th, 2020 (during your sick-leave). This letter also letter also signed by (…) was sent to the Minister of Justice, the Prime Minister and the Minister of VSA (…). Moreover you signed this letter and entered into an agreement with third parties without first or ever having discussed the subject matter with me. Attributing your signature to this document on behalf of government is not allowed in your capacity as director of the prison.

Your overall lack of management, control, oversight and your laissez faire attitude towards the prison and direction of same is beyond concerning, it is negligent and dangerous. As you have not reached out to me indicating a need for help or assistance, I must attribute these topics discussed during our meeting as failures for your own account and risk. Accordingly, I am invoking article 1 sub 5 of your contract and hereby terminating your contract effective one (1) month from this letter’s date.”

2.7.

Bij ministeriele beschikking van 2 maart 2020 is [eiser] de toegang tot de gevangenis ontzegd en is hem opgedragen zijn dienstwapen, sleutels en dienstauto in te leveren. De beschikking beschrijft als aanleiding hiervoor dat [eiser] zich bedreigend heeft uitgelaten in het bijzijn van een personeelslid en heeft geweigerd zijn dienstwapen in te leveren zonder schriftelijk verzoek daartoe. Hiertegen tekent [eiser] bij brief van 5 maart 2020 bezwaar aan. In dit bezwaarschrift komt de volgende passage voor:

“Mijn persoon werd ontslag met een opzegtermijn van een maand aangezegd. Hiertegen zal ik mijn bezwaren kenbaar maken, o.a. wegens ernstig verwijtbaar handelen door de minister, schending van mijn rechtspositieregeling enz.”

2.8. [

Eiser] heeft bij brief van zijn (toenmalige) gemachtigde van 11 maart 2020 aan de Minister, met afschrift aan de Ministerraad, geschreven dat de opzegging is gedaan in strijd met de arbeidsovereenkomst en gesommeerd tot betaling van schadevergoeding.

2.9.

Op 17 maart 2020 heeft de Minister gereageerd de opzegging te handhaven en geen grond te zien voor schadevergoeding:

“Langs deze weg deel ik u mee dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van de heer [eiser] onverkort wordt gehandhaafd evenals de daaraan ten grondslag gelegde beweegredenen. Ik zie derhalve geen aanleiding tot vergoeding van de door u gestelde schadevergoeding over te gaan.”

2.10.

Op 18 mei 2020 heeft de (huidige) gemachtigde van [eiser] naar de Minister geschreven de nietigheid van de opzegging in te roepen althans die te vernietigen.

3 Het geschil

3.1. [

Eiser] verzoekt het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] met het Land per brief van 24 februari 2020 nietig is, althans vernietigbaar en deze te vernietigen;

  2. het Land te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris aan [eiser] vanaf 24 maart 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 20% en de wettelijke rente vanaf 24 maart 2020;

  3. het Land te veroordelen tot doorbetaling van het salaris van [eiser] vanaf 1 juli 2020 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze (op 31 maart 2022) geëindigd is;

Subsidiair:

  1. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] met het Land per brief van 24 februari 2020 ongeoorloofd c.q. onredelijk dan wel onrechtmatig is;

  2. voor recht te verklaren dat het land schadeplichtig is voor alle door [eiser] vanwege de opzegging geleden schade;

  3. het Land te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een redelijke vergoeding gelijk aan:

- gemist salaris en gemiste emolumenten voor de periode van 24 maart 2020 tot en met 31 maart 2022 bestaande uit NAf. 13.976,00 maandelijks salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2020,

- 69 gemiste vakantiedagen en vakantie-uitkering op grond van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van dienstambtenaren, althans het Land te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een in goede justitie vast te stellen vergoeding alle omstandigheden in overweging nemende; van dit aantal betreft 13 dagen niet-uitbetaalde vakantiedagen over het jaar 2019;

Primair en subsidiair:

4. het Land te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 BW zijnde NAf. 17.500,00 althans een in goede justitie te bepalen vergoeding en wel binnen 14 dagen na vonniswijzing met bepaling dat na 14 dagen de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

5. het Land te veroordelen in de proceskosten van deze zaak met bepaling dat na 14 dagen hierover de wettelijke rente verschuldigd is.

3.2. [

Eiser] legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. Primair geldt dat het ontslag nietig dan wel vernietigbaar is, omdat de Minister niet bevoegd is tot het ontslag zonder dat daaraan een beslissing van de Ministerraad ten grondslag ligt. Subsidiair geldt dat er geen sprake is van gerechtvaardigde gronden voor een ongeschiktheidsontslag of van gewichtige redenen die de opzegging rechtvaardigen. In strijd met de beginselen van goed werkgeverschap en hoor en wederhoor heeft het Land op lichtvaardige wijze de overeenkomst opgezegd, zonder [eiser] eerst aan te spreken en in de gelegenheid te stellen om gemaakte fouten te corrigeren. Als (billijke) vergoeding hiervoor is doorbetaling tot aan de overeengekomen einddatum van 31 maart 2022 op zijn plaats, aldus steeds [eiser].

3.3.

Het Land heeft allereerst tot verweer gevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij zijn vordering niet binnen de voorgeschreven termijn van 30 dagen heeft ingesteld. Voorts geldt dat de Minister zelfstandig bevoegd was tot het aangaan van de overeenkomst en dus ook tot de beëindiging daarvan. Het gaat daarbij om een duurovereenkomst met een mogelijkheid tot tussentijdse opzegging. Die opzegging is rechtsgeldig met inachtneming van de opzegtermijn geschied. Gelet op enerzijds de zwaarwegende belangen van het Land met betrekking tot de veiligheid in de gevangenis en anderzijds de grote verantwoordelijkheid die rust op [eiser] als directeur met bijzondere kwaliteiten en ervaring, is er geen sprake van een opzegging die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het Land heeft de overeenkomst aldus mogen opzeggen zonder dat [eiser] aanspraken kan maken op verdere (schade)vergoeding, aldus steeds het Land.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het Gerecht stelt allereerst vast dat de vorderingen van [eiser] als uitgangspunt nemen dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Volgens het Land is geen sprake van een arbeidsovereenkomst, maar van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd met een opzegbeding. Ten overvloede wordt opgemerkt dat partijen er allebei vanuit gaan dat geen sprake is van een ambtelijke aanstelling, hetgeen het Gerecht juist voorkomt en waarbij zal worden aangesloten. De vraag is dan hoe de overeenkomst wel moet worden gekwalificeerd.

Kwalificatie overeenkomst en toetsingskader

4.2.

Artikel 7A:1613a BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de arbeider, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Indien de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Zie hiertoe ECLI:NL:HR:2020:1746.

4.3.

Naar het oordeel van het Gerecht is zeer wel mogelijk dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. [Eiser] heeft zich immers jegens het Land verbonden om werkzaamheden te verrichten in de functie van directeur gedurende de overeengekomen periode van drie jaar met bovendien een proeftijd van twee maanden, waarvoor hij maandelijks een vastgesteld bedrag aan loon ontvangt. Bovendien volgt uit de overgelegde functieomschrijving en de beschreven feitelijke invulling van de arbeidsrelatie dat [eiser] verantwoording schuldig is aan de Minister en dat deze laatste beschikt over instructiebevoegdheid. Partijen hebben evenwel in artikel 3 lid 1 van de arbeidsovereenkomst expliciet verwezen naar artikel 7A:1613x BW, dat toepassing van de zevende titel van boek 7A uitsluit. Hieruit volgt dat ook als sprake is van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7A:1613a BW, de bepalingen van titel 7 van boek 7A niet van toepassing zijn. Bepalend voor de verhouding tussen partijen is dan wat zij in de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen en in aanvulling daarop de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht, waarvan de toepassing niet door artikel 7A:1613x BW wordt ingeperkt.

4.4.

In dit geval bepaalt artikel 3 lid 2 van de overeenkomst dat de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) van toepassing is, met uitsluiting van een aantal artikelen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden getoetst aan de toepasselijke bepalingen van de LMA en het algemene verbintenissenrecht. Opgemerkt wordt dat de gedeeltelijke toepasselijkheid van de LMA en daarmee het materiële ambtenarenrecht niet tot gevolg heeft dat de bestuursrechter (de ambtenarenrechter) exclusief bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, nu de rechtsverhouding tussen partijen nog altijd wordt beheerst door het burgerlijk recht. Dat partijen voor de invulling daarvan deels aansluiten bij de LMA, doet niet af aan dat uitgangspunt.

Ontvankelijkheid [eiser]

4.5.

Het Land voert allereerst een ontvankelijkheidsverweer en verwijst daartoe naar artikel 7 lid 1 van de arbeidsovereenkomst. Op grond hiervan had [eiser] zijn rechtspositionele vorderingen binnen 30 dagen moeten instellen, waardoor hij - ongeacht of wordt uitgegaan van de ontslagbrief van 24 februari 2020 of de daarop volgende brief van 17 maart 2020 waarbij het ontslag wordt gehandhaafd - te laat en daarmee niet-ontvankelijk is. Het Land heeft toegelicht dat de aansluiting bij de 30-dagentermijn uit het ambtenarenrecht voortkomt uit de wens om regelingen voor werknemers zoals [eiser], die niet via een ambtelijke aanstelling maar een privaatrechtelijke overeenkomst in dienst zijn getreden, gelijk te trekken met die voor ambtenaren. [eiser] meent daarentegen dat de 30-dagentermijn van artikel 7 nietig is omdat deze slechts geldt in bestuursrechtelijke procedures en [eiser], die geen ambtenaar is, daaraan niet kan worden gehouden in een privaatrechtelijke rechtsverhouding zoals de onderhavige.

4.6.

Het verweer van het Land kan deels worden gevolgd, namelijk in zoverre [eiser] in deze procedure de rechtspositionele beslissing van het Land aanvecht. Ook als de 30-dagentermijn voortkomt uit het ambtenarenrecht, geldt namelijk dat deze expliciet in de overeenkomst is opgenomen, zodat de grondslag daarvan is gelegen in de overeenkomst zelf. Met zijn primaire vordering onder 1. beroept [eiser] zich op de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het ontslag en vordert daartoe een verklaring voor recht dan wel vernietiging daarvan. Toewijzing van die vordering heeft tot gevolg dat de opzegging door de Minister van de overeenkomst niet heeft plaatsgevonden en dus dat deze voortduurt. Deze vordering ziet daarmee rechtstreeks op zijn rechtspositie ten opzichte van het Land. Door de vordering op 27 juli 2020 in te stellen, heeft [eiser] de in de overeenkomst voorgeschreven termijn overschreden. Dat [eiser] het verzoekschrift al langer gereed had en zo lang zou hebben gewacht omdat hij nadere reactie van de Minister afwachtte, maakt dat niet anders en levert zonder nadere onderbouwing geen grond op voor verlenging van de termijn. Anders dan [eiser] stelt, bieden de nadere procesregels van het Gerecht in verband met de noodtoestand die de regering van Sint Maarten vanwege de coronapandemie heeft uitgeroepen hem geen soelaas. Het Gerecht heeft toen gepubliceerd (wegens de fysiek slechte bereikbaarheid van de griffie) dat alle indieningstermijnen vanaf 31 maart 2020 met vier weken worden verlengd, te rekenen vanaf de volledige heropening van de griffie. Daarna heeft het Gerecht gepubliceerd dat de periode van vier weken begint op 1 juni 2020. De indiening van het verzoekschrift bij het Gerecht dateert van 27 juli 2020 en dat is dus te laat.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn primaire vorderingen. Dit geldt zowel voor de primaire vordering onder 1. als die onder 2. en verder, nu die zien op de rechtstreekse gevolgen van eventuele nietigheid dan wel vernietiging en daarmee dus onlosmakelijk zijn verbonden. Inhoudelijk brengt dit met zich mee dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd als gevolg van de opzegging door de Minister met ingang van 24 maart 2020.

4.8.

Vervolgens moet worden beoordeeld of [eiser] in zijn subsidiaire vorderingen wel ontvankelijk is. Het Gerecht overweegt daarover als volgt. De subsidiaire vorderingen zien niet op aantasting van het ontslag van [eiser], maar – kort gezegd - op de vaststelling dat de opzegging van de overeenkomst ongeoorloofd dan wel onrechtmatig is geweest en dat het Land als gevolg daarvan is gehouden tot schadevergoeding. [Eiser] is daarmee wel ontvankelijk in zijn subsidiaire vorderingen. Het Gerecht zal daarom overgaan tot beoordeling van de subsidiaire vorderingen van [eiser].

Rechtmatigheid ontslag

4.9.

Het Gerecht is van oordeel dat het Land zich jegens [eiser] niet heeft gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (de aanvullende werking van artikel 6 :2 lid 1 BW). Dat wordt als volgt gemotiveerd. Uit de vaststaande feiten (zie hiervoor onder 2.3 tot en met 2.5) volgt dat [eiser] een waarschuwing heeft gekregen op 6 februari 2019 en daags daarna krijgt [eiser] te horen dat de Minister voornemens is hem te ontslaan, wat, na een inhoudelijk gesprek met de Minister en de Secretaris-Generaal (die het niet eens blijkt te zijn met de Minister) daadwerkelijk gebeurt. Het Gerecht overweegt dat, tegen de achtergrond dat [eiser] nooit enige waarschuwing heeft gehad – er heeft ook nooit een functioneringsgesprek of beoordeling plaatsgevonden terwijl artikel 15 LMA dat wel voorschrijft, het Land niet had mogen besluiten tot opzegging. Uit artikel 87 LMA, dat op de overeenkomst van toepassing is, volgt immers een volgorde van sancties, oplopend in zwaarte, die kunnen worden opgelegd aan de ambtenaar die zijn verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt. Het Gerecht is van oordeel dat het Land niet dan wel onvoldoende uitlegt waarom wordt gekozen voor het ultimum remedium van ontslag en niet voor een van de acht daaraan voorafgaande straffen, variërende van een schriftelijke berisping tot een schorsing met inhouding van loon. Uit de door het Land opgegeven ontslaggronden blijkt niet van dermate ernstig disfunctioneren dat beëindiging van het dienstverband onontkoombaar is. Het gaat veeleer om het dagelijkse reilen en zeilen van de gevangenis waarover verwijten aan [eiser] worden gemaakt. Daarbij acht het Gerecht het relevant dat het een feit van algemene bekendheid op Sint Maarten is dat de gevangenis al vele jaren door de Raad voor de Rechtshandhaving als onvoldoende wordt aangemerkt op vrijwel alle beoordelingspunten zodat het onredelijk overkomt om [eiser], na krap een jaar in dienst, daarop af te rekenen. Evenmin is het Gerecht (om die reden, maar ook omdat het Land zelf beaamt dat [eiser] zeer gekwalificeerd is voor de functie) van oordeel dat is gebleken dat [eiser] voor zijn functie ongeschikt was. Het Gerecht ziet daarom grond om voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet is geschied conform de eisen van redelijkheid en billijkheid.

4.10.

Handelen in strijd met deze eisen houdt in dat het Land een civielrechtelijke verbintenis jegens [eiser] heeft geschonden. Deze verbintenis komt in dit feitencomplex eigenlijk neer op het goed werkgeverschap van artikel 7A:1614y BW, dat zijn oorsprong vindt in de eisen van redelijkheid en billijkheid zoals ook vastgelegd in artikel 6:2 BW. Dat artikel is door de uitsluiting in de arbeidsovereenkomst van de bepalingen van titel 7A niet van toepassing, maar is wel de rechtsfiguur die via de band van de redelijkheid en billijkheid het meest in aanmerking komt om in een dergelijk geval bij aan te sluiten.

Schade

4.11.

Duidelijk is dat [eiser] daadwerkelijk schade heeft ondervonden door de opzegging. Hij krijgt hierdoor immers geen salaris meer. Dat [eiser] al pensioen genoot, zoals het Land aanvoert, acht het Gerecht niet relevant als schadebeperkende factor. Het Land wist dit immers al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Wel wordt er rekening mee gehouden, ten nadele van [eiser], dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds opzegbaar is. Rekening houdende met alle omstandigheden van het geval zal het Gerecht aan [eiser] een schadevergoeding gelijk aan vier maanden salaris toekennen.

4.12.

Aldus wordt voor recht verklaard dat het Land schadeplichtig is en wordt het Land veroordeeld om zes maanden loon aan [eiser] te betalen.

Vakantiedagen en -uitkering

4.13.

Tegen de vordering van [eiser] tot uitbetaling van 69 vakantiedagen en -uitkering is geen inhoudelijk verweer gevoerd zodat het Gerecht deze vordering kan toewijzen, met dien verstande dat deze dienen te worden berekend tot aan het einde van het dienstverband op 24 maart 2020.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.14.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat deze niet tot nauwelijks zijn onderbouwd en deze door het Land worden betwist. Die betwisting is door [eiser] niet weerlegd.

Proceskosten

4.15.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt het Land in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

5.1.

verklaart [eiser] in zijn primaire vorderingen niet-ontvankelijk,

5.2.

verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door het Land heeft plaatsgevonden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat het Land hierdoor schadeplichtig is geworden jegens [eiser],

5.3.

veroordeelt het Land om aan [eiser]te betalen NAf. 55.904,00 bruto aan schadevergoeding en het netto-equivalent van de geldelijke waarde van de tot 24 maart 2020 door hem niet genoten vakantiedagen en gederfde vakantie-uitkering,

5.4.

veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op NAf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde, NAf. 50,00 aan griffierecht en op NAf. 227,50 aan oproepingskosten met de wettelijke rente hierover tot de dag van algehele betaling indien deze bedragen niet binnen 14 dagen na heden zijn betaald,

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is op 20 november 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.