Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2020:102

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
Lar 30/2020, SXM 202000461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing aanvraag tewerkstellingsvergunning ten behoeve van vreemdeling. De vreemdeling heeft geen verzoek tot verlenging van zijn vttv ingediend maar sinds het verlopen van zijn vttv is hier ten lande gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 30 november 2020

Zaaknummer: SXM202000461-LAR00030/2020

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. C.M. MARICA,

tegen

DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, SOCIALE ONTWIKKELING EN ARBEID VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.O. MULLER,

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 24 april 2020 waarbij het bezwaarschrift van eiseres, gericht tegen verweerders beschikking van 17 oktober 2019 inhoudende afwijzing van de aanvraag tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) ten behoeve van de vreemdeling [naam vreemdeling], ongegrond is verklaard.

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Met een op 5 juni 2020 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend pro- forma beroepschrift (met producties) heeft eiseres tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Op 3 augustus 2020 zijn de gronden ingediend.

2.2.

Op 2 september 2020 heeft verweerder een verweerschrift (met producties) ingediend.

2.3.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 november 2020. Eiseres is bij gemachtigde voornoemd verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde.

2.4.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Feiten en standpunten

3.1.

Het Gerecht gaat uit van de navolgende vaststaande feiten:

- Sedert 2012 woont [naam vreemdeling], burger van Dominica, hier te lande, waarna hij een vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) met als doel: arbeid, heeft aangevraagd en nadien verkregen met een geldigheid tot 1 juni 2019.

- Op 4 oktober 2019 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met het verzoek een twv te verlenen voor [naam vreemdeling], welke bij beschikking van 17 oktober 2019 afwijzend is beslist. Daarbij heeft verweerder voor zijn motivering verwezen naar artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen.

- Eiseres heeft op 19 november 2019 bezwaar aangetekend tegen voormelde beschikking. Zij is op 25 februari 2020 op haar bezwaar gehoord. Bij de thans bestreden beschikking heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

3.2.

In de bestreden beschikking is onder meer het volgende overwogen:

(...) De twv is in eerste instantie geweigerd met aanhaling van de weigeringsgrond, dat de vreemdeling in kwestie gehandeld heeft in strijd met de bij of krachtens de LTU gegeven regels; ref. art. 8, eerste lid, aanhef, onderdeel d, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen.

Bepaaldelijk zou de vorige verblijfsvergunning van de vreemdeling in kwestie op 1 juni 2019 zijn verlopen terwijl de onderhavige aanvraag t.w.v. pas op 4 oktober 2019 werd ingediend, derhalve meer dan drie maanden nadat de vorige verblijfsvergunning was verlopen; betrokkene zou tussendoor het eiland niet hebben verlaten.(…)

3.3

Met het onderhavige beroep keert eiseres zich tegen de bestreden beschikking en verzoekt zij het Gerecht, haar beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen met bepaling dat verweerder opnieuw een beslissing zal geven. Eiseres is van mening dat in casu sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

3.4

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Op het moment dat eiseres de verlenging twv aanvroeg, was de vttv meer dan drie maanden verlopen, met als gevolg dat [naam vreemdeling] geacht wordt op dat moment geen legale verblijfstatus te hebben en dus te hebben gehandeld in strijd met de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna LTU). Volgt weigering van de twv op voornoemde grond, aldus - steeds - verweerder.

4.De beoordeling

4.1.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak kan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die door een beschikking rechtstreeks in zijn belangen is getroffen beroep instellen bij het Gerecht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen is het een werkgever verboden een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder twv.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de landsverordening arbeid vreemdelingen wordt een twv geweigerd, indien deze een vreemdeling betreft die gehandeld heeft in strijd met de LTU gegeven regels.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de LTU wordt - behalve zij, die van rechtswege worden toegelaten - niemand hier te lande toegelaten zonder vttv of vergunning tot verblijf. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat een vttv voor een bepaalde termijn wordt afgegeven. Bij artikel 23, tweede lid, van de LTU is strafbaar gesteld het verblijf hier te lande na het verstrijken van de termijn waarvoor een vttv is afgegeven.

In hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.1 en paragraaf 3.1.2 van de Herziene Instructie aan de Gezaghebbers en de Richtlijnen van verweerder met betrekking tot de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de Richtlijnen) is, voor zover thans van belang, neergelegd dat een aanvraag verlenging vttv hier te lande mag worden afgewacht mits maar uiterlijk binnen drie maanden na verloop van de geldigheidsduur van de vttv ingediend.

4.2.

Vooropgesteld zij dat de t.w.v. ten behoeve van [naam vreemdeling] en zijn vttv, geldig waren tot 1 juni 2019. Uit de door verweerder overgelegde producties blijkt dat eiseres eerst op 4 oktober 2019 een (verlenging) t.w.v. heeft aangevraagd.

Het Gerecht overweegt dat uit de Richtlijnen volgt dat de aanvraag om verlenging van een vttv maximaal drie maanden na de beëindiging van de geldigheidsdatum dient te worden ingediend. Op zitting is gebleken dat [naam vreemdeling] geen verzoek tot verlenging van zijn vttv heeft ingediend. Uit voorgaande volgt dat [naam vreemdeling] sinds het verlopen van zijn verblijfsvergunning hier te lande is gebleven en derhalve in strijd heeft gehandeld met de LTU. Het Gerecht is van oordeel dat derhalve verweerder zich terecht op de imperatieve weigeringsgrond van artikel 8, eerste lid, sub d, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen heeft beroepen.

4.3.

Nu het een imperatieve weigeringsgrond betreft is voor de door eiseres voorgestane belangenafweging geen plaats. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

5.De beslissing

Het Gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 30 november 2020.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.