Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:99

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
SXM201900645-LAR00065/2019
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdeling is voor een termijn van drie jaar ongewenst verklaard wegens gevaar voor openbare orde en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 20 september 2019

Zaaknummer: SXM201900645-LAR00065/2019

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van: 

(eiser),

wonende te Canada, 

eiser, 

gemachtigde: mr. S.R. BOMMEL,

tegen 

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten, 

verweerder, 

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld.

1. Aanduiding bestreden beschikkingen

De beschikkingen van verweerder van 25 juni 2019 inhoudende een bevel tot bewaring en een bevel tot verwijdering van eiser uit Sint Maarten. Het laatste bevat ook een ongewenst verklaring en een terugkeerverbod voor een periode van drie jaar.

2.Procesverloop

2.1.

Namens eiser is op 3 juli 2019 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een beroepschrift

ingesteld ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

2.2.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld tot en met 31 juli 2019 een verweerschrift in te dienen.

Deze mogelijkheid is niet benut.

2.3.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 augustus 2019. Partijen zijn

verschenen bij hun gemachtigden voornoemd. Verweerder heeft op voorhand toegezonden schriftelijke

pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

2.4.

Uitspraak is bepaald op heden.

3.De feiten

3.1.

Eiser heeft de Canadese nationaliteit. Hij is op 23 juni 2019 Sint Maarten ingereisd.

3.2.

Eiser is op 23 juni 2019 door het Alpha Team bij de luchthaven op verdenking van witwassen aangehouden en in verzekering gesteld. Op 25 juni 2019 is eiser overgedragen aan de vreemdelingendienst en in vreemdelingenbewaring geplaatst.

3.3.

Verweerder heeft vervolgens de hierboven genoemde beschikkingen genomen.

3.4.

Op 30 juni 2019 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat eiser inmiddels naar Canada is terug gereisd.

4.Het verzoek en de standpunten van partijen

4.1.

Eiser verzoekt -kort weergegeven- de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat deze uitspraak, op straffe van een dwangsom, in de plaats treedt van de bestreden beslissing, met veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure.

4.2.

Eiser legt daaraan - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

Eiser is een Canadees staatsburger zonder visumplicht, zodat hij voor een periode van maximaal drie maanden op Sint Maarten kon verblijven. Hij was hier dus niet illegaal. De gemachtigde van eiser geeft aan dat te betwijfelen valt dat eiser niet over voldoende middelen beschikte, omdat een derde zich garant had kunnen stellen. Verder is geen sprake van enig gevaar voor de openbare orde, omdat met het tekenen van de transactie nog geen sprake is van een veroordeling tot witwassen. Eiser is van plan in de toekomst nog vaker naar Sint Maarten te komen en hij heeft er dan ook belang bij niet als ongewenst vreemdeling aangemerkt te worden.

4.3.

Verweerder heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, omdat niet duidelijk is tegen welke beschikking het beroep zich richt. En voorts tot ongegrondverklaring, omdat de beschikkingen correct zijn genomen. Immers, de openbare orde is in het geding en eiser heeft onvoldoende middelen van bestaan en daarmee niet voldaan aan een van de voorwaarden voor toelating, aldus verweerder.

4.4.

Op de overige standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nog nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kan de minister uit Sint Maarten verwijderen (a) personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen en (b) personen die in Sint Maarten worden aangetroffen nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheidsduur van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.

5.2.Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ltu kan de betrokkene, indien hij naar het oordeel van de minister gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, op bevel van de minister ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld.

5.3.

Ingevolge artikel 9 lid 1 van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf door of namens de minister worden geweigerd: (a). met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen en (b). indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

5.4.

Ingevolge artikel 2 lid 3 van het Landsbesluit houdende algemene maatregelen ter uitvoering van de Ltu (hierna: het Toelatingsbesluit) zijn toeristen onderworpen aan de bepalingen die gelden voor personen, die tot tijdelijk verblijf zijn toegelaten. Het vierde lid van voormeld artikel bepaalt dat door of namens de Minister van Justitie, aan toeristen, die als ongewenst worden beschouwd, de binnenkomst kan worden geweigerd of een langer verblijf in Sint Maarten kan worden ontzegd.

5.5.

Ingevolge artikel 3 lid 1 sub 2 van het Toelatingsbesluit moet de betrokkene over voldoende middelen van bestaan beschikken om gedurende zijn verblijf in Sint Maarten in zijn onderhoud te kunnen voorzien en zulks bij aankomst in Sint Maarten desgevraagd aantonen.

5.6.

Ingevolge paragraaf 3.7.4. van de Richtlijnen van de Minister van Justitie van Sint Maarten is de openbare orde in het bijzonder in het geding, wanneer de vreemdeling een strafbaar feit heeft begaan.

5.7.

Het verwijt van verweerder, dat niet duidelijk is tegen welke beschikking het beroepschrift zich richt, dient te worden verworpen. Naar het oordeel van het Gerecht is voldoende uit het beroepschrift af te leiden dat daarmee zowel de maatregel tot bewaring als de verwijderingsbeschikking tevens inhoudende ongewenst verklaring is bedoeld. Ter zitting heeft de nadere toelichting namens eiser zich vooral toegespitst op de ongewenst verklaring, omdat eiser zich niet meer in bewaring bevindt en ook is teruggekeerd naar Canada.

5.8.

Voor wat betreft de maatregel van bewaring heeft te gelden dat, nu deze reeds is geëindigd, eiser geen belang meer heeft bij de gevraagde vernietiging daarvan.

5.9.1.

Voor wat betreft de verwijderingsbeschikking met ongewenst verklaring overweegt het Gerecht als volgt. Verweerder heeft in die beschikking overwogen dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij is aangegeven dat eiser is aangehouden in verband met overtreding van een misdrijf (witwassen) en voorts dat hij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor Sint Maarten. Vervolgens is beschikt dat eiser wegens overtreding van de Ltu wordt aangemerkt als ongewenst vreemdeling, waarbij hem voor een periode van drie jaar de toegang tot Sint Maarten wordt ontzegd.

5.9.2.

Vast staat dat eiser op verdenking van een strafbaar feit is aangehouden en dat dit strafbaar feit is afgesloten met een transactie. Volgens eiser brengt dat laatste mee dat de openbare orde niet in het geding kan zijn, zoals verweerder stelt, omdat met het tekenen van de transactie nog geen sprake is van een veroordeling tot witwassen. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Wetsgeschiedenis leert dat voor het in het geding zijn van de openbare orde niet is vereist dat het strafbaar feit aan de strafrechter is voorgelegd en tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid. Een strafbaar feit is ook relevant, als het (buiten de strafrechter om) is afgesloten met een transactie. In dit verband is voorts relevant dat een transactie formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte inhoudt dat hij het strafbare feit heeft gepleegd maar dat voor iedere transactie de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel is en het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, vrijwillig geschiedt en dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verdachte onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Te minder in dit geval, nu het hier om relatief hoge bedragen gaat, namelijk in totaal US$ 19,000.00. Daar komt bij dat door eiser niet is gesteld, en ook overigens niet is gebleken, dat hij het feit dat tot de transactie heeft geleid, niet heeft gepleegd. Verweerder heeft dan ook op goede gronden kunnen concluderen tot gevaar voor de openbare orde.

5.9.3.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder voorts op goede gronden mogen aannemen dat eiser onvoldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub 2 van het Toelatingsbesluit had en daarmee niet aan de voorwaarden voor toelating voldoet. Hij had immers nog slechts CAN$ 120,00 bij zich. Van enige bereidheid tot garantstelling door een derde is niet gebleken.

5.9.4.

Onder deze omstandigheden bestaat voldoende grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid de onderhavige verwijderingsbeschikking te nemen en eiser voor de in de Richtlijnen voorziene maximale termijn van drie jaar ongewenst te verklaren. Dat is ook voldoende gemotiveerd, terwijl evenmin is gebleken van schending van het gelijkheidsbeginsel.

5.10

Het voorgaande leidt er toe dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

6.De beslissing

Het Gerecht in eerste aanleg:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 20 september 2019.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.