Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:97

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
SXM201900887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing van executoriale en conservatoire eigen- en derdenbeslagen op niet langer bestaande vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201900887

Vonnis in kort geding van 6 september 2019

inzake

1 De besloten vennootschap (verhuurder 1),

2. De naamloze vennootschap (verhuurder 2),

3. De naamloze vennootschap (verhuurder 3),

alle gevestigd in Sint Maarten,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

gemachtigden: mr. S.W. van Kasbergen, mr. M.O. Kortenoever en C.L. Wasiela,


tegen

de naamloze vennootschap (huurder),

gevestigd in Sint Maarten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigden: mr. C. Rutte en mr. M. van den Brink.


Eiseressen in conventie tevens verweersters in reconventie zullen hierna ook gezamenlijk ‘(verhuurder)’ (enkelvoud en vrouwelijk) worden genoemd en gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie ook ‘(huurder)’.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Op 16 augustus 2019 heeft (verhuurder) ter griffie een verzoekschrift ‘executiekortgeding ex art. 438 RV’ ingediend. Bij brief van 29 augustus 2019 heeft (huurder) een ‘akte houdende eis in reconventie’ met producties ter griffie van het Gerecht bezorgd. Vervolgens heeft op 30 augustus 2019 de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Gemachtigden zijn verschenen alsmede de heer (a) ten behoeve van (verhuurder). Gemachtigden hebben het woord gevoerd en de heer (a) is daartoe in de gelegenheid gesteld. Gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. (

verhuurder), als verhuurder, en (huurder), als huurder, zijn bij een op 31 maart 2017 ondertekend document een huurovereenkomst aangegaan met ingang van 1 april 2017 en wel voor de duur van 5 jaren.

2.2.

Deze huur heeft betrekking op een tweetal units en een dakoppervlakte in het Maho-district in Sint Maarten en strekt ertoe om hierin respectievelijk hierop een horecaonderneming te exploiteren. De huurprijs loopt op van US $ 22.000,00 per maand in 2017 tot US $ 31.000,00 per maand vanaf 2022.

2.3.

Op 6 september 2017 heeft orkaan Irma en 10 dagen later orkaan Maria in Sint Maarten huisgehouden. Hierdoor is grote schade ontstaan aan de infrastructuur in Sint Maarten en aan het gehuurde. Het Maho-district was zwaar getroffen door de orkanen. Exploitatie van de door (huurder) gedreven onderneming in en op het gehuurde was -in elk geval tijdelijk- onmogelijk.

2.4.

In een tegen (verhuurder) bij het Gerecht aanhangig gemaakte civiele bodemprocedure heeft (huurder) met een beroep op de bepaling van artikel 6.3 van de huurovereenkomst in verband met de bepaling van artikel 7:206 BW vergoeding van haar schade gevorderd bestaande uit zaakschade en gederfde winst. In deze procedure stelt (huurder) dat (verhuurder) onvoldoende voortvarend de orkaanschade heeft hersteld en voorts dat (verhuurder) door de zogenoemde ‘bulldozer actie’ van (verhuurder) schade aan haar zaken heeft veroorzaakt. (verhuurder) heeft deze schade niet tijdig vergoed, zodat (huurder) haar horecaonderneming niet kon heropenen.

2.5.

Op 26 februari 2019 heeft (verhuurder) een bankgarantie van (bank) ten gunste van (huurder) doen stellen tot zekerheid van een bedrag van US $ 300.000,00 waarna (huurder) haar conservatoire beslagen ten laste van (verhuurder) heeft opgeheven. Deze bankgarantie heeft (verhuurder) als productie 7 van het verzoekschrift in het geding gebracht.

2.6.

Bij vonnis van 16 april 2019 heeft het Gerecht geoordeeld dat (verhuurder) jegens (huurder) door de ‘bulldozer actie’ toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Het Gerecht heeft de zaakschade begroot op US $ 55.040,00 en het Gerecht heeft (verhuurder) veroordeeld dit bedrag aan (huurder) te vergoeden. In dit vonnis is verder geoordeeld dat het niet direct vergoeden van de zaakschade niet heeft geleid tot de latere opening van de horecaonderneming door (huurder). Het Gerecht schat de winstderving op US $ 2.000,00 en (verhuurder) is bij voormeld vonnis veroordeeld om ook deze winstderving aan (huurder) te vergoeden.

2.7.

Kort voor en na voormeld vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht hebben zich enkele verwikkelingen voorgedaan:

-- (verhuurder) heeft op of rond 7 maart 2019 tegen (huurder) een civiele bodemzaak bij het Gerecht aanhangig gemaakt die de betaling van achterstallige huurtermijnen en de ontbinding van de huurovereenkomst tot inzet heeft.

-- (huurder) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht in welk geding (huurder) de memorie van grieven op 2 juli 2019 heeft genomen;

-- (verhuurder) heeft op 23 mei 2019 conservatoir eigen- en derdenbeslagen doen leggen op de bij vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht vastgestelde vordering van (huurder) op (verhuurder);

-- (huurder) heeft op 15 juli 2019 executoriaal beslag doen leggen op verscheidene bij de (Bank) aangehouden bankrekeningen van (verhuurder);

-- (verhuurder) heeft bij brief van 17 juli 2019 een verrekeningsverklaring aan (huurder) uitgebracht: door middel van deze verklaring beoogt (verhuurder) haar schuld van US $ 65.691,04, inclusief rente en kosten, uit hoofde van het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht, met haar huurvordering van US $ 67.581,36, inclusief rente, te verrekenen;

-- (huurder) heeft de huurovereenkomst bij brief van 1 augustus 2019 buitengerechtelijk ontbonden (vergelijk sub 4.2. van de pleitaantekeningen van (huurder)).

3 De geschillen

3.1

In conventie vordert (verhuurder) -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (i) de op 15 juli 2019 ten laste van (verhuurder) gelegde executoriale beslagen onder (bank) opheft (ii) (huurder) verbiedt verdere maatregelen te treffen ter executie van het vonnis van 16 april 2019 en (iii) (huurder) veroordeelt in de proceskosten.

3.2. (

verhuurder) legt aan haar vordering ten grondslag dat zij haar schuld uit hoofde van het vonnis van 16 april 2019 heeft verrekend met haar huurvordering op (huurder). Door de verrekeningsverklaring van 17 juli 2019 heeft (verhuurder) haar schuld aan (huurder) betaald zodat (huurder) ten laste van (verhuurder) geen executiemaatregelen mag treffen. Ook stelt (verhuurder) dat ingevolge de door haar gelegde conservatoire eigen - en derdenbeslagen geen executie meer mogelijk is: (huurder) mag de beslagen vordering niet innen. Inning uit hoofde van de executoriale derdenbeslagen zou zelfs leiden tot onttrekking aan een beslag. En dat is in artikel 2:156 Sr strafbaar is gesteld, aldus (verhuurder). (verhuurder) voert ook aan dat (huurder) door de executie van het vonnis van 16 april 2019 te vervolgen jegens haar misbruik van bevoegdheid maakt. Naast het voorgaande legt (verhuurder) aan deze stelling ten grondslag dat zij een bankgarantie heeft doen stellen tot zekerheid van het bedrag van US $ 300.000,00 en dat (huurder) zich hierop kan verhalen en dat het executoriale beslag voorts allerlei nadelige gevolgen heeft voor haar financieringsarrangementen met (bank) en dat hierdoor haar bedrijfsvoering plat komt te liggen. Ook zal (huurder) haar horecaonderneming/strandbar niet meer openen, zodat zij geen belang meer heeft bij de onmiddellijke executie van het vonnis van 16 april 2019. Tot slot stelt (verhuurder) dat (huurder) overigens niet over vermogensbestanddelen beschikt zodat elk ander verhaal bij voorbaat illusoir is.

3.3.

In reconventie vordert (huurder) -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (i) de ten laste van (huurder) gelegde conservatoire beslagen opheft dan wel opheffing hiervan beveelt op verbeurte van een dwangsom (ii) (verhuurder) verbiedt verdere conservatoire beslagen te leggen voor haar huurvordering op verbeurte van een dwangsom en (iii) (verhuurder) veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met rente.

3.4.

Aan deze eis legt (huurder) ten grondslag dat (verhuurder) op grond van artikel 6:135 sub b BW niet bevoegd is tot verrekening: deze bepaling sluit namelijk de verrekeningsbevoegdheid uit ingeval de schuld van de schuldenaar (opmerking Gerecht: niet schuldeiser zoals (huurder) ten onrechte stelt; vergelijk 3.4. van de pleitaantekeningen van (huurder)) het gevolg is van opzettelijk door hem veroorzaakte schade. (verhuurder) is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de zogenoemde ‘bulldozeractiviteiten’ zodat zij de schade opzettelijk heeft veroorzaakt. Verder stelt (huurder) dat (verhuurder) ingevolge de verklaring van 17 juli 2019 afstand heeft gedaan van haar eigen- en derdenbeslag door zich op verrekening te beroepen. Daarnaast heeft (huurder) nog een aanzienlijke vordering uit gederfde winst over de periode tot de ontbinding van de huurovereenkomst en is (verhuurder) aansprakelijk om de ontbindingsschade van (huurder) te vergoeden: deze vorderingen overstijgen de huurvordering in aanzienlijke mate, aldus (huurder).

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Het Gerecht is op grond van artikel 438 Rv respectievelijk artikel 705 Rv juncto 438 Rv bevoegd het executiegeschil en de vordering tot opheffing van de conservatoire beslagen te beoordelen zonder dat een spoedeisend belang behoeft te worden gesteld.

4.2.

Hoewel niet beslissend voor de beoordeling is de vaststelling van het Gerecht dat (huurder) (een) ander(-e) goed(-eren) heeft beslagen dan (verhuurder). (huurder) heeft de vordering van (verhuurder) op (bank) beslagen, terwijl (verhuurder) de schadevordering van (huurder) op (verhuurder) heeft beslagen welke vordering in eerste aanleg door het Gerecht is gehonoreerd en die voorts tot de veroordeling van (verhuurder) heeft geleid. Van onttrekking aan de door (verhuurder) gelegde conservatoire beslagen is dan ook geen sprake als (bank) aan de in opdracht van (huurder) beslagleggende deurwaarder de verschuldigde geldsom zal voldoen. De stelling van (verhuurder) dat na inning van de verschuldigde geldsom door de deurwaarder ook de vordering van (huurder) op (verhuurder) in zoverre tenietgaat is juist (vergelijk 477b lid 1 Rv), maar van het plegen van een strafbaar feit door (huurder) is geen sprake.

4.3.

De kortgedingrechter is in beginsel verplicht om zijn oordeel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter ongeacht of dit is gegeven in een eerder gewezen tussen- of in een eerder gewezen eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of niet. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit zal het geval kunnen zijn indien het vonnis van de civiele bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust, alsook indien sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128)1.

executoriale beslagen in opdracht van (huurder)

4.4.

Op 15 juli 2019 heeft (huurder) executoriale beslagen doen leggen op de bankrekeningen van (verhuurder). Deze beslagen kleven. Ondanks (i) de aan (huurder) verstrekte bankgarantie tot het bedrag van US $ 300.000,00 (ii) het lopende hoger beroep tegen het vonnis van 16 april 2019 en (iii) de door (verhuurder) aanhangig gemaakte bodemzaak wenst (huurder) de uitkomsten van deze verwikkelingen niet af te wachten en verlangt zij onmiddellijke nakoming door (verhuurder) van het veroordelende vonnis.

4.5.

Nu het Gerecht dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, heeft als hoofdregel te gelden dat (huurder) onmiddellijke betaling van (verhuurder) kan verlangen. Alleen wanneer (huurder) bij de tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van bevoegdheid maakt, is opheffing van de beslagen en/of staking van de executie geboden2. (verhuurder) stelt dat (huurder) door het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht ten uitvoer te leggen misbruik van bevoegdheid maakt. (verhuurder) stelt in dit verband onder andere dat zij door het uitbrengen van de verrekeningsverklaring van 17 juli 2019 de vordering van (huurder) op (verhuurder) heeft betaald en dat dus haar schuld aan (huurder) teniet is gegaan.

4.6.

Het Gerecht is voorshands van oordeel dat de verschuldigdheid van de huurpenningen uit hoofde van de huurovereenkomst niet, althans onvoldoende, is weersproken. (huurder) meent desondanks dat zij de huurvordering niet hoeft te betalen, omdat zij nog een aanzienlijke vordering tot schadevergoeding op (verhuurder) heeft. Niet alleen heeft (huurder) door de ‘bulldozeractie’ schade geleden ook heeft zij winst gederfd die zij begroot op US $ 608.000,00 (vergelijk sub 4.6. van de pleitaantekeningen). Haar schuld, namelijk de verbintenis om aan (verhuurder) de huurtermijnen te betalen, kan zij in vergelijk brengen met haar schadevordering op (verhuurder). Volgens (huurder) heeft het Gerecht ten onrechte slechts schadevergoeding tot het bedrag van US $ 2.000,00 toegekend en overigens deze vordering afgewezen.

4.7.

Hiervoor heeft Gerecht gewezen op de afstemmingsregel. Gesteld noch gebleken is dat de kortgedingrechter deze niet (onverkort) dient te volgen. De kortgedingrechter zal zijn oordelen dan ook afstemmen op het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht. Uit dit vonnis volgt dat het gehuurde vanaf 1 november 2018 weer gebruiksklaar was en dus vanaf deze datum gereed was om door (huurder) voor haar horeca-activiteiten te worden gebruikt. Hiervan zal het Gerecht in kort geding dan ook uitgaan. Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat het niet vergoeden van de zaakschade niet heeft geleid tot een latere opening van de horecaonderneming door (huurder). Ook van dit oordeel zal het Gerecht in kort geding uitgaan alsmede van het oordeel dat de winstderving over 2018 ten hoogste op het bedrag van US $ 2.000,00 kan worden begroot. In het vonnis van de bodemrechter is de zaakschade begroot op US $ 55.040,00 en ook deze begroting zal het Gerecht in kort geding tot uitgangspunt nemen.

4.8.

Op grond van de oordelen van het Gerecht in de bodemzaak dient het Gerecht in kort geding dan ook tot uitgangspunt te nemen dat (i) (huurder) uit hoofde van de huurovereenkomst vanaf 1 november 2018 huurtermijnen is verschuldigd (ii) deze huurtermijnen niet zijn betaald (iii) (verhuurder) aan (huurder) schadevergoeding dient te betalen: winstderving tot US $ 2.000,00 en zaakschade tot US $ 55.040,00 maar overigens niet. Bij de beoordeling dat zal het Gerecht dan ook het verweer passeren dat (huurder) nog een schadevordering heeft van US $ 608.000,00 op (verhuurder). De appelrechter zal zich in hoger beroep moeten buigen over de vraag of de schadevordering door het Gerecht in eerste aanleg juist is begroot maar hiervan zal het Gerecht in kort geding wel hebben uit te gaan. Mocht blijken dat de schadevordering groter is dan door de bodemrechter is begroot, kan (huurder) tot zekerheid de bankgarantie van de (bank) inroepen. Voor zover (huurder) zich in verband met de ontbindingsschade van artikel 6:277 BW nog op verrekening beroept, stuit dat beroep af op de bepaling van artikel van 6:136 BW: deze vordering is naar de voorlopige opvatting van het Gerecht niet althans onvoldoende liquide.

4.9.

Nu de hoogte van de achterstallige huur nauwkeurig is berekend in het inleidende verzoekschrift en (huurder) hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal het Gerecht van de juistheid van deze berekening uitgaan. Uitgaande van de juistheid van de berekening en de verschuldigdheid van (huurder) om de huurtermijnen aan (verhuurder) te betalen3 is (verhuurder) bevoegd om zich als (hoofdelijk) schuldenaar op verrekening te beroepen tot het bedrag van haar schuld, tenzij het verweer van (huurder) opgaat dat de schade opzettelijk is veroorzaakt (vergelijk artikel 6:135 sub b BW). De bodemrechter heeft over de zaakschade evenwel overwogen dat sprake is van grove schuld maar niet van opzet. De bodemrechter overweegt slechts dat mogelijk sprake is van opzet (vergelijk sub 4.31 van het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht) zodat het beroep op de bepaling van artikel 6:135 sub b BW dan ook niet slaagt.

4.10.

Voorshands is het Gerecht dan ook van oordeel dat (verhuurder) zich bevoegd beroept op verrekening en dat hierdoor haar schuld teniet is gegaan. Dit betekent dat (huurder) uit hoofde van het vonnis van de bodemrechter geen vordering meer heeft op (verhuurder). De conclusie is dan ook dat (huurder) executoriaal beslag heeft doen leggen tot inning een niet langer bestaande vordering op (verhuurder) (vergelijk artikel 6:7 lid 2 BW: het geslaagde beroep op verrekening door (verhuurder) bevrijdt ook ‘(x)’ en ‘(y)’ van hun verbintenis jegens (huurder)). Voortzetting van executiemaatregelen zonder over een vordering op geëxecuteerden te beschikken, levert naar het voorlopige oordeel van het Gerecht jegens hen misbruik van bevoegdheid op. Zulks dient te leiden tot opheffing van de in opdracht van (huurder) gelegde derdenbeslagen onder de (bank).

4.11.

Nu het Gerecht van oordeel is dat voortzetting van de executie misbruik van bevoegdheid oplevert, zal het Gerecht (huurder) verbieden de executie van het vonnis van 16 april 2019 voor te zetten.

conservatoire beslagen in opdracht van (verhuurder)

4.12.

Hiervoor heeft Gerecht voorshands geoordeeld dat het beroep op verrekening slaagt en dat (verhuurder) de vordering door middel van de verrekening heeft betaald en dat dus de vordering op (verhuurder) niet langer bestaat. (verhuurder) heeft dan ook geen enkele belang meer bij handhaving van deze conservatoire beslagen. Deze beslagen zullen hierna dan ook worden opgeheven.

4.13.

Het Gerecht zal (verhuurder) niet verbieden verder conserverende maatregelen te treffen ten laste van (huurder) nu het Gerecht niet kan uitsluiten dat deze huurvordering tot een hoger bedrag kan worden begroot dan haar verrekende schuld aan (huurder).

4.14.

In conventie zal als de in het ongelijk te stellen partij (huurder) in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van (verhuurder) tot op heden begroot op:

griffierecht NAf 450,00

kosten exploit NAf 240,50

salaris gemachtigde NAf 1.000,00

totaal NAf 1.690,00

In reconventie zal als de in het ongelijk te stellen partij (verhuurder) in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van (huurder) tot op heden begroot op:

salaris gemachtigde NAf 1.000,00

4.15.

Het Gerecht zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

in conventie

5.1

verbiedt (huurder) de executie van het vonnis van 16 april 2019 van het Gerecht voort te zetten;

5.2.

heft op de op 15 juli 2019 in opdracht van (huurder) onder de (bank) ten laste van (verhuurder) gelegde executoriale derdenbeslagen;

5.3.

veroordeelt (huurder) in de proceskosten, aan de zijde van (verhuurder) tot op heden begroot op NAf 1.690,00;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.6.

heft op de op 23 mei 2019 in opdracht van (verhuurder) ten laste van (huurder) gelegde conservatoire eigen- en derdenbeslagen;

5.7.

veroordeelt (verhuurder) in de proceskosten, aan de zijde van (huurder) tot op heden begroot op NAf 1.000,00;

5.8.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 6 september 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

1 ook ingeval de vordering van de executant onaannemelijk is, kan desondanks handhaving van het conservatoir beslag geboden zijn en dient bijgevolg de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag te worden afgewezen: een belangenafweging van partijen is dan uiteindelijk doorslaggevend voor de beoordeling van de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag; vergelijk HR 25 november 2005, NJ 2006/148;

2 vergelijk artikel 3:13 lid 2 BW en HR 22 april 1983, NJ 1984/145;

3 volgens de eigen stelling van (huurder) kennelijk tot 1 augustus 2019 omdat eerst met ingang van deze datum de huurovereenkomst is ontbonden, aldus (huurder);