Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:68

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
SXM201800299-Lar 30/2018
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser meent dat door verweerder niet is beslist op het LOB-verzoek. Eiser doet een beroep op het petitierecht. Het Gerecht oordeelt dat de kern van het petitierecht niet is gelegen in het verkrijgen van informatie zoals bedoeld in de LOB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 11 februari 2019 Zaaknummer: SXM201800299-Lar 30/2018

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

de naamloze vennootschap NETSTAR N.V.,

eiseres,

gemachtigden: mrs. P.P. SOONS en R.F. WOUTERS,

tegen

DE MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERVOER EN TELECOMMUNICATIE,

verweerder,

gemachtigden: mrs. R.F. GIBSON jr en C.M.P. VAN HEES.

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 16 februari 2018 gegeven op het door eiseres op 4 augustus 2017 bij verweerder ingediende verzoek ex artikel 3 van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (LOB).

2 Het verloop van de procedure

Met een op 19 maart 2018 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend pro-forma beroepschrift (met productie) heeft eiseres tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

Op 8 juni 2018 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Op 3 oktober 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 januari 2019. Eiseres is bij zijn gemachtigde voornoemd verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Standpunten van partijen

In het verzoek van 4 augustus 2017 heeft eiseres het volgende gevraagd:

  1. Is de informatie die eiseres aan het Bureau Telecommunicatie en Post (BTP) gaf bij brief van 26 juni 2017 genoeg om een Bewijs van Goedkeuring (BvG) af te geven en zo nee, welke informatie ontbreekt dan?

  2. Wat zijn de vereisten om een BvG te krijgen, wat keurt de Minister bij het geven van een BvG, wat beoordeelt BTP: de technische installatie of ook andere vereisten en kan verweerder een overzicht verstrekken en een checklist van de vereisten om een BvG te krijgen.

  3. Uitleg wat de machtiging van eiseres inhoudt volgens BTP, vooral: op grond waarvan concludeert BTP dat de vergunning alleen ‘internet acces services’ toestaat.

  4. Opleidingsachtergrond van twee met name genoemde werknemers van BTP.

Blijkens de beschikking en het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat er op het LOB-verzoek is gereageerd en dat daarmee zowel aan de LOB als aan de Staatsregeling is voldaan. Ter toelichting stelt verweerder dat de eerste drie verzoeken niet op bestaande documenten zien en dat dus niet van verweerder mag worden verwacht dat deze informatie, verklaringen of uitleg opstelt die niet al in documenten zijn vervat. Verweerder wijst in dat verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:414) waarin is overwogen dat de WOB geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd. Ten aanzien van het vierde verzoek heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt waarom dit wel een bestuurlijke aangelegenheid zou zijn die binnen de reikwijdte van de LOB valt, aldus verweerder.

Eiseres meent dat er naast de LOB, op grond van artikel 24 van de Staatsregeling een verplichting bestaat zijdens verweerder om inhoudelijk antwoord te geven op de door haar gestelde vragen. erigens vallen de achtergronden van de twee medewerkers van BTP onder de reikwijdte van de LOB, aangezien hun kwalificaties volgens geldende rechtspraak een bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Eiseres stelt dat zij belang heeft om na te gaan of het door de medewerkers van BTP verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

4 Beoordeling

4.1

De eerste vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het verzoek van eiseres als een LOB-verzoek kan worden gekwalificeerd. Verweerder immers heeft gesteld dat de eerste drie verzoeken niet onder (artikel 3 van) de LOB vallen.

4.2

Het Gerecht stelt voorop dat degene die een verzoek indient op grond van de LOB niet om specifieke documenten behoeft te vragen. Van belang is of de informatie die wordt gevraagd, een bestuurlijke aangelegenheid betreft, zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder c van de LOB: een aangelegenheid die betrekking heeft op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. In dat geval is het bestuursorgaan gehouden de documenten waarin de informatie is vervat, te verzamelen en, indien zich geen weigeringsgronden voordoen, te verstrekken.

4.3

Het verzoek van eiseres echter is een gewoon verzoek om informatie, bestaande uit een aantal feitelijke vragen. Het is dus niet een kwestie van het verzamelen van een aantal documenten waarin deze informatie is vervat. Naar het oordeel van het Gerecht kunnen de eerste drie verzoeken, soms bestaand uit meerdere vragen, daarom niet als een LOB-verzoek in de zin van artikel 3 van de LOB worden gekwalificeerd.

4.4

Met het voorgaande is niet gezegd dat de antwoorden op de vragen van eiseres voor haar niet relevant zouden zijn; deze LOB-procedure is echter niet de geëigende weg om die antwoorden te krijgen, ook niet als die antwoorden nodig zijn in een procedure tegen hetzelfde verwerende orgaan.

4.5

Naar het oordeel van het Gerecht kan een beroep op het in de Staatregeling geregelde petitierecht, hierin geen verandering brengen. De kern van het petitierecht is niet gelegen in het verkrijgen van informatie zoals bedoeld in de LOB. Het petitierecht is, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis, opgenomen in de Staatsregeling om te waarborgen dat een ieder zich, vrij van het gevaar van strafrechtelijke vervolging, tot het bevoegd gezag kan wenden. Uit die ontstaansgeschiedenis, het Gerecht wijst ter illustratie op het verslag van de commissie voor de verzoekschriften van de Tweede kamer der Staten-Generaal uit het vergaderjaar 1983-1984, leidt het Gerecht ook af dat het verzoekschrift geen zelfstandige plaats heeft indien de betrokkene zich tot de rechter kan wenden.

4.6

Het vierde verzoek van eiseres heeft verweerder afgewezen op de grond dat het niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in artikel 3 van de LOB. Dat is naar het oordeel van het Gerecht onjuist. Van belang hierbij is dat het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ niet te beperkt moet worden uitgelegd, anders zou aan het doel van de LOB mogelijk voorbij worden gegaan. Opleidingsgegevens van functionarissen die, als ambtenaar of anderszins, voor de overheid werkzaam zijn, dragen bij aan de beoordeling of een persoon aan de gestelde functie-eisen voldoet en raken daarmee aan de manier waarop de overheid invulling geeft aan beleid inzake personeelszaken. Daarmee betreft het een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de LOB. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen (in een uitspraak van 26 mei 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2004:AO9992) dient de controleerbaarheid van dit beleid en de manier waarop de overheid hieraan uitvoering geeft, een goede en democratische bestuursvoering.

4.7

Op grond van deze laatste overweging is het beroep gegrond en kan het besluit niet in stand blijven. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.8

Er is aanleiding om verweerder (ten laste van het land Sint Maarten) te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf. 1.400,- zijnde twee punten ad Naf. 700,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling). Voorts zal het Gerecht bepalen dat het land Sint Maarten aan eiseres Naf. 150,- dient te betalen als vergoeding van het door haar gestorte griffierecht.

5 De beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden beschikking;

  • -

    draagt verweerder op om binnen 6 (zes) weken na heden een nieuwe beschikking te geven op de aanvraag van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat het land Sint Maarten aan eiseres zal betalen een bedrag ad NAf. 1.400,- en een bedrag van NAf. 150,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 11 februari 2019.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.