Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:59

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
SXM201900106
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht. Gebondenheid aan eerdere eindbeslissing. Vakantiedagen. Kennelijk onredelijke opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM201900106

Beschikking d.d. 15 mei 2019

inzake

[de werknemer],
wonende in Sint Maarten,
verzoekster,

hierna: de werknemer,
gemachtigde: mr. B. BROOKS,


tegen

de naamloze vennootschap [de werkgever]
gevestigd in Sint Maarten,
verweerster,

hierna: de werkgever,
gemachtigde: mr. E. DE HAAN.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- verzoekschrift met producties, ontvangen op 21 januari 2019,

- verweerschrift met producties,

- pleitaantekeningen namens de werknemer,

- akte van de werkgever met productie,

- antwoordakte van de werknemer met productie.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019, 17 april 2019 en is afgesloten op 23 april 2019. Partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

Op grond van een arbeidsovereenkomst is de werknemer (geboren op … november 1967) sinds 13 mei 2012 in loondienst werkzaam voor de werkgever. Zij is manager. Haar laatstelijk genoten salaris bedraagt NAf. 3.271,28 bruto per maand.

2.2.

In augustus 2016 is bij de werknemer de diagnose van darmtumor gesteld. Daarna heeft de werknemer haar werkzaamheden wegens arbeidsongeschiktheid niet meer uitgevoerd.

2.3.

Met ingang van augustus 2017 heeft de werkgever aan de werknemer het loon niet meer betaald. Bij brief namens de werkgever van 7 november 2017 is aan de werknemer medegedeeld dat de werkgever met onmiddellijke ingang stopt met het betalen van salaris. In deze brief verwijst de werkgever naar artikel 7A:1614 c lid 1 BW waarin staat dat zij slechts gehouden is voor betrekkelijk korte tijd het salaris door te betalen als de werknemer arbeidsongeschikt is.

2.4.

Bij brief van 12 maart 2018 namens de werkgever wordt aan de werknemer bericht dat zij een ontslagvergunning zal aanvragen. Bij beschikking van 16 april 2018 is aan de werkgever toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. In de brief namens de werkgever van 20 juni 2018 wordt de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 20 juli 2018.

2.5.

Bij beschikking van 5 december 2018 van dit Gerecht (SXM201801413) zijn de vorderingen van de werknemer afgewezen. Deze vorderingen zagen op doorbetaling van het loon vanaf 1 september 2017 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt. De dragende overweging is te vinden onder 4.4. van deze beschikking: “Het Gerecht overweegt als volgt. Duidelijk is dat de werkgever het loon heeft doorbetaald gedurende 12 maanden na de eerste ziektedag. Eigenlijk komt het erop neer dat de werkgever 20% van het salaris boven de 80% ziekengeld op grond van de Landsverordening Ziekteverzekering heeft doorbetaald gedurende een jaar. In aanmerking genomen de relatief korte duur van de arbeidsovereenkomst is het Gerecht van oordeel dat de werkgever hiermee in voldoende mate uitvoering heeft gegeven aan het begrip “betrekkelijk korte tijd" als bedoeld in de wet. De verplichting tot loondoorbetaling op grond van het Burgerlijk Wetboek is na 1 augustus 2017 dus komen te vervallen.”

3 Het geschil

3.1.

De werknemer verzoekt het gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen:

a. haar te staan kosteloos te mogen procederen,

b. voor recht te verklaren dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd en daarom schadeplichtig is,

c. de werkgever te veroordelen aan de werknemer schadevergoeding naar billijkheid te betalen, te begroten op NAf. 29.439,00 bruto, althans een door het gerecht in goede justitie te bepalen bedrag,

d. de werkgever te veroordelen aan de werknemer het loon te betalen vanaf 1 september 2017 tot 7 november 2017, te verhogen met de wettelijke verhogingen en de wettelijke rente vanaf 1 september 2017 tot aan de dag van algehele betaling,

e. de werkgever te veroordelen aan de werknemer de door haar nog niet genoten vakantiedagen te betalen,

f. de werkgever te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De werkgever verzoekt het gerecht om de vorderingen van de werknemer af te wijzen en de werknemer in de proceskosten te veroordelen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het loon over de periode 1 september 2017 – 7 november 2017

4.1.

De werknemer voert aan dat de werkgever het loon over deze periode moet doorbetalen omdat er geen aanzegging door de werkgever is gedaan dat met de loondoorbetaling zou worden gestopt. De werkgever voert als verweer dat zij, zoals in voormelde beschikking door het Gerecht is uitgemaakt, het loon gedurende de betrekkelijke korte tijd heeft uitbetaald en dat was een aanzienlijke periode, zodat daarom al geen aanzegging nodig is. In augustus 2017 heeft zij die aanzegging (kennelijk mondeling, zo begrijpt het Gerecht) gedaan en die is door de werknemer goed begrepen omdat sindsdien de werknemer geen SZV ziektekaarten en evenmin doktersbrieven aan de werkgever meer heeft getoond. Vanwege de Orkaan Irma is pas per brief van 7 november 2017 de stopzetting van de loonbetaling kenbaar gemaakt aan de werknemer. In de pleitnota namens de werknemer wordt hierop als reactie gegeven dat een dergelijke aanzegging volgens de wet niet hoeft maar dat dit volgens “de rechtsliteratuur en de jurisprudentie” toch schriftelijk moet.

4.2.

Het Gerecht overweegt dat het op deze discussie niet in hoeft te gaan. In de voormelde beschikking immers heeft het Gerecht geoordeeld dat de loonbetalingsverplichting na 1 augustus 2017 is komen te vervallen. Het is niet aan het Gerecht op deze beslissing terug te komen als het de argumentatie van de werknemer gegrond zou achten. Dit is namelijk typisch een argument dat door de werknemer in hoger beroep kan worden aangevoerd om alsnog toewijzing van haar vordering te bewerkstelligen. Het Gerecht is echter gebonden aan zijn eindbeslissing, zoals is vermeld in de eerdere beschikking.

4.3.

Deze vordering van de werknemer wordt dus afgewezen.

De vakantiedagen

4.4.

De werkgever zegt dat de werknemer recht heeft op 35 vakantiedagen per jaar en dat de werknemer die altijd opnam. Zij wijst op de Vakantieregeling waarin is vermeld dat de werknemer vakantiedagen opbouwt voor elk jaar dat zij onafgebroken werkzaam is geweest. Als de werknemer ten minste zes maanden is weggebleven van het werk dan vervalt deze aanspraak. De werkgever voert aan dat over mei 2016 – mei 2017 er geen aanspraak op uitbetaling vakantiedagen is omdat toen de werknemer permanent arbeidsongeschikt is geweest. Datzelfde geldt voor de periode mei 2017 –mei 2018 omdat met ingang van 1 augustus 2017 de loondoorbetalingsverplichting is komen te vervallen. Er hoeven dus geen vakantiedagen meer te worden uitbetaald.

4.5.

De werknemer stelt dat de werkgever gedeeltelijk gelijk heeft maar niet over het jaar 2016. In dat jaar was zij slechts vier maanden arbeidsongeschikt.

4.6.

Het Gerecht overweegt het volgende. De werkgever stelt dat uit de salarisstroken niet betrouwbaar kan worden afgeleid hoeveel vakantiedagen de werknemer nog had. Evenmin legt zij een overzicht van opgenomen vakantiedagen over. Op grond van artikel 14 van de Vakantieregeling moet de werkgever een register bijhouden van verleende en genoten vakantiedagen. Omdat de werkgever zich aan die wettelijke verplichting niet heeft gehouden, anders zou dat register immers wel worden overgelegd om de argumenten van de werknemer te weerspreken, moet het Gerecht uitgaan van het gelijk van de werknemer. Zij heeft dus geen vakantie genoten in 2016.

4.7.

Vakantiedagen worden inderdaad per jaar opgebouwd. Wat de werkgever doet komt neer op het zelf bepalen wanneer een “vakantiejaar” begint maar dat is niet het uitgangspunt van de wet en is in het maatschappelijk verkeer ook niet normaal; vakantiedagen worden namelijk per kalenderjaar opgebouwd. Dat betekent dus dat het Gerecht aan de werknemer 35 vakantiedagen over 2016 zal toewijzen. In dat jaar immers was zij geen zes maanden ziek.

4.8.

Volledigheidshalve merkt het Gerecht op dat de cessantia, waarover ook discussie was op de zitting, door de werkgever is uitbetaald en de bij akte ingebrachte specificatie daarvan is door de werknemer niet betwist. Dat punt is dus afgedaan.

De kennelijk onredelijke opzegging

4.9.

Kort en zakelijk weergegeven voert de werknemer het volgende aan. De ontslagtoestemming is een onrechtmatig besluit omdat de werknemer niet is gehoord door de Ontslagcommissie. Die bestond toen niet eens. De gebruikelijke voorwaarde bij de omslagtoestemming, dat de cessantia moest worden betaald, ontbrak. De werkgever had na 1 september 2017 het loon moeten doorbetalen, althans de werknemer moeten opgeven als verzekerd bij SZV. Nu loopt zij een restant van de twee jaar ziekengeld mis. Verder wijst de werknemer op de ernstige aard van haar ziekte, haar leeftijd en de inkomensval. Daarom is de schadevergoeding naar billijkheid verschuldigd. Een en ander wordt door de werkgever betwist.

4.10.

Het gerecht overweegt het volgende. Het Gerecht is niet van oordeel dat de ontslagtoestemming onterecht is gegeven. Er is opgezegd na 2 jaar ziekte en dat is mogelijk op grond van de wet. Verder is de ziekte niet arbeidsgerelateerd en zijn er, zoals hierna zal blijken, geen andere omstandigheden op grond waarvan ontslagtoestemming had moeten worden onthouden. Tot slot is gebleken dat, zoals hiervoor vermeld, de cessantia inmiddels is uitbetaald.

4.11.

Het gerecht vindt niet dat sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. Het stond de werkgever vrij ontslagtoestemming te vragen en daar gebruik van te maken nadat de werknemer lange tijd, buiten de schuld van de werkgever, de overeengekomen werkzaamheden niet kon verrichten. In de leeftijd van de werknemer noch in de duur van het dienstverband ziet het gerecht aanleiding om kennelijke onredelijkheid aan te nemen. Toen de werknemer ziek werd was zij 49 jaar oud en vier jaar in dienst. Gedurende de ziekteperiode heeft de werkgever, zoals blijkt uit de eerdere beschikking, zich gehouden aan zijn verplichting tot loondoorbetaling. Anders dan de werknemer meent is het niet zo dat SZV geen ziekengeld meer moet betalen als de werkgever haar afmeldt (zie 4.5. van de eerdere beschikking). De gewezen werknemer heeft een rechtstreekse aanspraak op dit ziekengeld versus SZV. Tot slot overweegt het gerecht dat de ziekte van de werknemer, hoe ingrijpend dat ook is voor de werknemer, niet betekent dat de werkgever dús de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opzegt.

4.12.

Dit betekent dat deze vordering van de werknemer wordt afgewezen.

Proceskosten

4.13.

Omdat partijen deels in het gelijk zijn gesteld ziet het Gerecht aanleiding om te bepalen dat zij de proceskosten voor eigen rekening moeten houden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

verleent aan de werknemer gratis admissie,

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen het netto-equivalent van 35 vakantiedagen over 2016, te specificeren in een salarisstrook,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 15 mei 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.