Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:58

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
EJ00018/2019/SXM201900092
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht. Verzoek tot ontbinding toegewezen. Beperkte vergoeding voor werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: EJ00018/2019/SXM201900092

Datum uitspraak: 15 mei 2019

Het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten

Beschikking

in de zaak van:

de naamloze vennootschap [de werkgever],

gevestigd op Sint Maarten,

verzoekster,

hierna: de werkgever,

gemachtigde: mr. J.G. SNOW

tegen

[de werknemer],

wonende op Sint Maarten,

verweerder,

hierna: de werknemer,

gemachtigde: mr. C.H.J. MERX.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met producties, door het Gerecht ontvangen op 31 januari 2019,

  • -

    verweerschrift,

  • -

    pleitnota van de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2019 in aanwezigheid van partijen en de gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De werknemer (geboren op ….. 1972) is op 1 mei 2010 in loondienst getreden van de werkgever als monteur. Zijn huidige bruto maandloon is NAf. 4.160,00.

2.2.

Op 29 juli 2013 is de werknemer tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden uitgegleden. Hiervan is geen ongevalsrapportage opgesteld. Sindsdien heeft de werknemer knieklachten. Daarom is hij door artsen gezien. SZV rapporteert op 31 december 2013: “Er is geen reden om aan te nemen dat bovenstaande patiënt zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen. Hij zal echter langzaam moeten opbouwen totdat hij zijn oude werk-niveau terug heeft. Met fysiotherapie is dit te behalen.”

2.3.

In een brief van dezelfde datum van de medicus van SZV wordt gezegd dat de werknemer zijn werkzaamheden voor 50% kan hervatten ingaande 2 januari 2014. “We will monitor him/her within 2 weeks and successively with regards to upgrading him/her to full duty.”

2.4.

Op 26 februari 2014 rapporteert de Occupational Therapist het volgende: “It is recommended that [werknemer’s] performance be continuously monitored and discussed with him as this new transition is with an aim to meet his needs and address his concerns. If poor work behaviour is observed even with his concerns addressed, then immediate evaluation is required. It is also recommended for [de werknemer] to keep his current appointments with the orthopedic specialist in Aruba and with Dr. …. and the SZV doctors, to assess and treat his knee injury and significantly improve his occupational performance and therefore, his quality of life.”

2.5.

Per 1 maart 2014 heeft de werkgever, in overleg met de Occupational Therapist, aan de werknemer aangepast werk gegeven in de Power Plant omdat de werknemer meldde dat hij op de oude werkplek zijn werkzaamheden niet goed kon uitvoeren.

2.6.

Op 30 januari 2014 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing van de werkgever gekregen voor een incident op 24 januari 2014. Hij is toen drie dagen geschorst zonder loon. Deze beslissing is op 25 januari 2017 teruggedraaid door de werkgever en er is toen volstaan met een waarschuwing.

2.7.

Op 12 januari 2015 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing van de werkgever gekregen wegens een incident op 11 december 2015. Daarvoor is hij twee dagen geschorst zonder loon.

2.8.

Op 29 juni 2015 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing van de werkgever gekregen omdat hij zich niet heeft gehouden aan de ziekmeldingsprocedure.

2.9.

Op 24 juli 2015 heeft de werknemer een schriftelijke waarschuwing van de werkgever gekregen voor een hoog opgelopen ruzie met een collega op de werkvloer.

2.10.

Blijkens een rapportage van 19 april 2017 hebben medewerkers van de werkgever waargenomen dat de werknemer op 13 april 2017 als supervisor betrokken is bij bouwwerkzaamheden die niets te maken hebben met de bedrijfsvoering van de werkgever. Daarvoor heeft hij als sanctie een schorsing zonder behoud van loon gekregen.

2.11.

De bedrijfsarts schrijft op 7 november 2017 dat de werknemer voor de vierde keer zal worden geopereerd. Momenteel is hij vier uur per dag in staat om te werken, waarvan de helft van de tijd zittend. Het totaal aantal uren kan mogelijk worden opgebouwd.

2.12.

Op 2 oktober 2018 heeft de werkgever de werknemer bij brief geïnstrueerd om op 10 oktober 2018 bij de bedrijfsarts langs te gaan “to … conduct a medical assessment for a possible reintegration back into the workforce.” Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Ondanks drie pogingen van de werkgever om de brief aan de werknemer per bode te bezorgen is dat niet gelukt.

2.13.

In december 2018 heeft de werkgever de werknemer twee keer gevraagd om zich weer bij de bedrijfsarts te melden. Dat heeft de werknemer niet gedaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De werkgever verzoekt het Gerecht om de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit veranderde omstandigheden te ontbinden, kosten rechtens. Daaraan wordt ten grondslag gelegd, kort gezegd, de onwil van de werknemer om zich periodiek bij de bedrijfsarts te melden, het niet werken van de werknemer en de vele disciplinaire maatregelen die de werknemer in korte tijd heeft gekregen. Een toekomstige samenwerking is onmogelijk.

3.2.

De werknemer verzoekt, blijkens het verweerschrift, om de arbeidsovereenkomst niet te ontbinden. Als het Gerecht dat toch zou doen, dan tegen een vergoeding met een correctiefactor van 2. Kort gezegd heeft de werkgever zich als een slecht werkgever gedragen; zo is niet serieus met het arbeidsongeval omgegaan. De werknemer heeft wel regelmatig de SZV arts bezocht zodat het niet nodig is dat hij naar de bedrijfsarts gaat. Verder is de werknemer hinderlijk gevolgd door de werkgever en is er geen bewijs dat hij voor een derde heeft gewerkt.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

Ontbinding

4.1.

Op de zitting werd duidelijk dat ook de werknemer geen mogelijkheid meer ziet om de arbeidsovereenkomst succesvol voort te kunnen zetten. Dit betekent dat het Gerecht de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve wegens veranderde omstandigheden zal ontbinden.

Vergoeding

4.2.

Onderzocht moet worden of de werkgever aan de werknemer een vergoeding naar billijkheid dient te betalen. De werknemer voert aan dat de werkgever een slecht werkgever is en dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid; vandaar de vergoeding met de correctiefactor van 2.

4.3.

Het Gerecht is niet van oordeel dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werkgever. Gebleken is namelijk dat werknemer al zeer geruime tijd niet meer werkt terwijl hij volgens de laatste medische en arbeidsdeskundige berichten voor 50% zou moeten werken. De werknemer laat na daarvoor enige verklaring te geven. Duidelijk is ook dat de werknemer niet op de afspraken van de bedrijfsarts is verschenen. Hij zegt dat hij die uitnodigingen niet heeft ontvangen en ook nog dat hij wel regelmatig naar de SV-arts gaat. Dat laatste is niet komen vast te staan. Zelfs al zou de werknemer de uitnodigingen niet hebben ontvangen dan is het aan hem om aan de werkgever te vragen wanneer hij weer bij de bedrijfsarts moet komen. De beginselen van goed werknemerschap immers brengen met zich mee dat de werknemer actief moet meewerken aan zijn eigen re-integratie in het arbeidsproces. Dat heeft de werknemer nooit gedaan. Desondanks heeft de werkgever tot op heden altijd het loon van de werknemer 100% doorbetaald terwijl zij volgens de wet en evenmin volgens de cao dat hoeft te doen. Daar komt nog bij dat de werknemer nooit enige uitleg heeft willen geven wat hij nu op de bouwput deed op 13 april 2017. Dat had wel van hem mogen worden verwacht omdat de werkgever daarover een gedetailleerd rapport presenteert. Het argument dat de werkgever zeer verwijtbaar heeft gehandeld is ongegrond.

4.4.

Dit betekent dat er geen reden is om tot een vergoeding met een C-factor van meer dan 1 te besluiten. Echter, ook dat vindt het Gerecht nog te hoog. Duidelijk is immers dat de werkgever bovenwettelijk 100% van het salaris is blijven doorbetalen terwijl van de kant van de werknemer van geen enkel initiatief is gebleken om de werkzaamheden te hervatten terwijl hij toch voor 50% arbeidsgeschikt is verklaard.

4.5.

Het Gerecht ziet toch reden nog enige vergoeding aan de werknemer toe te kennen is omdat duidelijk is dat de werknemer op de werkvloer is uitgegleden en dat dit mogelijk een bedrijfsongeval is. De werkgever heeft verzuimd daarvan een ongevalsrapportage op te stellen. Dat is strijdig met artikel 2 lid 7 van de Veiligheidslandsverordening dat de werkgever verplicht dat te doen zodat het Gerecht niet kan uitsluiten dat als dat wel zou zijn gebeurd er sprake was geweest van een betere re-integratie. Het Gerecht merkt dat aan als strijdig met de beginselen van goed werkgeverschap. Tot slot geldt dat er sprake is van een langdurig dienstverband en een oudere werknemer. Dat betekent dat het Gerecht uitkomt op een correctiefactor van 0,5. Dat komt neer op NAf. 44.000,00 bruto.

Intrekkingstermijn

4.6.

Omdat aan de werknemer een vergoeding wordt toegekend moet het Gerecht aan de werkgever een termijn geven waarbinnen hij het verzoek desgewenst kan intrekken.

Proceskostenveroordeling

4.7.

Het Gerecht bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten moeten dragen.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

geeft aan de werkgever de gelegenheid tot vrijdag 24 mei 2019 om 13.00 uur het verzoek in te trekken en,

als het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 25 mei 2019 wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderde omstandigheden,

kent aan de werknemer een vergoeding toe van NAf. 44.000,00 bruto en veroordeelt de werkgever om het netto-equivalent van dit bedrag aan de werknemer uit te betalen binnen 14 dagen na heden, en

ongeacht of het verzoek wordt ingetrokken:

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening moeten houden.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is 15 mei 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.