Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:3

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
2018/38
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking van rechter-commissaris betreffende klaagschrift over beslag en vordering vervreemding. Kwalificatie deels als executiegeschil. Vervreemding mag doorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Onderzoek Delphi / zaaknummer 2018/38

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

RAADKAMER

BESCHIKKING OP KLAAGSCHRIFT EX ARTIKEL 150 EN STRAFVORDERLIJK KORT GEDING EX ARTIKEL 43 WETBOEK VAN STRAFVORDERING

1 Inleiding

Op 27 november 2018 heeft mr. J. Bloem, raadsman van [eiser], bij het Gerecht een klaagschrift en strafvorderlijk kort geding ingediend (hierna ook: het verzoek). De raadsman en de Advocaat-Generaal (hierna ook: AG en het Openbaar Ministerie / OM) zijn op 30 november 2018 gehoord in raadkamer. Aldaar is de zaak voor nadere behandeling aangehouden tot 7 december 2018.

2 Feiten

  1. [eiser] is na een uitleveringsverzoek van de Italiaanse justitiële autoriteiten, op 16 augustus 2017 aan Italië uitgeleverd. Tegen [eiser] is in Italië een strafproces gaande.

  2. Op 23 augustus 2016 heeft het Parket bij het Gerecht in Rome, Italië, een rechtshulpverzoek gericht aan de justitiële autoriteiten van Sint Maarten en Curaçao in een strafzaak waarbij [eiser] een van de verdachten is. In dit rechtshulpverzoek wordt onder meer gevraagd om hulp om inzicht te krijgen in de vermogensbestanddelen van [eiser] om te kunnen overgaan tot inbeslagneming en ontneming van het bedrag aan illegale inkomsten. Ook meldt het rechtshulpverzoek dat het ten laste leggen van de artikelen 3 en 4 van wet nr. 146/2006, waarmee het Verdrag van de VN te Palermo werd geratificeerd, de mogelijkheid biedt de inbeslagneming en ontneming te bevelen van bepaalde zaken. Het rechtshulpverzoek is gebaseerd op art 21 van het Europees Verdrag wederzijdse rechtshulp in strafzaken (1959) en art 18, derde lid, van het Verdrag van de VN tegen transnationale georganiseerde criminaliteit (Palermo, 12/15 dec 2000).

  3. Op 18 november 2016 volgt een aanvullend rechtshulpverzoek, gebaseerd op dezelfde verdragen. Het is een update en bevat onder meer het verzoek om “seizure and confiscation of the equivalent of the unlawful profit”.

  4. Op 8 december 2016 heeft de Officier van Justitie van het Parket Procureur-Generaal, een vordering machtiging conservatoir beslag ingediend bij de rechter-commissaris bij het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten. De vordering is gebaseerd op rechtshulpverzoeken van de Italiaanse autoriten van 6 oktober 2014, 23 augustus 2016 en 18 november 2016, aan de rechterlijke instanties op Curaçao en Sint Maarten. De Officier van Justitie heeft in deze vordering gevraagd om machtiging tot conservatoir beslag te mogen leggen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een door de Italiaanse rechter mogelijk op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het door, onder anderen, [eiser] wederrechtelijk verkregen voordeel, tot een bedrag van € 215.426.960,=.

  5. Op 9 december 2016 heeft de rechter-commissaris bij het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, deze vordering ingewilligd en de gevraagde machtiging verleend, welke machtiging op 12 december 2016 op schrift is gesteld.

  6. Op 13 december 2016, met een uitgebreidere versie van 16 december 2016, heeft het Parket bij het Gerecht in Rome een aanvullend rechtshulpverzoek ingediend bij de justitiële autoriteiten van Curaçao en Sint Maarten inhoudende een verzoek om een aantal goederen die aan [eiser] kunnen worden toegeschreven, in beslag te nemen. Het betreft onder meer een boot genaamd Starnet, met een waarde van ongeveer € 300.00,= en een boot met de naam Vales, Sacs, model Strider met een geschatte waarde van € 462.971,=. Doel van de inbeslagname is “confiscation by equivalent of the unlawful profit”, tot dusver geschat op ruim 215 miljoen euro.

  7. Op 14 december 2016 zijn, op basis van de onder e) genoemde machtiging van de rechter-commissaris, op bevel van de Officier van Justitie de volgende vaartuigen onder (onder anderen) [eiser] in beslag genomen:

1. een boot naam [naam boot], merk romp Sacs, type romp Strider, bouwjaar romp 2011, merk motor Mercury, bouwjaar motor 2011;

2. een boot naam [naam boot], merk romp Sacs, bouwjaar romp 2007, merk motor Yamaha 300, bouwjaar motor 2012;

3. een boot naam [naam boot], gegevens identificatieplaat Alegria Panama, MMSI 25590599, Call sign CRXV.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2017 heeft de Officier van Justitie het klassiek beslag op de drie hierboven genoemde boten opgeheven. Het proces-verbaal meldt dat het conservatoir beslag dat al op de boten is gelegd, blijft gehandhaafd.

Op 3 juli 2017 heeft het Parket bij het Gerecht in Rome, in aanvulling op het rechtshulpverzoek van 16 december 2016, aan de autoriteiten van Sint Maarten en Curaçao gevraagd om de boten waarvan de Italiaanse autoriteiten al de in beslagname hadden verzocht, te verkopen. In dit verzoek staat onder meer: “The investigating Judge of Rome (…) has authorized to sell the boats because of the costs of custody and the decrease in value”.

Op 8 augustus 2017 heeft de Officier van Justitie een vordering machtiging tot vervreemden, vernietigen, prijsgeven of tot een ander doel bestemmen van inbeslaggenomen voorwerpen gericht tot de rechter-commissaris. Het betreft de vervreemding van de drie onder g) genoemde boten.

Op 8 augustus 2017 heeft de rechter-commissaris de hiervoor genoemde vordering ingewilligd en een machtiging gegeven tot het vervreemden van de onder g) genoemde boten. De rechter-commissaris heeft in deze machtiging onder meer overwogen dat voor deze voorwerpen op Sint Maarten geen voorzieningen zijn waar beveiligde opslag gedurende langere tijd onder conserverende omstandigheden mogelijk is terwijl de invloed van de klimaatomstandigheden aannemelijk maakt dat de waardevermindering progressief zal zijn, dat het beslag op genoemde voorwerpen is gelegd ter verzekering van het recht van verhaal, waarbij aannemelijk is dat tot het moment van verhaal of uitwinning geruime, zo niet lange tijd zal verstrijken en dat deze voorwerpen onder deze omstandigheden niet geschikt zijn voor opslag gedurende langere tijd of dit hoogst ongewenst wordt geacht.

Tussen de Advocaat-Generaal en de toenmalige advocaat van [eiser] hebben onderhandelingen plaatsgevonden over zekerheidstelling zodat de vaartuigen zouden kunnen worden terug gegeven aan [eiser]. Deze onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid. Bij brief van 7 november 2018 heeft de Advocaat-Generaal laten weten dat het zal doorgaan met het proces van vervreemding van de vaartuigen.

Op 3 juli 2017 heeft de Italiaanse rechter de verkoop van de vaartuigen geautoriseerd. Op 19 november 2018 heeft de Italiaanse rechter geoordeeld dat het proces van verkoop van de vaartuigen moet stoppen. Deze beslissing is door diezelfde rechter herzien op 30 november 2018, aldus dat weer wordt terug gegrepen op de beslissing van 3 juli 2017.

3 Standpunten van partijen

Eiser beoogt met het verzoek te bereiken dat het het OM wordt verboden de boten te vervreemden hangende de strafrechtelijke procedure tegen hem in Italië. Subsidiair bepleit hij dat de vervreemding wordt verboden totdat de Italiaanse rechtbank beslist over een door hem aangespannen spoedprocedure. Eiser betoogt daartoe in de eerste plaats dat er geen rechtshulpverzoek bestaat van de Italiaanse autoriteiten dat ziet op het in beslag nemen of vervreemden van de boten. Voorts heeft eiser gemotiveerd betoogd dat het beslag onbevoegdelijk is gelegd.

De Officier van Justitie heeft zich gemotiveerd verzet tegen de verzoeken van eiser.

4 Overwegingen

Het betoog van eiser dat er geen rechtshulpverzoek bestaat van de Italiaanse autoriteiten dat ziet op conservatoir beslag en vervreemding van de boten, faalt. Uit de hierboven opgenomen feiten blijkt immers dat een dergelijk verzoek er wel is. Reeds in het rechtshulpverzoek van 23 augustus 2016 wordt op inbeslagname van goederen ten behoeve van uitwinning gepreludeerd (zie het bij de feiten, onder a) gestelde). In de onder c) en f) aangehaalde aanvullende rechtshulpverzoeken, wordt dit geconcretiseerd en uit hetgeen onder i) is aangehaald blijkt van een expliciet verzoek en akkoord om de boten te verkopen.

Eiser heeft voorts betoogd dat het conservatoir beslag onrechtmatig is gelegd omdat –kortweg- hiervoor geen wettelijke of verdragsrechtelijke basis bestaat. Eiser meent dat daarom voor vervreemding evenmin plaats is.

Met dit betoog vraagt eiser in feite aan het Gerecht om als hoger beroepsinstantie van de onder e) aangehaalde beslissing van de rechter-commissaris op te treden. Daartoe is het Gerecht echter niet bevoegd. Dat eiser zijn verzoek ook heeft ingekleed als een strafvorderlijk kort geding, maakt dat niet anders. Eiser lijkt hiermee een executiegeschil te hebben willen starten, waarbij de vordering tot vervreemding moet worden gezien als de executie van de beslissing tot beslag die is voortgevloeid uit de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag. Eiser heeft immers in zijn verzoek gevraagd om schorsing van de onder k) aangehaalde machtiging tot vervreemding. Voor schorsing in dat kader is slechts plaats indien sprake zou zijn van misbruik van de executiebevoegdheid. Dat kan zich voordoen indien de te executeren beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na die beslissing iets is voorgevallen of aan het licht gekomen waardoor moet worden geconcludeerd dat bij het doorgaan van de executie een noodtoestand zou ontstaan en die noodtoestand aan de executie in de weg zou staan. Van het een noch het ander is gebleken. Naar het oordeel van het Gerecht is er geen formele grond om de verkoop van de boten te stoppen. Met de AG en op de door de AG naar voren gebrachte gronden ziet het Gerecht geen aanleiding om de verkoop aan te houden totdat de Italiaanse rechtbank heeft beslist op een door eiser ingediend spoedverzoek.

Met het betoog van eiser dat het OM niet duidelijk heeft gemaakt wat aan teruggave van de boten in de weg staat, miskent eiser de aard van het gelegde beslag. Dit betoog kan niet slagen.

Eiser heeft bepleit dat de boten aan hem in gebruik worden (terug) gegeven wanneer hij betaalt voor de opslag, het onderhoud verzorgt en zich aan zekere beperkingen houdt voor wat het gebruik van de boten betreft. Dit aanbod zou aan vervreemding in de weg moeten staan volgens eiser. Het Gerecht oordeelt dat dit niet aan het doorzetten van de verkoop van de boten in de weg hoeft te staan. Het OM heeft er in dit verband terecht op gewezen dat met het verstrijken van de tijd, de boten minder waard zullen worden. Ook het (tot op heden) ontbreken van een zekerheidstelling draagt er aan bij dat het OM die aanbod van eiser niet heeft hoeven accepteren.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het klaagschrift ongegrond is en hetgeen eiser heeft gevraagd in het strafvorderlijk kort geding moet worden afgewezen.

B E S L I S S I N G :

Het Gerecht

  • -

    Verklaart het klaagschrift ongegrond

  • -

    Wijst de vorderingen van eiser af.

Aldus gegeven op Sint Maarten op 10 januari 2019 door mr. C.W.M. Giesen, rechter-commissaris in strafzaken in het Gerecht in Eerste Aanleg, in tegenwoordigheid van J.A. Daniel als griffier.

w.g. J.A. Daniel w.g. C.W.M. Giesen

w.g. J.A. Daniel w.g. C.W.M. Giesen

Voor Eensluidend Afschrift;

De Griffier,

Voor Eensluidend Afschrift;

De Griffier,