Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:24

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
13-05-2019
Zaaknummer
SXM201900079 (KG 2019/11)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding. Verbintenissenrecht. Levering van energie door buurman aan gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201900079 (KG 2019/11)

Vonnis in kort geding d.d. 8 maart 2019

inzake

[A],

gevestigd in Sint Maarten,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. L. BERMAN,


tegen

de vereniging [de HOA],

gevestigd in Sint Maarten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. W.J. Nelissen.


Partijen zullen hierna [A] en HOA worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    verzoekschrift met producties, ontvangen op 28 januari 2019,

  • -

    eis in reconventie,

  • -

    producties van HOA,

  • -

    producties van [A],

  • -

    pleitnota van [A],

  • -

    pleitnota van HOA.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2019. [A] is verschenen alsmede de beide hiervoor genoemde gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag vindt de uitspraak plaats.

2 De feiten

2.1. [

[A] is sinds 2014 eigenaar van bijna alle erfpachtrechten op het voormalige Caravanserai terrein. Op dit terrein staat gebouw A. Dat is geen eigendom van [A], maar van HOA die als vereniging van eigenaren kwalificeert.

2.2.

Tussen [A] en alle leden van de HOA (behalve een lid die een aan [A] gerelateerde vennootschap is die ook een appartementsrecht bezit) zijn al jaren lang 17 bodemprocedures aanhangig bij dit gerecht. Laatste stand van zaken is dat er een deskundige is benoemd die bezig is met zijn onderzoek.

3 De vorderingen en het verweer

3.1. [

[A] vordert in conventie dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, HOA wordt veroordeeld om aan haar te betalen US $ 13.880,80 aan hoofdsom, US $ 2.082,12 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (over de hoofdsom) vanaf 6 juli 2018, althans vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift (over de buitengerechtelijke incassokosten) tot en met de dag van algehele voldoening.

3.2.

HOA vordert in reconventie, na eisvermindering, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat aan [A] wordt geboden om, voor kosten en rekening van de HOA, haar medewerking te verlenen aan de overdracht aan de HOA van de door haar recentelijk afgesplitste toevoer van water en/of elektriciteit via de door haar nieuw aangelegde rechtstreekse verbinding vanaf de hoofdlijn van GEBE naar het A-building zodat de individuele eigenaren in het A-building rechtstreeks met GEBE kunnen contracteren, met veroordeling van [A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Partijen concluderen ieder tot afwijzing van de vorderingen van de andere partij, met diens veroordeling in de proceskosten.

3.4.

Op de argumenten van partijen gaat het gerecht hierna in, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

4.1. [

A] vordert in deze procedure de kosten van de levering van elektriciteit en water. Daarop ziet de gevorderde hoofdsom die zich uitstrekt over de periode juli 2018 tot 24 januari 2019. De gegevens voor de facturen zijn afkomstig uit de sinds juni 2018 op verzoek van HOA door [A] geïnstalleerde tussenmeter. De facturen betreffen zowel leveranties ten behoeve van de appartementen als ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeeltes in gebouw A. Op de facturen is vermeld welke hoeveelheid kilowattuur door de tussenmeter is vastgesteld. [A] stelt dat de appartementseigenaren lid zijn van de HOA, die de facturen zonder protest heeft geaccepteerd, zodat de HOA ze probleemloos moet kunnen betalen en doorbelasten aan de appartementseigenaren. De bodemprocedures zien op een eerdere periode toen er nog geen tussenmeter was, aldus [A].

4.2.

HOA voert aan dat niet is voldaan aan de vereisten van een geldvordering in kort geding zodat daarom [A] in haar vorderingen niet- ontvankelijk moet worden verklaard. [A] heeft op eigen houtje een tussenmeter geplaatst. De meterstanden kunnen onvoldoende worden geverifieerd. Er is sprake van een discrepantie tussen de meterstanden die de appartementseigenaren aflezen en de facturen van [A].

4.3.

Allereerst de kwestie van de ontvankelijkheid. Het bestaan van de vordering acht het gerecht aannemelijk. Duidelijk is immers dat door [A] energie en water wordt geleverd aan gebouw A en dat zowel de HOA als de appartementseigenaren daarvan baat hebben. Er is immers geen andere toevoer van energie en water mogelijk dan via het terrein van [A]. Wat betreft de hoogte van de vordering geldt dat onbetwist is dat er een tussenmeter is geïnstalleerd. Niet dan wel onvoldoende is gesteld door HOA dat het voor haar, dan wel haar leden, onmogelijk is om de op de facturen vermelde verbruiksgegevens te controleren met de tussenmeter. Ook het spoedeisend belang vindt het gerecht aanwezig omdat er geen goede reden te bedenken is dat [A] de energiekosten zou moeten voorschieten zonder dat zij daar zelf enig voordeel van heeft. Zij wordt hierdoor bovendien opgescheept met een verhaalsrisico. Haar probleem wordt immers mettertijd alleen maar groter. Het restitutierisico is er niet omdat immers het geld is gespendeerd aan water en energie ten behoeve van de HOA en haar leden en daar moet natuurlijk voor worden betaald. Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer niet opgaat.

4.4.

Verwijzende naar hetgeen in de vorige alinea is overwogen heeft verder te gelden dat van HOA, mede optredende als belangenbehartiger van de appartementseigenaren, verwacht mocht worden dat zij aan [A] voor de door haar geleverde energie en het water zou betalen, althans haar leden zou opwekken in elk geval het redelijkerwijs verschuldigde bedrag als voorschot over te maken. Zonder medewerking van [A] immers zou de lift niet werken, de airconditioning het niet doen, de koelkast niet koud zijn en er geen fris water uit de kraan stromen. Kortom: het gebouw en de individuele appartementen zouden niet goed bewoonbaar zijn. Het gerecht begrijpt dat door HOA vraagtekens worden gesteld bij sommige factuurposten. Het gaat in dit kort geding te ver om die door te nemen. Het gerecht ziet aanleiding om ordenend op te treden binnen deze rechtsverhouding en zal daarom HOA veroordelen om 80% van het uitstaande bedrag aan [A] te betalen, met de rente daarover zoals hieronder is vermeld. Het is aan HOA om deze bedragen desgewenst door te belasten aan haar leden. Alhoewel dit niet is gevorderd kan het gerecht zich voorstellen dat partijen in de toekomst dit percentage aanhouden, totdat de zaak is geschikt of de bodemrechter uitspraak heeft gedaan. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt.

4.5.

Wat betreft de reconventionele vordering geldt dat het gerecht deze zal afwijzen. Zoals gezegd is de deskundige in de voormelde bodemprocedures doende om de problematiek tussen partijen, waaronder de onderhavige, te onderzoeken. Nu de uitkomst daarvan niet te voorspellen is geeft het gerecht er de voorkeur aan het deskundigenbericht af te wachten.

4.6.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt HOA in de proceskosten van [A] veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

in conventie en in reconventie:

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt HOA om aan [A] te betalen USD 11.104,64, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening,

veroordeelt HOA in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op NAf. 249,50 aan verschotten, NAf. 750,00 aan griffierecht en op Naf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 8 maart 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.