Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:18

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
SXM201800595 (AR 2018/116)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag- en executierecht. Samenloop strafrechtelijke en civiele conservatoire beslagen. OM en Minister van Justitie als procespartij. Exhibitie-incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201800595 (AR 2018/116)

Vonnis d.d. 22 januari 2019

inzake

1 [A]

2. [B]

woonplaats gekozen hebbende te Curaçao,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

gemachtigde: mr. M.J. EISDEN

tegen


1. DE OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND SINT MAARTEN EN/OF DE MINISTER VAN JUSTITIE,

zetelende te Sint Maarten,

krachtens dit vonnis vervangen door: HET LAND SINT MAARTEN,

zetelende te Sint Maarten,

gedaagde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

gemachtigde: mr. F.K. KUTLUER,

en

2 de naamloze vennootschap RBC ROYAL BANK N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

gemachtigden: mr. R.F. GIBSON jr. en MR. C.M.P. VAN HEES.

Partijen en andere betrokkenen zullen hierna ook wel als volgt worden aangeduid:

[A] en [B] als “[AB]” (mannelijk enkelvoud),

het Land Sint Maarten als “het Land”,

de Minister van Justitie als “de Minister”,

het OM als “het OM”,

RBC Royal Bank N.V. als “de Bank”,

……... als “[C]”,

……… als “[D]”.

1 Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    verzoekschrift met producties van 8 mei 2018,

  • -

    processtuk getiteld “incidentele vorderingen" van [AB],

  • -

    conclusie van antwoord in het incident met producties van de bank,

  • -

    conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties van de bank,

  • -

    conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens conclusie van antwoord in het incident met producties van “De Minister van Justitie, mede namens het Land Sint Maarten”,

  • -

    akte uitlating producties met producties in het incident van [AB],

  • -

    akte uitlating producties in het incident van de bank,

  • -

    akte uitlating producties van “De Minister van Justitie, mede namens het Land Sint Maarten”.

1.2.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 Inleiding in het incident en in de hoofdzaak

In zowel het incident als de hoofdzaak worden formele (ontvankelijkheids)verweren gevoerd waarop eerst beslissingen moeten worden genomen voordat aan de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vorderingen en de vorderingen in de hoofdzaak kan worden toegekomen. Daarom zal het Gerecht hierna eerst de feiten vaststellen. In het incident betreft dat een definitieve feitenvaststelling. In de bodemprocedure een voorlopige omdat immers nog niet is gerepliceerd en gedupliceerd.

3 De feiten

3.1.

Op 26 juni 2007 is door het OM strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag gelegd,

onder andere op rekeningen van [AB] en op rekeningen van aan [AB] gelieerde rechtspersonen, onder andere [C] en [D], die bij de bank werden aangehouden.

3.2. [

C] en [D], die zijn opgericht naar het recht van Anguilla en waren ingeschreven bij de Registrar of Companies aldaar, zijn blijkens een Certificate of Dissolution van deze Registrar op 6 januari 2009 hieruit geschrapt. (…has this day been struck off the register and dissolved….).

3.3.

Op 16 en 19 juli 2010 is door de bank aan het OM betaald US $ 4.487.928,00 ten laste van bankrekeningen van [C] en [D]. Dit is gebeurd op basis van een door het OM verkregen executoriale titel van 3 juli 2008 waarin dit bedrag is verbeurd verklaard.

3.4.

Op 29 juni 2010, 11 januari 2011, 29 mei 2012 en 17 juni 2014 zijn op deze bankrekeningen door schuldeisers conservatoire derdenbeslagen gelegd.

3.5.

Bij vonnissen in de ontnemingszaak tegen [AB] van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) van 21 maart 2013 is het bedrag waarop het door hen gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op 2 x NAf. 7.366.744,04 = NAf. 14.733,49 (US $ 8.095.323,12). Deze vonnissen zijn in cassatie door de Hoge Raad bevestigd op 10 maart 2015.

3.6.

Op bladzijde 9, alinea 3, van deze vonnissen staat de volgende overweging:

“Tenslotte overweegt het Hof dat in het arrest van de Hoge Raad waarnaar de verdediging verwijst (HR 8 mei 2001, LJN AB1522) ter staving van het verweer dat het vermogen van [C] niet zonder meer kan worden toegeschreven aan de veroordeelde en zijn medeveroordeelde, een andere casus aan de orde was dan in de onderhavige zaak. Het Hof heeft vastgesteld dat de rechtspersoon [C] een lege vennootschap betreft. Deze vennootschap was in feite niet meer dan een vehikel dat louter werd gebruikt voor het ontvangen van de gelden die werden verkregen door de veroordeelde en zijn medeveroordeelde voor het plegen van de feiten als hiervoor (onder a. en b.) beschreven. Het feit dat de veroordeelde en zijn medeveroordeelde de enigen waren die vervolgens beschikten en konden beschikken over deze gelden leidt het Hof tot het oordeel dat het in de vennootschap binnengekomen vermogen als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegeschreven aan de veroordeelde en zijn medeveroordeelde.”

3.7.

Op verzoek van drie schuldeisers heeft dit Gerecht een drietal verstekvonnissen tegen [C] en [D]gewezen op 11 januari 2011 (AR 2010/148), 29 mei 2012 (AR 2012/243) en 17 juni 2014 (AR 2013/120). Daarin zijn de vorderingen toegewezen. Dit zijn (deels) de eisen in de hoofdzaak betreffende de onder 3.4. weergegeven conservatoire derdenbeslagen. Op grond van deze vonnissen heeft de bank aan de drie schuldeisers een totaal bedrag van US $ 2.634.690,56 uitbetaald terwijl het strafrechtelijke conservatoire beslag nog op de bankrekeningen van [C] en [D]lag.

3.8. [

C] en [D]zijn van deze vonnissen in verzet gegaan. Bij vonnissen van 21 februari 2017 zijn zij in het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

3.9.

Het OM deelt bij e-mail van 14 augustus 2015 aan de gemachtigde van [AB] mede dat nog US $ 3.607.395,12 moet worden betaald ter ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen. Verder wordt medegedeeld dat het totale saldo van de bij de bank beslagen rekeningen US $ 8.553,60 bedroeg. Uitgelegd wordt dat de bank inmiddels heeft betaald aan de drie schuldeisers. Per saldo blijft er veel te weinig over om de US $ 3.607.395,12 mee te betalen.

3.10.

In de brief van het OM van 19 mei 2016 aan de gemachtigde van [AB] komt de volgende passage voor:

“Het OM deelt verder ook niet uw mening dat – nu dat de saldi op de bankrekeningen bij de [bank] die aan uw cliënten toebehoren en welke gelden door de bank (ondanks het beslag en derhalve onrechtmatig) zijn overgemaakt aan derden – deze onttrekkingen ten faveure van uw cliënten zou moeten worden verrekend bij de ontneming.”

3.11.

In de brief van het OM van 4 augustus 2016 wordt dit standpunt herhaald met de toevoeging “… nu hiervoor een juridische of materiële grondslag ontbreekt.”

3.12.

In de brief van het OM van 19 december 2016 wordt hierover onder andere het volgende geschreven:

“Uitgangspunt voor het OM is dat de bank deze tegoeden niet aan derden had mogen uitkeren, omdat deze onder conservatoir beslag lagen.

Desalniettemin is dit geld aan derden betaald, die – jegens uw cliënten gelieerde rechtspersonen op wiens naam de rekeningen stonden – een executoriaal vonnis hebben verkregen. Daarmee is het ten goede gekomen van uw cliënten die aldus van een verplichting tot betaling aan deze derden verlost zijn. Het doet in ieder geval aan de betalingsverplichting die uw cliënten uit hoofde van de ontnemingszaak hebben niets af.”

3.13.

Verder in deze brief:

“Ik had u toegezegd te berichten als er uit de gesprekken tussen het OM en de bank een resultaat zou komen wat uw cliënten zou regarderen. Er is kort geleden door het OM een akkoord bereikt over de schadevergoeding met de [bank] maar alleen voor het geval dat de ontnemingsmaatregel niet verhaald kan worden op uw cliënten. Ik zie derhalve op dit moment geen aanleiding u hierover nadere informatie te geven.”

3.14.

Bij brief van 13 maart 2017 heeft [AB] de bank aansprakelijk gesteld en haar gesommeerd om het bedrag van US $ 2.634.690,56, plus rente, aan hem uit te betalen. Hieraan heeft de bank geen gehoor gegeven.

3.15.

Bij brief van 21 juni 2017 heeft het OM aan de gemachtigde van [AB] bericht dat zijn cliënt nog US 3.399.139,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet betalen. Als hij dat niet doet moet hij vervangende hechtenis ondergaan.

3.16.

In deze brief komt ook nog de volgende passage voor:

“Het OM is ook anders dan u van oordeel dat het beslagen onroerend goed wel degelijk aan uw cliënten toebehoort. Deze vereenzelviging van de rechtspersonen [D]en [C] en uw cliënten de heer en mevrouw [AB] komt niet alleen voort uit de uitspraak van de Hoge Raad, maar ook uit het feit dat u in uw e-mail van 23 mei j.l. aangeeft dat uw cliënten bereid zijn mee te werken aan een door hen te arrangeren onderhandse verkoop van de onroerende zaken.”

3.17.

Bij beschikkingen in de ontnemingszaak tegen [AB] van het Hof van 30 juli 2018 is het wederrechtelijk verkregen voordeel nader vast gesteld op NAf. 7.252.994,04 (x 2 = NAf. 14.505,988,10).

4 De vorderingen en de verweren

in de hoofdzaak

4.1. [

AB] verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

  1. te verklaren voor recht dat [AB] het bedrag van US $ 2.634.690,56 kan verrekenen met het aan het Land/de Minister van Justitie toekomende bedrag ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel,

  2. Primair: het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank hoofdelijk, zodanig dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [AB] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting US $ 2.634.690,56, te vermeerderen met 15% aan buitengerechtelijke incassokosten,

Subsidiair: het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank hoofdelijk, zodanig dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [AB] te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting US $ 774.032,02 vermeerderd met de wettelijke rente en te vermeerderen met 15% aan buitengerechtelijke incassokosten,

het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde.

in het incident

4.2. [

AB] verzoekt het Gerecht om bij uitvoerbaar te verklaren incidenteel vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

a. het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank te bevelen om aan hem afschriften te verstrekken van de volgende stukken:

aa. alle correspondentie tussen het OM en de bank ten aanzien van de overboekingen van de beslagen rekeningen,

bb. overeengekomen afspraken, althans de brief en mailcorrespondentie ten aanzien van die afspraken over de aansprakelijkheid voor schade/onverhaalbaarheid van vorderingen als gevolg van de overboekingen van de onder 3.7. van dit vonnis weergegeven vonnissen van dit Gerecht,

cc. exploten van betekening en overbetekening bij het OM en de bank van de drie hierboven genoemde civiele verzoekschriften evenals de drie civiele verzoekschriften,

dd. de verklaring van derdenbeslag van de bank van beslaglegging in de zaak van de curator in het faillissement van [E], [C] Enterprises Ltd. en [D]Ltd.,

een en ander op verbeurte van een dwangsom van US $ 250 per dag, waarbij de te verbeuren dwangsommen worden gemaximeerd op US $ 10.000,

het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank hoofdelijk, zodanig dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van de procedure in het incident.

in de hoofdzaak en in het incident

4.3.

Het Land Sint Maarten/de Minister van Justitie/de bank verzoeken het Gerecht om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [AB] af te wijzen dan wel hen daarin niet ontvankelijk te verklaren, met veroordeling in de proceskosten.

5 De beoordeling omtrent de ontvankelijkheid van [AB]

Het ontvankelijkheidsverweer van Land Sint Maarten/de Minister van Justitie

5.1.

Kort en zakelijk weergegeven voeren Land Sint Maarten/de Minister van Justitie aan dat [AB] in het incident niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Aangevoerd wordt dat de Minister niet over de verzochte stukken beschikt. Die liggen bij het OM, dat zelfstandig werkt zonder bemoeienis van de Minister, zie de Rijkswet OM. De vordering moet worden gericht tot het OM.

5.2.

De kwestie van de ontvankelijkheid ziet op twee aspecten. Ambtshalve zal het Gerecht beoordelen of een Minister als procespartij in een civiel geding kan optreden. Verder moet worden bezien of het OM als procespartij mag optreden.

5.3.

Anders dan door Land Sint Maarten/de Minister van Justitie wordt aangevoerd geeft de Rijkswet OM niet de bevoegdheid aan het OM om als civiele procespartij op te treden. Blijkens artikel 41 Rv kan het OM wel als partij optreden, zij het dat het niet in de proceskosten kan worden veroordeeld. Als daar reden voor is moet het Land in de proceskosten worden veroordeeld. Echter, artikel 41 Rv ziet uitsluitend op de situatie dat het OM op grond van een materiële wettelijke bepaling als procespartij optreedt (bijvoorbeeld op grond van Boek 2 BW). Duidelijk is dat dit hier niet opgaat, alleen al omdat het Land/de Minister van Justitie in rechte wordt betrokken als gedaagde met als grondslag onrechtmatige daad. Daarom geldt het Land als gedaagde omdat het OM onderdeel is van de overheid wat door het Gerecht in de kop van dit vonnis is verwerkt.

5.4.

Er is geen wettelijke basis voor de Minister van Justitie als civiele procespartij. Er is namelijk geen wettelijke regeling aan te wijzen die hem orgaan van het Land maakt en dus hem bevoegdheid geeft het Land in rechte te vertegenwoordigen (zie HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653). Ook dit is nu in de kop van het vonnis verwerkt.

5.5.

Conclusie is dus dat het Land terecht in de procedure is betrokken en de Minister van Justitie niet. Wat betreft het Land slaagt het ontvankelijkheidsverweer niet. Het ontvankelijkheidsverweer wordt in de hoofdzaak door het Land niet gevoerd maar daar geldt natuurlijk hetzelfde voor. Het Gerecht zal dit in het eindvonnis in de hoofdzaak beslissen.

5.6.

Overigens zal het Gerecht hierna blijven verwijzen naar het OM, maar dan als onderdeel van het Land. Waar OM wordt gebruikt wordt dus ook bedoeld het Land.

De ontvankelijkheidsverweren van de bank

5.7.

Kort en zakelijk weergegeven voert de bank, zowel in de hoofdzaak als in het incident, aan dat [AB] in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [AB] stelt vorderingen in terwijl het feitelijk gaat om afschrijvingen die zijn gedaan van de rekeningen van [D]en [C]. Nergens blijkt uit dat [AB] bevoegd of gevolmachtigd is om namens deze vennootschappen te handelen. Evenmin heeft hij de bevoegdheid om op eigen naam de gestelde vordering te innen. Zelfs al zou het Gerecht de vorderingen toewijzen dan moet er worden betaald aan [D] en [C] en niet aan [AB]. Dus hadden [D]en [C] de vorderingen moeten instellen en niet [AB].

5.8. [

AB] voert, kort en zakelijk weergegeven, als verweer het volgende aan. Hij verwijst naar de overwegingen van het Hof, zoals weergegeven onder 3.6. van dit vonnis. Daarin heeft het Hof overwogen dat sprake is van [C] en [D]als louter vehikels voor het ontvangen van de gelden die werden verkregen door [AB]. Zie ook de hiervoor aangehaalde correspondentie, met name de brief van 21 juni 2017, waarin het OM zelf de term vereenzelviging gebruikt. Dat klopt ook wat [AB] betreft. Hij wijst er op dat hij door het trustkantoor op Anguilla als ultimate beneficiary owner was geregistreerd en dat hij in het economische verkeer als directeur/groot- aandeelhouder van deze vennootschappen optrad. Vanwege de strafrechtelijke veroordeling is het onmogelijk gebleken om de vennootschappen weer in “good standing order” te krijgen. Door de vereenzelviging is [AB] wel degelijk ontvankelijk in zijn vorderingen op grond van onrechtmatige daad. De schade is immers geleden door [AB].

5.9.

Het Gerecht overweegt dat [AB] stelt schade als gevolg van de onrechtmatige daad van het OM en/of de bank te hebben geleden. Die schade is volgens [AB] ontstaan omdat de bank in weerwil van het strafrechtelijke conservatoire beslag van het OM bedragen heeft afgeschreven van de bankrekeningen van [C] en [D]naar de schuldeisers van beide vennootschappen terwijl het OM dat (kort gezegd) had moeten voorkomen zodat de wettelijke (rang)regeling in acht had kunnen worden genomen waardoor meer geld voor betaling aan het OM beschikbaar zou zijn geweest ten behoeve van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.10.

Anders dan de bank stelt vindt het Gerecht het niet van belang dat de gelden zijn afgeschreven van de bankrekeningen van [C] en [D]waarop [AB] niet gerechtigd was. Waar het om gaat is dat [AB] hierdoor schade heeft kunnen ondervinden vanwege de onherroepelijke beslissing van de strafrechter die ervan uitgaat dat de vermogensbestanddelen van [C] en [D]als wederrechtelijk verkregen voordeel van [AB] moeten worden gezien. Nu door handelen van de bank de aan deze vennootschappen toebehorende gelden zijn uitgekeerd aan derden, in strijd met artikel 480 Rv., dat een regeling geeft omtrent de verdeling van de opbrengst van de executie, is dat voldoende om hem in zijn incidentele vorderingen te ontvangen. Immers, niet kan worden uitgesloten als de hoofdzaak is uitgeprocedeerd, met inachtneming van de door de bank en het OM op grond van dit vonnis af te geven stukken, dat er door de bank te veel aan de schuldeisers van beide vennootschappen is betaald en te weinig aan het OM waardoor [AB] inderdaad schade heeft ondervonden. Het argument van de bank dat zij het uiteindelijk nader vast te stellen bedrag aan de beide vennootschappen, beter gezegd: hun schuldeisers, zou moeten betalen is niet relevant. Het gaat er immers om dat dan mogelijk een hoger bedrag overblijft voor het OM en dus een lager bedrag te betalen door [AB] aan het OM.

5.11.

In de bodemprocedure zal verder moeten worden nagedacht of en in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van schade nu mogelijk door de afschrijvingen [AB] feitelijk niet in zijn vermogen is geschaad. De bank merkt namelijk op dat de vorderingen van OM en schuldeisers bij elkaar opgeteld linksom of rechtsom toch door [AB] moeten worden betaald. Echter, zo overweegt het Gerecht voorlopig, lijkt de kwestie van de rente van belang en ook de omstandigheid dat [AB] gevaar loopt door deze afschrijvingen ten behoeve van de drie schuldeisers eerder en/of meer vervangende hechtenis te moeten ondergaan. Het komt het Gerecht (voorlopig) voor dat dit ook een op geld waardeerbare schadepost kan vormen.

5.12.

Hoe dan ook, slotsom is nu dat de ontvankelijkheidsverweren geen doel treffen en dat betekent dat het Gerecht toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de incidentele vorderingen.

6 De inhoudelijke beoordeling in het incident

6.1.

Kort en zakelijk weergegeven voert [AB] aan dat hij belang heeft bij overlegging van de correspondentie tussen het OM en de bank. Daaruit zal namelijk de toedracht blijken van de afschrijvingen en de wetenschap destijds van het OM hierover, temeer nu tussen het OM en de bank een overeenkomst is gesloten over de aansprakelijkheid van de bank jegens het OM voor het geval de ontnemingsvordering niet op [AB] kan worden verhaald. Ook de overige gevraagde stukken zijn van belang hiervoor.

6.2.

Kort en zakelijk weergegeven voert het OM het volgende aan. Het gaat om stukken in de relatie tussen het OM en de bank die [AB] niet aangaat. Er is ook geen belang van [AB] omdat de vorderingen de beslagen bedragen overtreffen.

6.3.

Kort en zakelijk weergegeven voert de bank het volgende aan. [AB] heeft niet op een duidelijke wijze aannemelijk gemaakt welk belang zij heeft bij afgifte van elk opgevraagd stuk.

6.4.

Het verweer van het OM dat [AB] geen belang heeft is door het Gerecht onder 5.10 al beoordeeld en ongegrond bevonden.

6.5.

Het Gerecht overweegt dat artikel 843a Rv voorschrijft dat sprake moet zijn van een rechtmatig belang van [AB] bij het opvragen van de gegevens. Er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking tussen [AB] enerzijds en het OM en de bank, ieder voor zich, anderzijds.

6.6.

Het bestaan van een rechtsbetrekking is gegeven omdat [AB] aan de bank en/of het OM onrechtmatig handelen verwijt (de afschrijvingen in weerwil van het strafrechtelijke conservatoire beslag). Dat is een voldoende rechtsbetrekking in de zin van dit artikel, temeer nu het OM onderschrijft dat de bank de afschrijvingen niet mocht doen omdat zij op de rekeningen strafrechtelijk conservatoir beslag had gelegd en dus de regeling over cumulatie van beslagen in acht had moeten worden genomen.

6.7.

In algemene zin geldt dat [AB] een rechtmatig belang heeft bij het opvragen van de gegevens; hij verwijt de bank en het OM immers gemotiveerd en gedocumenteerd onrechtmatig handelen en daarvoor heeft hij nadere bewijsstukken nodig. Echter, per opgevraagd stuk moet worden bezien of hij dat rechtmatige belang heeft, zodat het Gerecht de stukken als volgt zal doornemen.

6.8.

Wat betreft de exploten van betekening en overbetekening bij het OM en de bank van de verzoekschriften betreffende de procedures van de drie schuldeisers van [C] en [D] oordeelt het Gerecht dat [AB] hier een rechtmatig belang bij heeft. Uit die stukken immers zal blijken van de data waarop het OM en de bank kennis kregen van de conservatoire beslagen namens deze beide vennootschappen.

6.9.

De inleidende verzoekschriften die aanleiding hebben gegeven tot de verstekvonnissen (zie onder 3.5.) zullen door de deurwaarder op grond van wettelijke voorschriften aan zowel het OM als de bank moeten zijn betekend. Ook bij deze stukken heeft [AB] belang omdat hij inzicht wil krijgen in de gang van zaken omtrent deze beslagen en de als gevolg daarvan gedane betalingen. Daarvoor zijn ook van belang de verklaringen van derdenbeslag die de bank aan de deurwaarder van de schuldeisers moet hebben verstrekt en waarvan door het OM niet deugdelijk wordt betwist dat het deze onder zich heeft. Het Gerecht merkt op niet uit zijn voormelde vonnis van 21 februari 2017 (zie 3.6.) te kunnen afleiden dat de gemachtigde van [AB] (die destijds ook [C] en [D]bijstond) over dit verzoekschrift beschikte.

6.10.

Ook de correspondentie en de stukken betreffende de afspraken tussen de bank en het OM moeten worden overgelegd. Het Gerecht overweegt dat deze stukken van belang zijn om de aansprakelijkheid van het OM en/of de bank vast te stellen. Het OM erkent immers in de correspondentie dat de bank fout heeft gehandeld, maar de bank erkent dit niet. Met [AB] is het Gerecht van mening dat deze stukken ook van belang zijn. [AB] moet immers de gelegenheid krijgen, temeer nu in strafrechtelijke zin de vereenzelviging tussen hem en rekeninghouders [C] en [D]vaststaat, de gang van zaken omtrent de afschrijvingen te onderzoeken en bepaald kan niet worden uitgesloten dat in de gevraagde stukken daarover het nodige is te lezen. Tot slot overweegt het Gerecht dat op het OM, als onderdeel van de overheid en als eerste beslaglegger, jegens [AB] de eisen van maatschappelijke zorgvuldigheid een rol spelen. Die brengen mee dat door het OM bij de executie van het strafvonnis aan de veroordeelde deze informatie wordt verstrekt. Zie ook wat hierover onder 5.9. en 5.10. is overwogen.

6.11.

Het Gerecht kan niet uitsluiten dat sommige documenten zich reeds (in kopie) bij de processtukken in deze procedure bevinden. Het is aan partijen en niet aan het Gerecht om dat uit te zoeken en daarover zo nodig afspraken te maken.

6.12.

De gevorderde dwangsommen en de voorgestelde maximering zal het Gerecht toewijzen.

6.13.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partijen moeten het OM en de bank in de proceskosten van [AB] worden veroordeeld.

7 Verder in de hoofdzaak

7.1.

De zaak moet worden verwezen naar de rolzitting, zoals hieronder vermeld, voor conclusie van repliek zijdens [AB]. Omdat hij de informatie van het OM en de bank op grond van het incidentele vonnis tot zich zal moeten nemen, zal het Gerecht aan hem een vrij uitstel gegeven.

7.2.

Aan [AB] wordt gevraagd om in de conclusie van repliek mede te delen of van de vonnissen van 21 februari 2017 van dit Gerecht (zie 3.8.) al dan niet hoger beroep is ingesteld.

8 De beslissing

Het Gerecht:

in het incident:

veroordeelt de bank en het OM (oftewel het Land) om aan [AB] afschriften te verschaffen van

aa. alle correspondentie tussen het OM en de bank ten aanzien van de overboekingen van de beslagen rekeningen,

bb. overeengekomen afspraken, althans de brief en mailcorrespondentie ten aanzien van die afspraken over de aansprakelijkheid voor schade/onverhaalbaarheid van vorderingen als gevolg van de overboekingen van de onder 3.7. van dit vonnis weergegeven verstekvonnissen van dit Gerecht,

cc. exploten van betekening en overbetekening bij het OM en de bank van de drie hierboven genoemde civiele verzoekschriften evenals de drie civiele verzoekschriften,

dd. de verklaringen van derdenbeslag van de bank van beslaglegging in de zaak van de curator in het faillissement van [E], [C] en [D].,

een en ander op verbeurte van een dwangsom van US $ 250 per dag, waarbij de te verbeuren dwangsommen worden gemaximeerd op US $ 10.000,00,

veroordeelt het Land en de bank hoofdelijk, zodanig dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van [AB], begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 6.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 februari 2018 voor conclusie van repliek,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 22 januari 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.